In mijn zevende, achtste Grootkoorconcert, met een programma dat met slechts twaalf nummers aan de karige kant is spatten mijn gedachten alle kanten op als zeepsopdruppels op een besmeurde stoep. Deze aflevering, met minimale deelname van mannen, komt niet in mijn top-III. Ik heb volop gelegenheid en tijd om wat weg te dromen. Toch hebben we heerlijk gezongen, begeleid door pianist Andy Booth en panfluitiste Carina Petersen; ik moet mijn opvattingen over dit instrument resetten: wow wat een aan virtuositeit grenzende musicista! En wat een jurk!
Uit mijn jeugd ken ik flarden van de musical The Sound of Music. Het kinderlijk openhartige ‘do-re-mi’ is als een plakkende zool op een keukenvloer: bijna onverwijderbaar als het eenmaal in je hoofd zit. Ook ‘The hills are alive’ en ‘Climb ev’ry mountain’ zingen heerlijk weg. Dat we de alten (onder wie ik twee meiden van begin twintig ontwaar) en sopranen niet in dirndl-outfits hebben kunnen snoeren is misschien toch niet zo verkeerd geweest.
Dan twee nummers van A. L. Webber ‘Any dream will do’ en ‘Love changes everything’, beide nummers passen precies in mijn associatieve gedachtenwereld. Dromen, liefde, verlangen, passie, wat een contrast met wat ik zie: koude stenen muren, onbereikbare gewelfbogen, antieke kroonluchters, ongemakkelijke koorstoeltjes, vloerzerken met wie weet wat en wie in welke staat daaronder en minimale stadsgeluiden. Vanwege het ontbreken van organist Martin Mans, voor wie gek genoeg in orgelprovincie Groningen geen vervanger is gevonden, een extra pianosolo, in deze kerk bijna net zo weinig passend als zeepsopgedachten.
Het nummer ‘I’ll wish I had given him more’ doet me denken aan de film Pillion die we zondag in Forum zagen. Een onmogelijke liefde tussen een dominante en onderdanige man, beiden wensend de ander meer te kunnen geven. Hilarisch, pijnlijk, gevoelig, expliciet, hartstochtelijk, op het cartooneske af. Vooral de passage waarbij de wat ielere subs met ontblote billen op een ontbijttafel smachtend wachtend klaarliggen voor penetratie door de vervaarlijk getatoeëerde, met kettingen behangen doms, allen met grote motorlaarzen, sommigen met snorren als schoorsteenvegers, eentje met een vervaarlijke piercing in zijn immense eikel, tijdens een groepsuitje in de prille natuur, werkt vervreemdend hier in de Martinikerk.
Om me heen zie ik lieve vrolijke onschuldige mensen, grijze mannen en veelal op mijn tantes, oud-collega’s en buurvrouwen lijkende vrouwen. Ik vraag me af wie de film Pillion ook heeft gezien en nu, al lekker uithalend, de stembanden en middenrif beurtelings spannend en vierend, mijn gedachten over een film met homoseksuele SM-mannen deelt. De gedachten lezen van koorgenoten is en blijft een taaie klus.
In de pauze vergapen we ons aan de imposante perfect geschilderde levensgrote bijbelse taferelen van Egbert Modderman langs Martini’s gangpaden. De argeloze kijker fantaseert over wat we nu in Israël dagelijks voorbij zien komen: onderdrukte, geketende, vermoorde Palestijnen in mensonterende toestanden. De kunst en het nummer ‘Peace like a river’ katapulteren me naar het Midden-Oosten waar, ondanks het overal maar niet in Israël geldende oorlogsrecht, de gruwelijkste oorlogsmisdaden plaatsvinden jegens Palestijnen.