Afdraaien

Met haar neus tegen het cabineraam van de verhuisauto zat ze. Vastgeplakt leek het. Haar vader en moeder tussen haar en de chauffeur in. Op elkaar gedrukt als flikken in een Drosteblik. Nadat ze even gewacht hadden voor een Gado-bus, draaiden ze de oprit van hun nieuwe huis op. Aukina had meer belangstelling voor het kanaal. Het ‘daip’ zoals ze hier zeiden. ‘Daor is ’t daip, pas maor op want d’r zit een boesjeude in, die je in ’t wotter trekt.’ Woorden van de nieuwe buurman. Hij bedoelde het niet verkeerd. Een boesjeude was een boeman, leerde ze later.
In het kanaal lagen oude roeibootjes, een nette sloep en een enkele vlet. Voorbij de bocht naar Heiko die het met Aaltje hield, lag een platbodem, de Heiltje 23. De midscheepse mast geknakt als een topzware gele lis, de giek bungelend in het kanaal. Voor elk huis een steiger. Gele plompen hadden het moeilijk in het donkere water. Gek genoeg pijlpunten en krabbescheer niet. Aukina, Geesje, Abeltje en Alie waren hartsvriendinnen. Op woensdagmorgen renden ze het schoolplein af naar het kanaal. Vaak wonnen ze de race van de jongens. Hiepko, Mans, Homme, grote Geert en Gezienus waren net iets later, zij moesten de meester helpen met opruimen. Aan het eind van de woensdagmorgen hadden de jongens spreekwoorden terwijl de meisjes handwerkten. De vrije woensdagmiddag lonkte. ‘Waarom heet ik Aukina?’ had ze haar moeder gevraagd. ‘Aukina lijkt op Auke, een jongensnaam.’ ‘Je va komt uit Annerveenschekanaal en die vond de combinatie van een A en een K zo leuk,’antwoordde haar moeder geduldig.
Het mooiste van het kanaal waren de bruggetjes. Badde of draaigie heetten die hier. Smalle oversteken verbonden beide walkanten. Sommige met, sommige zonder leuning. De draaigies konden worden opengedraaid door te draaien aan een ingenieuze hendel die de brug open duwde. Iedereen wilde natuurlijk wel draaien.
De meiden renden naar het dichtstbijzijnde stadsdraaigie en begonnen de roestige hendel los te draaien. De eerste minuut gebeurde er niks. De spanning nam toe want ze hoorden het geklepper van de jongensklompen al. De jongens kwamen snel dichterbij. Net toen Abeltje het ijzer van Alie overnam, week de brede loopplank van de ijzeren drempel en werd het water breder. Belletjes en lichte schuimsporen ontstonden. Futen maakten dat ze wegkwamen. De waterscheiding te breed voor de jongens. Homme deed alsof hij ging springen. Klompen uit, een aanloop. Hiepko trok hem aan zijn arm. Woeste blikken vanonder de kleppen van de verschoten petten. ‘Aander maol kriegen wie joe…’ Opgetogen dansten de meiden op de smalle badde. Weer gewonnen.
Niet alleen hadden ze de jongens verslagen, ook Roelf Roetert, de brugafdraaier, waren ze te snel af. Roelf was brugafdraaier voor drie bruggen en als hij bij de verste was, ergens tegenover boer Wolters, kon hij nooit op tijd terug zijn om de meiden tegen te houden. Ook Roelf droeg klompen, klompen met leertjes in plaats van kapklompen. Maar hij was niet de snelste. Het leek alsof hij constant hinkelde. Waar hij wel goed in was, was verspugen. Als hij op de boerenbadde stond kon hij, bij windstil weer, het moest er natuurlijk wel eerlijk aan toe gaan, wel drieëneenhalve meter ver spugen. Hij bolde zijn wangen, maakte eerst losse maar allengs strakke kauw- en knaagbewegingen, zodat zijn speeksel een krachtig mengsel met de pruimtabak vormde. Als het dun en waterachtig was, nam hij de spuughouding aan. Zijn bovenlichaam kromde zich en dan kwam de ontlading, die gepaard ging met een fluitend geluid dat eindigde in een klots. De straal spuug maakte een fraaie boog en eindigde in het kalme water een beetje als een suikerklont in een mok chocolademelk. Cirkels rond daar waar de klodder het water raakte. Trots keek Roelf in het rond en incasseerde bewonderende blikken. Hij stond net zo trots als wanneer een passerende kapitein twee centen in zijn klompje stopte dat Roelf slingerend boven het scheepje hield. Dat Roelf later door een vrouw zou worden opgevolgd, ach, daarvan had niemand nog een idee.