Op zoek naar Ufkes’ nieuwste verhalenbundel ‘Doagen en dreumdoagen’ neem ik even genoegen met ‘Ongeliek’. In één ruk uitgelezen. Dichter, historicus, leraar, wadloopgids Ufkes schrijft in het Gronings, nou ja Westerkwartiers, een soort Gronings-light, verwant aan Drents en Fries. ‘In Drenthe denken ze dat dit Drents is,’ zegt polyglot Ufkes lachend in een interview. Na mijn CGTC¹-cursus Grunneger Toal is dit goed te doen. Ik ken de naam Ufkes van Roet (Drents letterkundig tiedschrift) en ook daar steekt hij met kop en schouders uit boven de Nedersaksiche rest.
‘Ongeliek’ telt ruim 20 verhalen, waarvan twee iets langere. Een groot deel verscheen eerder in tijdschriften. Alle sober geschreven. Verrassende wendingen. Mannen zijn vaak sullige typen, vrouwen initiatiefrijk. Humoristisch. Gevoelig. Natuurlijk komt een plattelandsthema voorbij met wrede dorpsjongens en een jongetje dat ‘geen boerenhanden’ heeft. Zijn vader, het zal de tijd van voor de dierenambulance zijn, verlost de roek uit zijn lijden. De zin ‘Ik zie niks mor heur t zaacht knappen’ is veelzeggend.
Nergens brute, expliciete seks, maar erotiek: ja. Ook daarmee staat Ufkes op eenzame hoogte. Hij slaagt erin een in Griekenland vakantie houdende man met zijn halfzus naar bed te laten gaan. En geen seconde dat je denkt: Huh? Een jong stel bedrijft de liefde op een badlaken in de tuin en wordt begluurd door de schoonvader. Ziekten, fysieke zowel als mentale tasten geheugens aan en bevorderen delirische dromen en vergezichten. Oude herinneringen aan lagereschoolvriendinnetje Hanneke van wie de grotere zus Hennie de twaalfjarige jongen aanrandt. Wat een feest als hij, volwassen, tijdens een congres de naam H. McPhearson-Steggerda ziet. Sja, de laatste zin kun je aanvullen: ‘En ien één lange tuut holdt ze mien mond beet en ik loat heur borst en heup niet lös.’
In het titelverhaal beschrijft de autohersteller een aanrijding met een hond in een mooie vooruitwijzing ‘…hest stevig kontakt zöcht, ik zie t wel.’ En inderdaad, ‘bij dit slag vraauw past gien verweer’. Het wordt een prachtig verhaal dat plaatsvindt in een dorp zonder geheimen en waarin de zussen Anna en Renske het de lesgever niet eenvoudig maken.
(Mocht het CGTC¹ (Centrum Groninger Taal en Cultuur) ooit zijn stoffige imago willen afschudden, zet Ufkes op de verplichte literatuurlijst!)


Heel bijzonder. Veelschrijver ’t Hart die begin deze eeuw meegaat in de dieetcultus. Dat doet hij goed. Natuurlijk overdrijft hij bij vlagen lekker. t Hart, 80, 185 m, 76 kg noemt zichzelf graatmager. Tegenwoordig heet dit gewoon een goedgroen BMI.
Een zeer interessante historische roman, beginnend in 1739. De beschreven problemen voeren ons naar nu. Kerkelijke ultra’s hebben moeite met het loslaten van Datheens langzame muzieknoten en komen in opstand. En passant ventileren ze als gele-hesjes avant la lettre andere maatschappelijke grieven. Vissers krijgen moeilijke tijden omdat de haringvangsten op en neer gaan.
Een mooi dorpsverhaal, met wat ’t Hartiaanse humor, om de bladzijde een kat naar de katholieken, ouderemannengeilheid en zelfs brute seks. In het dorp Monward maakt Molly een schilderij van De Bioloog. Hij poseert naakt als Lotte langskomt. Zij wil een fotoboek maken van 200 dorpsgenoten. Allerlei typische dorpsfiguren komen voorbij. Een aantrekkelijk predikantje, een kapster/kapper met Somalische roots, een gravin en haar man (bij wie de bioloog een scheltopoesik vangt), enz. Gravins echtgenoot krijgt wanen, hij meent dat zijn kinderen niet door hem maar door andere mannen zijn verwekt. Gravin stort haar hart uit bij De Bioloog.
Na 60 pagina’s lezen denk je: hoe presteert de auteur het om de gesjeesde filosofiestudent die bruggenschilder is geworden, Rob Hollander die gefascineerd is door G. B. J. Hiltermann en de moeder en zoon die Gods woord langs de deuren uitventen bij elkaar te brengen, totdat je je de titel weer realiseert: Ik kom hier nog op terug.
‘De eilanden van goed en kwaad’ is een heerlijk veelomvattend goed geschreven boek over… eilanden. De auteur, historicus en deeltijdeilander, is gefascineerd door eilanden en schrijft er (met een projectsubsidie, reisbeurs en ontwikkelbeurs), een bijzonder boek over met een uitgebreide bibliografie en een goed werkend register. Hij heeft -praise the lord – niet het doel alle eilanden te beschrijven. Van de door mij bezochte: Ameland, Borkum, Engeland, de Fokken, Funen, Île de la Cité, Japan, Kreta, Liberty Island, Rottumeroog, Rügen, Schiermonnikoog, Sicilië, Tenerife, Terschelling, Texel, Tinos en Vlieland staan maar enkele in het register. Dat betekent dat hij niet de gebaande paden betreedt, want zeg nou zelf, wat is Vlieland nou helemaal als je het ook over Okunoshima kan hebben of het verleidelijke Pukapuka? Niet voor niets is de ondertitel van het boek ‘een ontdekkingsreis’.
Een thriller, een soort vervolg van ‘De kroongetuige’. Op voorwaarde dat Leonie Kuyper voor de poezen zal zorgen erft zij alles van haar vriendin Roos de Berczy. Notaris Graafland praat haar bij en adviseert haar in de voetsporen van Roos te treden. Dat doet Leonie, ze gebruikt Roos’ make-up en haar kunstnagels. Leonie wordt door Freek gebeld die vertelt dat Roos en hij in een clubje zaten. Pleun Mastenbroek blijkt Roos op het strand gefilmd te hebben. De videobanden worden door Leonie en Pleun bekeken; ze zien een mysterieuze schaduw.
Hèhè, daar is hij dan, het Bachboek waarvan je voelde dat die er aan zat te komen. In bijna elk boek van ’t Hart valt de naam (herhaaldelijk) en al lezend wacht je op een overzichtsboek. ’t Hart slaagt erin een goed boek over de veel beschreven componist te schrijven, vaak vanuit een interessante invalshoek.
Een tweede Maarten ’t Hart in de Privé-Domeinreeks. Een bijzonder afwisselende, dagboekachtige persoonlijke kroniek over 1999.
De vlieger is niet ’t Harts beste zullen we maar zeggen. Te veel herhaalde, uitgesponnen, voorspelbare dialogen en een dunne plot. Er lopen enkele verhaallijnen door elkaar: