Na de eerste obstakels <het boekje is niet te koop in Emmens grootste boekenzaak, de omslag vertoont een röntgenfoto boven een niet schoongemaakte vloer in een operatiekamer en de inleiding is mager als mais aan akkerranden> openbaart een alleraardigst gelegenheidsboekje zich en leer je hoe een select gezelschap schrijvers in Drenthe 75 jaar vrijheid beleeft. Met veel plezier lees ik de teksten: gedichten, waarvan een minimaal aantal rijmende, enkele korte verhalen en zkv’s. De wat potsierlijke aanduiding op de omslag dat het om een meertalige uitgave gaat, houdt in dat er in het Nederlands (70 %) en in (enkele varianten van) het Drents (30 %) is geschreven. Waar zijn toch de wereldtalen Arabisch, Gronings, Frans en Fries gebleven?
Ik leg het boek even weg. Een week denk ik na over wat ik heb gelezen. Wat herinner ik me na 168 uren het best? Dat niet alle werk nieuw is. Een inleiding die tekortschiet en dit boek een steen noemt. De éminences grises Kool en Omvlee die beiden een thema aanraken dat me al enkele jaren interesseert: wegkijkers en collaborateurs. Het mooiste woord uit de collectie: ‘slungellid’ uit een zkv van Veen. Dat het viertal light-Verse-dichters er al zo lang in slaagt zo kunstig gedichten te wrochten, vier individuen die samen een eenheid smeden in verzen die retestrak rijmen maar toch overeind blijven staan in mijn geheugen, is een prestatie van formaat. Mij bevalt het dichte en franjeloze van Gramsma, het mooie Drents van Boerema en meer. De schrijvers zijn op excursie geweest naar landschappelijke ingrepen in de buurt van Peest. Ik wist van landingsbanen in de buurt van Havelte, maar dit is nieuw voor me. Een hakenkruis in een vijver? Foutloos schrijven blijft nog een dingetje. Gestuntel met leestekens, verbaast waar verbaasd werd bedoeld; hen en niet hun, nazie i.p.v. nazi, enz.
De inleider heeft moeite met het onderscheid tussen een ; en een :. Hij schrijft niets over de mysterieuze locaties nabij Peest. Verderop lees ik dat de onwetende auteurs eerst even op excursie moesten, maar dan wil de lezer weten waarnaartoe en waarom? En waarom 26 en niet 126 auteurs? Waarom geen informatie over de financiering van dit boek? Waarom werd er bezuinigd op tekstcorrectie? Het boek kent nogal wat haren in de soep, dunne donshaartjes maar ook dikke schaamharen. Zelfs vlekkerige inkt. Fouten in teksten van een fysiotherapeut, makelaar of sekswerker, mwaah. Maar missers en inconsistenties bij taalliefhebbers en profi’s, je zou meer mogen verwachten. Niet wegkijken maar even de verantwoordelijkheid nemen en elkaar aanspreken.
Kom, ik pak de bloemlezing er weer bij. Boerema intrigeert met het openingsvers: ik noteer vraagtekens <als poëzie mij dwingt vragen te stellen dan omarm ik die> en plussen in de kantlijn. Wat goed geschreven, bijvoorbeeld ‘atlas van het onbegrepen woord’ en ‘hij deserteert van pien en mij’. Er schijnt iets interessants te zijn tussen Norg en Vries, iets met een Hitlerring en een hakenkruis. Dan Brans met ook zeer rake vondsten: de beginzin en de laatste twee van Spaarbankbosch. Brans’ opa inspireerde haar tot het schrijven van mooie zinnen, originele taal en, tja, een cliché aan het eind van Vurt van de Grebbebarg. Bremer, bedankt, onthult wat er bij Peest in het landschap gebeurde. Ze wil me doen geloven dat arbeiders een hakenkruisvormige vijver met fantasie groeven. Gramsma schrijft een prachtig gedicht Fantoompijn dat vanwege het buiten- en binnenverhaal en de brieven complex is omdat de waarheid wordt bezworen en een anti-waarheidsserum wordt gebrouwen…. Van der Koois Vrijheid op straat levert de boektitel en stof tot nadenken. De helden van de kapschuur van Kool is een verhalend gedicht dat in elke schoolbloemlezing thuishoort, over hoe wegkijkende vaders wegkijkende kinderen krijgen. Koops raakt in Alles giet veurbij aan de klassieke vraag wat eeuwig is en wat niet. Niets dus. Landkroon verduidelijkt (eindelijk, hèhè) wat het reisdoel was van het teleurstellende schoolreisje waarbij een historische sensatie uitbleef, voorafgaand aan het jaarlijkse diner. Nijenhuis legt in Bennie Valk uit waarom hij grote woorden wantrouwt en waarom waakzaamheid blijvend is. Leenstra weet knap maar liefst vijf levensfasen in een gedicht toe te lichten en neemt wraak op de bezetters door wel Papa en Jood maar duitsers en kotälla geen kapitaal te gunnen. En dan een kwartet door Omvlee, Hoogland, Peters en Boudestein gebeeldhouwde sonnetten over vader, Fries, toneelspeler, onderwijzer, dienstweigeraar, redacteur, Trotskist, linkse oproerkraaier Auke Kootstra: een monument! Omvlee gaat even door met een raak daderprofiel van B. Veen verrast met een prachtig zkv (of ukv?) Kuil en betoont zich een mooiewoordenliefhebber met aanminnig en de allermooiste vondst in deze bloemlezing slungellid. De irritante contaminatie meeheulen strepen we hier dan maar tegen weg. En dan Veenstra, met Barak kampioen op drie vlakken: mooiste openingszin, langste bijdrage en nogal wat taalfouten. Alle auteurs zijn in alfabetische volgorde opgenomen in dit boek, behalve Aagje Blink: weer niet erg natuurlijk, maar onelegant.
(Kijk verder dan vandaag en weet … Schrijvers uit Drenthe over 75 jaar vrijheid verscheen bij uitgeverij Koninklijke Van Gorcum; € 12,95)
(1) Dit artikel verscheen in het herfstnummer 2020 van (Drents letterkundig tiedschrift) Roet


Het bibliotheekzaaltje is met zestig stoelen vol. Vrijwilligers, biebmedewerkers, leesgroepleden en twee pubers. 85 % vrouw. Geroutineerd vertelt bestsellerauteur Akyol, BMI van 25, sjoemel-Audi, polootje, lichte jeans, blote voeten in sneakers en charmant plukkend aan een onzichtbare broeksriem onder een afwezig buikje, zijn verhaal over zijn Turkse achtergrond, zijn jeugd in Deventer. Veel vooroordelen over cultuurarme Turkse immigranten worden bevestigd: ouders die niet of nauwelijks Nederlands (willen) leren spreken, jongeren die met geritselde Armanishirts een straatuniform creëren, een wijk die Ankara aan de IJssel heet, Turkse werknemers die zo snel mogelijk een uitkering binnenharken en jeugd die knoeit met studiefinanciering. En natuurlijk een Nederlandse omgeving die zich niet bekommert om integratie, gepersonaliseerd in het cliché van een lagereschooljuf die een slimme gast een te laag schooladvies geeft. De schaamteloze openhartigheid over de zich misdragende en naar de criminaliteit afglijdende jongere is weldadig. Het is een EO-verhaal in optima forma. Akyol, de kansarme crimineel wordt de bekeerde predikant die op tijd het licht kreeg aangereikt door een (detail: Surinaamse) cipier die zijn brave inborst, studiezin en leesgierigheid ziet en hem Rozemarijntje, stripboeken, Baantjer, ’t Hart, Goethe en Céline geeft. Eus, de autobiografie, past over Özcans leven als een niets verhullend cellofaantje over een doos frikandellen. Akyol, opgegroeid in een vrijzinnig Alevitisch nest, zeg maar de ietsisten in de Islam, journalistiek gestudeerd aan het christelijke Windesheim in Zwolle en gesjeesd aan de gereformeerde VU in Amsterdam, is op zijn sterkst wanneer hij voorbij de sappige details treedt van een bierdrinkende vader en een moeder die niet weet wat scheiden is en verhaalt van de magische sensatie die het lezen en nu dus schrijven hem geeft en de invloed van literatuur, van taal, van veel lezen op zijn persoonlijke ontwikkeling tot een volledig mens. Akyol, bedankt!



Het zit er allemaal in: analfabete ouders, een zoon die voor zijn moeder tolkt bij de dokter en vrijdagse haatpreken. Een overval op een AH-filiaal <met een bijl>, straatschoffies die met vijfhonderdeurobiljetten ijsjes kopen bij de Italiaan, naïeve politie en effectieve arrestatieteams. Rukken met links, onzekerheid over de techniek van vingeren en niet kunnen bidden met een stijve pik. Examenfraude, een overval op een geldtransport met een uzi en een granaatwerper, smerige sanitaire omstandigheden in de moskee van de lulkoekimam (sic!) en een in merkkleding helende Algerijnse kapper. Fietsters die met “Karren, kut,” worden begroet, zenuwachtig getrek aan achterstevoren gedragen rode Lacoste-petjes, ‘het zijn toch allemaal N.S.B.-ers’ als het over leraren gaat en Marokkaanse opa’s die aan polygamie, schotels en loeiharde Koranzenders doen. Op de achterflap staat dat ‘De belofte van Pisa’ is gebaseerd op de auteurs eigen leven. Marokkaanse moeders zijn kort, allemachtig dik en gehoofddoekt. Zusjes werken bij de A H hebben donkerbruine ogen en zijn ondeugend en meisjeskamers ruiken naar lavendel. Kortom: De Belofte van Pisa is een aaneenschakeling van stereotypen, clichés en plattitudes; als je ze allemaal aan elkaar rijgt door de eikels van de besneden hoofdstedelijke straatschoffies, dan heb je een groezelig doch lang lint, Van De Pijp naar de Arena en weer terug. Het boek heet een schelmenroman en doet erg denken aan Eus van Akyol.