De kop wat dikker, het haar dunner, een schiere Audi, begin veertig en ‘zul de laifde nog kommen?’

Troubadour Jan Henk de Groot in Bistro Tante Sweel 14 januari 2018; entree € 15,-

Drenthe, 2018. Het is een grijze, koude, winterse dag tussen carbidschieten, midwinterhoornblazen en paasvuren in. Het enige lichtpunt in de verre omtrek is Jan Henk de Groot, ‘keunenk van Westerdaipsterdale’, die ons van 15.00 – 17.40 uur met zijn programma ‘Tachtig Tammo’, meeneemt naar het Groningen van zijn jeugd. ‘Tachtig Tammo’ is een spreuk die in de jaren 90 op verkeersborden langs de Kielsterachterweg, westelijk van Veendam, te lezen was en diende om automobilisten tot minder spoed te manen. Het onthaasten-thema komt enkele keren terug, evenals heimwee naar vroeger, jeugdliefdes en een lading jeugdherinneringen. Speelpunt is Tante Sweel, een minitheater in Zweeloo. Het publiek zit verspreid door de zaal achter donkere tafels, op barkrukken aan de bar; de theekopjes in de vensterbank, plastic baksteenbehang aan de muren. De tochtdeuren blijven lekker piepend zwiepen, en heel soms hoor je een telefoon (‘Sssttt, ja schat, ik kom zo, zet de aardappels maar alvast op.’) De entourage lijkt gemaakt voor Jan Henk.

Streektaalprijswinnaar De Groot, ooit persoonlijk begeleider in de gehandicaptenzorg, Zuidhorner, vader van drie, BG‘er (bekende Groninger), leraar ‘songwriting’ aan het MBO, burn-out-ervaringsdeskundige, is met recht een bard of troubadour te noemen. Deze jas past hem beter dan het moderne singer-songwriter. Door het land reizend in een Espace vol gitaren en geluidstechniek zit hij de ene avond in Houten (Utr.), de andere middag voor een uitverkochte zaal in Zweeloo. Een stuk of vijftig liefhebbers van het Gronings, of van de streektaal in het algemeen, luisteren een kleine drie uren (!), even onderbroken door een plas- bier- of theepauze, naar de mooie liedjes van Jan Henk de Groot.
De Groot ontpopt zich voor mij en mijn naast me zittende stad-Groningse poedie (wij horen hem voor het eerst, ja echt) als een 42-jarige romanticus die dweept met het platteland en de jeugd, de muziek van vroeger op vinyl en vuurtjes stoken. Hij schuwt emoties en gevoeligheden niet. Sentimenten liggen op de loer. Er komen teksten voorbij over de hond Bobo, over de jeugd die meer met ‘rapjederij’ en minicraft heeft dan met buiten spelen en in bomen klimmen. Over buurtschappen, touren in Noord-Groningen, de Kielsterachterweg, de twee huizen, over het bultje, in Westerdaiperdale en over de Sound of Music-achtige sfeer in zijn gezin tijdens een barbecue. Bij De Groot geen woord over FC Groningen, krimp, fabriekssluitingen, aardbevingen, de Nam, de politiek, of ‘het westen’. Zijdelings komt de pyromanie in ‘t Zandt voorbij. De inwoners zouden na de drukte wel aan wat vertier toe zijn, maar ze vonden The Voice of Holland natuurlijk weer belangrijker. Hij doet me aan Lohues denken. Soms, bijvoorbeeld bij het lied ‘Janneke’ aan de tekst ‘Frekie’ van Willem Wilmink.

De Groot, ooit gestimuleerd door opa, met wie hij nog een gitaar maakte, maar die ook verrekte irritant kon wezen, speelt prachtig gitaar, soms begeleidt hij zichzelf op de mondharmonica. Zijn stem heeft een groot bereik, zowel in de hoogte als in de breedte, de verte en de diepte. Heel soms vrees je dat hij bij een fenomenale uithaal ‘achter de poest’ zal raken, maar dat gebeurt mooi niet. Fraai is een vocale vioolsolo en later hoor ik een gezongen zingende zaag. Het geluid scoort deze middag een tien.
In leuke begeleidende en verbindende teksten licht De Groot zijn liedjes toe. Mooie, uitwaaierende verhalen met prachtige Groningse woordvondsten als ‘scharreltjederij’, ‘verkeringderij’, ‘soundcheckderij’ en meer. De mooiste nummers zijn ‘O, o, o, Janine’ over een onzekere, onstuitbaar verliefde beugelpuber die extatisch en tegelijk liefdevol Janine (Albring) bezingt en ‘Dubbelcassettedeck’ over lang vervlogen tijden en de onuitwisbare herinneringen aan de oneindige mogelijkheden van het dubbelcassettedeck, een jongensding dat net zo gelukkig maakte als een multifunctioneel Zwitsers zakmes.
Als toegiften krijgen we ‘de moeder van Michel’ en Spiekerboor, over een negenjarige die onder de indruk is van de topless zonnende moeder van een vriendje onder de strakblauwe lucht in de strakblauwe sloggi en over het begin van des zangers muzikale talenten. Na het dankwoord van de Sweel-Cultureel-voorzitter krijgt De Groot nog heel royaal drie flesjes plaatselijk gebrouwen bier aangeboden.