Een hedendaagse parabel  

Mooi hoor, zo’n onwillige dood die nog wat hapert, hort en hakkelt als een sopraan na een nachtje doorsnuiven met een bronstige amant, dacht ik na jouw verhaal over je oom die opleefde na zijn ontslag uit het streekziekenhuis aan de rand van het industrieterrein van een provinciestadje. Je gunt iedereen een oud familielid dat met zijn ziekte bij de dokter komt, wie weet een op het tandvlees lopende aio, zo’n overwerkte met afgetrapte schoenen, vochtkringen onder de oksels als pisresten in een vakantieonderbroek, een tweedehands stethoscoop, nog fris liefdesverdriet en koffieadem, die haar/zijn baas in het weekend verving, en dat oom of tante dan de overvolle familiezak medicijnen laat staan en daarmee een ernstige medicatietoxicatie voorkomt en een soort wederopstanding bewerkstelligt.

De parabel van de allemerkengaragist aan de rand van het industrieterrein van een provinciestadje

“Het ouwe barrel, een Italiaanse brik uit de vorige eeuw, een echte Legno Arido, heeft zijn langste tijd gehad. Van dit soort zijn maar weinig nog rijdende exemplaren bekend. Je herkent ze aan de fijne belijning van de bollende motorkap, het wat ouderwetse motorgeluid en een speciale, heel sonoor klinkende toeter. De snelheid is er uit, hazewindhond werd slak; de uitlaat, ventielen en kleppen lijken verstopt, en de lak is flets en dof. Het koetswerk is licht gebutst.

In een allemerkengarage aan de rand van het industriegebied in het provinciestadje zegt de garagist, een haastige snorremans met een vochtige peuk in de mondhoek, na een vluchtige inspectie waarbij hij onophoudelijk op zijn nepgouden klokje kijkt: ach mevrouwtje, rijd hem maar naar huis en geniet nog even van de klassieke lijnen, de authentieke stoffige bekleding en zijn laatste geprutttel. Gebruik hem alleen nog voor wat kleine boodschapjes in de buurt; hij kan elk moment de geest geven. Dan kan-ie daarna zo naar de sloop voor demontage. Misschien, zit er een hergebruiksverklaring voor nog bruikbare onderdelen bij, kijk even goed in het handschoenenvakje op het dashboard. O ja, en teken hier even voor de nota, die geef ik straks gelijk mee.

Eenmaal thuis op de oprit, wat uit de zon en beschut tegen de herfstregens wordt het beestje vertroeteld. Een dekentje over de cabrio-soft-top, een stevige keg achter de wielen tegen wegglijden en de ronde motorkap met die nog glimmende grille wordt met liefde en olijfolie opgewreven. De bandenspanning wordt wat verlaagd en aan de brandstof wordt geen kerosine of bio-ethanol meer toegevoegd. Want waarom zou je immers het oudje op toeren jagen en de kleppen en distributieriem tot het maximum tergen.

En zie: de koppige zescilinder hoest en kraakt maar begint, aanvankelijk nog hortend en stotend als een verkouden Przewalskipaardje, weer te lopen; stationair op zijn best weliswaar, maar hij doet het! Het lijkt verdomd alsof hij er weer zin in begint te krijgen. Hij gebruikt wat extra olie, zeker, maar lekken doet hij amper. Van heinde en verre stromen kenners en bekenden toe en kijken blij en bewonderend toe.”