Haperende dood

Je vrouw krijgt een appje van haar tante dat haar oom uitbehandeld is. Het ziekenhuis geeft hem de keus: lekker thuis sterven of lijden in het ziekenhuis. In beide gevallen zou morfine bijstand kunnen geven en zorgen voor een rustig, pijnvrij wegglijden als op sokken roetsjen op een gietvloer. Er zit zoveel vocht achter de longen dat operatief ingrijpen fataal zal zijn. Of je vrouws oom en tante ook gelijk jouw oom en tante zijn is je niet helemaal duidelijk. Officieel wel maar gevoelsmatig niet. ‘We zetten een bed in de kamer en dan kan het bezoek om hem heen zitten,’ besluit tante besluitvaardig. Wij overleggen. Als we hem nog willen spreken kunnen we maar beter snel zijn. ‘Is er op de maandag nog een gaatje?’ vraagt je vrouw.

Na vier dode familieleden sinds afgelopen maart zeg, denk en schrijf je geregeld dat de dood bij het leven hoort als fiscale zwendel bij VVD-kopstukken of zwartgeld bij strafrechtadvocaten.

Wat scheelt: deze oom heeft humor. Ik heb wel schrijfsels met hem uitgewisseld waar de ironie vanaf droop als plakkend zweet van buikplooien in zomers. Het werd oprecht gezellig. De gespreksonderwerpen stuiterden door de kamer als knikkers op marmer. We praatten over vroeger, over de snelle, zwarte Mercedes Benz SLK Kompressor cabrio uit 1998 met 305.000 echte kilometers op de teller die zo lekker in natte bochten kon driften, van de ook aanwezige neef. We gingen verder over je vrouws opa/ooms vader die dichter in Groningen was en op wiens begrafenis jij oom voor het eerst ontmoette, over het verlies van smaak en zin in wijn in de terminale fase, over hoe moe je werd van al dat vocht achter de longen, over de springerige jonge rode kat met de mooist denkbare jongensnaam, over ziektegeschiedenissen en hospitaalervaringen met rafelige randjes als een afgedragen trui gebreid met de gerstekorrelsteek, over muziek van Mozart en Brahms en speciaal Brahms Liebeslieder waar je twee of drie van kende, waaronder het schitterende, bliksemsnelle Am Gesteine rauscht die Flut en over sûkerbôle.

En over een door sommige mensen tegen beter weten in in stand gehouden zelf verzonnen, opgeblazen idee van een leven na de dood en de onmogelijkheden betreffende dit idee fixe. En over hoe oom, al proevend en smakend zich een pad door drie religies had geworsteld, als een jongleur door brandende hoepels, zonder restschade en hoe het in godsnaam mogelijk was over te stappen van de Doopsgezinden naar de Jehovah’s naar het Boeddhisme, als een vakantieganger die  de stadia doorliep van vakanties naar Tilburg-Noord, Singapore of de bossen van Appelscha.

Oom had geen spijt van zijn zoektocht. Hij was geëindigd als agnost. Je vergelijking met het Ietsiepietsisme viel in het niets vanwege een aangereikte schaal met dunne plakken cake, waar je twee van mocht nemen onder de woest opgetrokken wenkbrauwen van je vrouw. Agnost of niet, oom kon niet laten om tegen je vrouw te zeggen dat hij straks zijn zus/haar moeder zou groeten, daarbij veelbetekenend naar boven wijzend.

Twee weken later: de dood gedraagt zich als een hoofdstedelijke installateur of  de belastingdienst in de toeslagenaffaire: onwillig en te laat, hij verrekt het om te komen. Klaarblijkelijk slinkt het vocht in ooms lijf als de grondwaterstand op de Hondsrug in de zomer. Oom stuurt een mail dat we welkom zijn bij de volgende poging dood te gaan.