Maarten ’t Hart 12  ‘Een vlucht regenwulpen’ (1978)

Zestien drukken in tien maanden; eind ’70 breekt veelschrijver ’t Hart (ik bereken dat hij één pagina daags schrijft) door met ‘Een vlucht regenwulpen’, misschien zijn bekendste, later ook verfilmde, boek. Er worden 1 miljoen van verkocht. Je leest over volwassen- en kindertijd van de hoofdpersoon. Een 30-jarige bioloog maakt voordat hij naar Bern afreist een afspraak met het zusje van Martha, de vrouw op wie hij verliefd is. In zijn solistische jeugd speelt hij, druivenkwekerszoon, vanwege een gebrek aan vriendjes, met zijn moeder. De ik-persoon wordt beheerst door dwanggedachten, bijvoorbeeld dat zijn moeders kanker te wijten is aan zijn ongelovig zijn, dat hij niet over schaduwen mag stappen, pleinangst, enz. De liefde voor Martha beheerst zijn leven, en route naar Bern in de auto praat hij tegen de afwezige zus van Martha.

Liefde, dood, god, natuur, seksualiteit, zijn werk als hoogleraar, komen voorbij. Veel hoofdstukken zijn goed als los verhaal te lezen. De eerste schooldag, de dorpsdokter die zijn amandelen knipt meteen gloeiende tang, de seizoenen en de lagereschoolperiode worden prachtig beschreven. Hoge cijfers en een gebrek aan sociaal gedrag maken dat hij geen vrienden maakt. Pesters, de militaristische meester Cordia noemt hem generaal, neemt hij te grazen. Na schooltijd krijgt hij bijles in middelbareschoolvakken. Andere leerlingen gedragen zich als halve zolen.

Als zijn moeder, kort na de dood van zijn vader, stervende is worden ze door weinig empatische ouderlingen bezocht, die zich enkel aan de bijbel kunnen en willen vastklampen. Maarten maakt zich zo kwaad dat hij ze afranselt, één gooit hij in het water. Zijn moeder sterft als er een vlucht tegenwulpen over komt, dat troost hem. Maarten gaat naar de middelbareschoolschoolreünie en ontmoet Martha, zijn grote jeugdliefde. Hij beschrijft de eerste jaren van de middelbare school en zijn diepe liefde voor Martha, een vrouw die hij steeds in andere vrouwen meent terug te zien. Hij trotseert zijn vaders woede als hij om Martha te kunnen zien, ’s zondags een andere kerk wil bezoeken.

Op reis naar Zwitserland discussieert hij onderweg met een hersenschim, de afwezige vriend Jacob, die zijn verliefdheid een neurotische 12-jaar durende aandoening noemt. In Zwitserland ziet hij voor het eerst bergen. Hij blijft maar verliefd worden op vrouwen die hem aan Martha doen denken; deze keer is het Adriënne. Tijdens een bergtocht met Adriënne en Ernst verongelukt Maarten bijna.