Beste Anneke de Vries, Ploegconservator,

Kleima, zittend naakt met cellist
Mijn welgemeende complimenten voor de uitgebreide tentoonstelling ‘Nieuw Licht – De Ploeg’. Wow, niet eerder zag ik in het GM zo’n bijzondere, fraai ingerichte Ploegtentoonstelling, met naast de mij bekende stukken van usual suspects Altink, Werkman, Wiegers, Dijkstra, Pott, Martens en meer, voor mij onbekend werk: een kleurenolieverf van Werkman, een was/olieverf van Altink, een naakt van Kleima, poppenkastpoppen van Wiegers, prachtige opgeblazen zwart/witte historische foto’s. Hut ab, chapeau, pet af met een diepe buiging.
Maar gaandeweg, de zeven zaaltjes doorwandelend, denk ik ook: ik mis iets. Wat jammer dat het Groninger Museum voor 100 % voorbij gaat aan de contemporaine geschiedenis van de Ploeg. Bij het verlaten van het museum denk ik: de Ploeg van nu wordt weer of nog steeds niet gezien, genegeerd, ontkend, als een boek over Ajax minus de laatste vijftig jaar. Alsof de Ploeg opgehouden is te bestaan.

Altink, Schip met rood zeil
Toch denk ik dat u, Anneke, beter weet, dat u als deskundige op de hoogte zou moeten zijn van het (voort)bestaan van de kunstenaarsvereniging De Ploeg.
Mijn vraag aan u is: waarom besteedt u geen aandacht aan de laatste vijftig jaar van de Ploeg? Van de zeven grote ruimtes die u nu hebt ingericht had toch zeker de helft gewijd moeten zijn aan de Ploeg van nu? Ik beschouw musea (ook) als educatieve instituten waarvan je zou kunnen, nee moeten verwachten dat ze een compleet beeld bieden van de onderwerpen die ze aansnijden. Waarom in vredesnaam gaat het GM voorbij aan de regionale beeldendekunstimpulsen van de overbekende en diep in de Groningse klei gewortelde kunstenaarsvereniging? Ik stel deze vraag met nadruk daar de laatste tijd
kritische artikelen in de regionale pers (D.v.h.N. van 6 december 2025) verschijnen over het beleid van het GM. De doorgaans ingetogen maar altijd goed ingevoerde auteurs Van Ruiten en Brouwer melden dat het GM de weg kwijt en te elitair zou zijn en te weinig aandacht zou richten op de regio. In chocoladen
kapitalen wordt op 10 december gesuggereerd dat de RvT zou (hebben) zitten slapen. En ach, we weten allemaal dat benoemingen van leden van de RvT vaak verkapte politieke vriendendiensten zijn die met kennis van beeldende kunst vaak weinig te maken hebben. De nieuwe, inmiddels alweer met vijftig procent ingekorte museumdirectie, heeft na Blühms exit bij uitstek de kans om de luiken open te gooien, een frisse wind te laten waaien en een nieuwe richting in te slaan. Maar ze laat dat na. Dedain voor de eigen regio lijkt een noordelijk stramien: geen Toyistencentrum in Emmen. Geen Helmantelzaal in het Groninger Museum. Geen aandacht voor de huidige Ploeg in het GM.
Als Ploegwatcher, ik interviewde alle Ploegleden voor het boek ‘De Ploeg 100’ (2018) en oud-leraar weet ik dat het ertoe doet dat je als museum kunstenaars, of als leraar je leerlingen ziet, kent en herkent. Subjectieve oordelen doen er niet altijd toe. Staat een bepaalde ontwikkeling je even niet aan, dan meld je dat. Maar negeren is zeer onverstandig. Een regionaal museum dat zijn functie en doel serieus opvat zou, als een historicus die ook in zijn ogen minder interessante, onderbelichte historische perioden beschrijft, aan de hele geschiedenis van de complete kunstenaarsvereniging aandacht moeten besteden, van de oprichting tot nu.
Beste Anneke de Vries, de ronkende GM-folder spreekt van een fris en verdiepend perspectief. Verderop lees ik ‘The shock of the new’. Woorden, woorden, denk ik, maar welke betekenis kunnen we toekennen aan deze woorden?