Reitemakersrijge 18

De Reitemakersrijge wordt opnieuw bestraat. Een lekker gevoel, een beetje alsof het doorgezakte matras wordt vervangen. De vale oude gele klinkers worden quasi liefdevol met ongevoelige blikkerende metalen tanden van een 100% elektrische gele KnikMops 180 van Avitec Infra & Milieu opgelicht, met een brute touch, maar met beleid geschud als een goudzoeker die zandkorrels zeeft, en in een Gjaltema container gedumpt met het geluid van tien drummers die les krijgen in een betonnen ruimte met slechte akoestiek. Met een gelijkmatige piep rijdt de KnikMops achteruit en herhaalt het kunstje. Er zit ritme in. Een trage maat. Opgenomen en versneld afgespeeld zou het de beat van Afro-Cuban jazz kunnen zijn met Coltrane invloeden uit de tijd dat Coltrane nog aan de oostkust musiceerde.

Een ploeg mannen werkt gestaag door. Glundere koppen. Vriendelijke praats. Waar zijn de vrouwen nu, hè? Hè? De baan wordt uitgevlakt, een enkele draad gespannen en dan volgt het vlijen van nieuwe gele steentjes. Als een Drentse ollebollekeschrijver die woorden en zinnen weegt, meet en past, worden de nieuwe paden gemaakt. Verderop worden de groffe straatklinkers opnieuw gelegd, niet vlak maar met een lichte bolling, bijna perfect als de buik van een vijfenzestigjarige racefietser die een beginnend buikje aanspant, en profil voor de spiegel in de badkamer staand net voor de binnenkomst van vrouw I: pure kunst.

Trottoirbanden worden door twee mannen met een ingenieuze grijptang opgetild, schoon geborsteld en na een paar uurtjes rust weer langs een lijn gelegd. Strak als de kolommen van witwasfraude opsporende ABN-accountmanagers. Een paar roeken, wat gebeurt hier in vredesnaam denkend, klapwieken voorbij. Duiven knikken met hun wiebelige nekjes. Onrustig. Vrouwen met te felgeel gekleurde regenjassen en zogenaamd voor alle jaargetijden geschikte rode Annymolilaarsjes blijven, de spiermassa’s bewonderend en stiekem fotograferend, onhoorbaar kreetjes slakend, staan.

Een klinkersnijder komt overeind. Zijn bijnaam: de man met rubberen meniscussen. Meer dan een uur zit hij onafgebroken naast een machientje dat met een druk op de knop klinkers splijt of op de millimeter nauwkeurig inkort. Geroutineerd klopt hij zand van zijn met rubberen kappen bedekte knieën, schudt de spieren los, draait een peuk en negeert lokkend geroep van aangrenzende studentes kunstmatige intelligentie op zoek naar een weekendklusje en dwingende whatsappjes van zijn nieuwste vriendin. Wacht, daar is de trilplaatjongen, wie kan fijner trillen dan hij? Heerlijk kabaal stuitert van de Minervamuren langs het glaswerk van de Blockhouseparkeerterrein-uitgang naar onze gevel.