Reitemakersrijge; twee

Hoe Minerva, vroeger het Groninger Museum, ooit een vergunning kreeg voor een cortenstalen hekwerk aan de achterzijde, vraagt iedereen zich af die met de gemeente in conflict is vanwege een niet verleende bouwvergunning. Het is een schitterende constructie. Perforaties in de stalen wand tonen silhouetten van bomen die reflecterend terugkomen in de zwarte bovenkant van het gebouw.

Een bouwvakker parkeert zijn plofkraakauto, een hitsige zwarte Audi met kekke velgen en geile chromen dubbele uitlaat voor ons huis. Het is tegen zevenen. Hij bestudeert zijn kin in de achteruitkijkspiegel als een gesluierde vrouw stekelige neusharen in een blikkerende Samsung. Hij woelt met zijn rechterhand in zijn kruis, onder het rafelende Bjorn Borg elastiek door in zijn onderbroek en legt zijn plakkerige, geschoren ballen goed. Dan ruikt hij aan zijn vingers als een reu aan een poedelkont. Mannendingetje. Maar dan. Hij neemt uitgebreid de tijd om een joint te rollen. Steigerbouwers die blowen, dat lijkt me een slecht combinatie. Kon ik mijn geweten maar even uitschakelen. Als vanmiddag een Poolse kameraad die door des blowers nalatigheid acht verdiepingen naar beneden flikkert en in delen in een ambulance wordt geschoven, dan voel ik me medeschuldig.

Groningen moet nog wat aan me wennen, zoals mijn eerste school toen ik kwam uitleggen hoe alles beter kon. Bijvoorbeeld dat je denkt dat door alle huisafval op een hoop te gooien, jongeren kennis krijgen van het belang van afvalscheiding. Op straat zie je dat terug. Plastic flesjes, glas, peuken, papier, appelschillen, alu blikjes, hondendrollen, alles door elkaar. Zelfs crystal meth-producenten zetten hun blauwe vaten afval vaak keurig in gelid aan het eind van een staatsbospad en mengen het zelden met hun huishoudelijk afval.

Als ik een facebookende politieagente te paard iets vragend toeroep straalt ze. Enthousiast roept ze: ‘Wat zegt u?’ Weer een toerist die wil weten waar het Forum staat, denkt ze blij. Waarom zij geen hoefschoenen gebruikt maar wel middeleeuwse hoefijzers, vervolg ik. Iemand te paard iets uitleggen is niet eenvoudig. Dat er weinig hulpmiddelen zijn die in acht eeuwen niet zijn doorontwikkeld, doet haar fronsen. ‘Wist ik niet,’ antwoordt ze uiterlijk vriendelijk, ‘tja, nu u het zegt,’ maar mij ondertussen vervloekend waarom ik niets over het Forum wil weten. Stadsmensen zouden zich meer dingen moeten afvragen.