Sjoerdsje Beintema

2003. Bredevoort was een rustplaats op onze tocht van Eijsden naar Sleen. Toen Maarten en ik door het centrum fietsten, herkende ik een auto uit mijn jeugd, een VW kever. Ik zag onmiddellijk dat het een 1100 was met ovale achterruit, daardoor ook wel ‘ovaaltje’ genoemd. Een gerestaureerd exemplaar, geen roest aan de voor mij zichtbare treeplank. Ook zag ik dat er iets met de chauffeur aan de hand was. De witte Volkswagen stond slordig geparkeerd op de stoep. Alsof kermismannen, die verderop bezig waren, hem hadden geduwd en hem daar hadden laten staan. Uit mijn ooghoeken zag ik dat de bestuurder morsdood was. Althans ik hoopte vurig dat hij dood was. Een lange, dikke, sliert glinsterend snot hing naar beneden als een gerafeld stuk elastiek. Ondanks dat hij dood was, zat de man rechtop. Dit type VW stond bekend om de goede bestuurderszit, herinnerde ik me. Bij mij thuis, vroeger, reed mem in de kever. Hij schakelde gemakkelijk en je zat altijd goed. Heit voelde meer voor de wat wegglijdende zit op de rode bank in de Zephyr.

Het voorhoofd van de dode man rustte op de bovenste rand van het stuur. Een grote, natte, vlek in zijn kruis. Ik besefte dat als ik maar een gering levensteken zag, ik in actie moest komen. Op de b.h.v.-cursus had ik niet voor niets alles over een stabiele zijligging geleerd en over hoe te reanimeren. Je mocht, als de situatie erom vroeg, eerst de mond schoonmaken voordat je met mond-op-mond-beademing begon. De b.h.v.-instructrice, Sjoerdsje Beintema, kon beeldend vertellen over braaksel op de lippen van mensen die onwel waren geworden en beademd dienden te worden. In die tijd waren er nog niet van die kunststof kapjes. ‘Maarten, fiets maar even alleen door, ik kom zo bij je, hier is iets aan de hand,’zei ik tegen Maarten. Hij begreep me en vroeg niet waarom. Ik smeet mijn fiets tegen een boom en rende naar de VW. Het hoofd was al iets verder weggezakt, de neus raakte de chromen beugel van de claxon die in dit type kevers diagonaal, als ware het een bliksemschicht, op het stuur was gemonteerd. De aanraking was echter zo licht dat de toeter niet klonk. In de kattenbak een grote pluchen hond met droeve ogen. Dat er een mevrouw uit het tehuis was komen lopen, merkte ik nu pas op. ‘Laat mij maar,’ zei ze monter en ze opende de autodeur. Wist zij al van de dode man? Had zij zijn dood voorzien? Hij zal zich niet goed hebben gevoeld en op weg zijn geweest naar de medische zorg van het tehuis, concludeerde ik snel. Misschien had hij zich telefonisch aangekondigd? ‘Bedankt,’ zei ze vriendelijk, ‘gaat u maar gerust verder.’ Ze glimlachte als iemand die dagelijks dode mannen uit VW-kevers verwijderde en handelde professioneel. Verderop zag ik Maarten naar me kijken. ‘Kom je nog?’ riep hij, ongeduldig, we zouden gaan zwemmen, weet je wel?’

Het was bloedheet. Zo warm dat de Nijmeegse wandelvierdaags de routes had ingekort. ‘Echte bikkels geven niet snel op,’ hield ik Maarten voor, ‘fietsen kan altijd, kijk maar naar de Tour de France, daar korten ze etappes ook niet in als de zon schijnt.’ Vooral veel drinken en goed eten. Toen al wist ik dat wilskracht een spier was die je kon trainen. Met gemak fietsten we de 380 kilometers van Eijsden naar Sleen in vier dagen. Op dikke-banden-fietsen.

Vooral die lange taaie, speekselsliert, bleef lang in mijn gedachten hangen. En als ik die verwijderd had, waarmee trouwens, had ik de oude man dan wel durven beademen? Als het Sjoerdsje Beintema was geweest wel. Dan had ik met een doordacht gebaar het beetje snot weggeveegd met mijn zakdoek, had ik haar neergevlijd onder de boom, naast mijn fiets en dan had ik haar weer tot leven gewekt. Ze zou hebben gelachen om de korreltjes van haar lipstick in mijn mondhoeken en verdwaasd hebben rondgekeken.
Maarten kon zwemmen als de beste. Met zijn drie of vier zwemdiploma’s hoefde ik hem niet steeds in de gaten te houden, dat deden een stuk of vier vakantie vierende meiden wel. Langzaam dutte ik wat weg op mijn handdoek op de zonneweide. De eigenaresse van het Vrienden-van-de-fiets-logeeradres, probeerde mij op mijn gemak te stellen. Natuurlijk was ik weer over de dode man begonnen. De dode man plakte aan mij als kauwgum onder een schoen.