Tante Guoitske en De Ploeg (*)

foto: Gert Jan Lobbes

Corona droogt leuke activiteiten op als een uierdoekje koepisspatten. Omdat ik tijd over heb luister ik, voor het eerst op afstand, mee met een rouwdienst vanuit de gereformeerde Oosterkerk in Kollum, mijn geboorteplaats. Het betreft tante Guoitske. De organist speelt gezang veertien. Geconcentreerd blijven luisteren valt niet mee. Het luisterritueel is als een luistertoets op school. Er zijn afleidingen te over. Ik mis de beelden en probeer me een voorstelling te maken van de predikant: haar stem houdt het midden tussen de zakelijk/informatieve van een belastingtelefoonmedewerkster en de invoelende van een sociaal werkster. Het geluid kon beter en ik mis de  mogelijkheid lekker mee te zingen. Al multitaskend googel ik wat tijdens de saaie stukken en zo leer ik dat de architect van de kerk Ploeg-kunstenaar Egbert Reitsma was. Zijn kerkarchitectuur geldt als een belangrijk voorbeeld van regionaal vertaalde expressionistische Amsterdamse School-architectuur. Tijdens een rouwdienst een ouwe Ploeger ontdekken, hoe mooi is dat? Deze kerk was zijn eerste werkstuk. De plafondschilderingen in blauwpaars, vermiljoen, oker: hallucinante vormen, recht boven de gesloten ogen van tante Guoitske, zijn van Ploeglid George Martens. Ik lees over paraboolgewelven van Reitsma en Martens’ kerstkleuren.

Ik probeer me niet door Ploegkunst te laten afleiden en concentreer me op mijn tante. Ze was al oud en hoge ouderdom maakt verdriet lichter zoals het whisky lekkerder maakt. Deze tante was een speciale. Ze was groot. Jeugdherinneringen poppen up. Ze droeg lange, strakke rokken waarvan het zijritsje altijd op springen stond. Haar boezem de billen van Obelix. Het was net na kerst, mijn tweelingbroer en ik waren jarig. Tante trok me op haar schoot. Ik speelde veel met magneten. Mijn magneet klemde aan tantes bovenbeen. Ik hoopte op een stalen heupkop. Het was wat metaal van jarretellesclips die de magneet door de dunne rokstof detecteerde. Of me dat opwond? Het had mijn interesse. Tante verschoof onrustig op de stoel en had mijn belangstelling feilloos geregistreerd, voelde ik. Ik zal acht geweest zijn. Bij de verspugers op school zat ik in de hoogste regionen en mijn inwonende oom had me al door de neus leren boeren. Tante feliciteerde me. Ze had een kunstje verzonnen. De rijksdaalder had ze ingepakt. Een strak stuk plakband hield het papier bij elkaar. Ze vroeg me, ‘blijf bij mij heer’ of iets over nachtelijke herdertjes neuriënd, het geschenk met één hand uit te pakken. Ze wilde mij bezighouden, puur om mijn moeder te ontlasten. Die had genoeg drukte aan haar hoofd op een kinderverjaardag. Tante lachte samenzweerderig. Terwijl mijn rechterhand bezig was de onmogelijke klus te klaren, vlijde ze mijn linkerhand op haar bovenbeen en wreef een beetje heen en weer totdat mijn hand de ijzeren clip voelde. Ze knipoogde onzichtbaar. Mijn tweelingbroer kon al wat blokfluiten en zette welgemoed ‘All I want for Xmas is you’ in.

Ik googel verder en zie dat Reitsma een groot aantal kerken heeft ontworpen. Martens was getrouwd met Alida Pott. Ik besef dat tante Guoitske, postuum samenwerkend met corona, me wat oplevert: een herleving van de Ploeg-geschiedenis.

(*) Deze column verscheen in Ploegblad Special nr 7, dec 2020