Vijverbrinkenweg

Als ik mijn ogen sluit zie ik een schone schare
Cherubijnen van de allermooiste soort en kleur;
ze zingen, spelen, morsen wat met etenswaren
die ze juist kochten bij de grotestadstraiteur.

De voorste van de groep schrikt zich een ongeluk
als hij de zuidas van de Vijverbrinkenweg passeert;
zijn hart en trommelvliezen barsten bijkans stuk
bij ’t horen van een knal: een melkbus explodeert.

De hangjeugd juicht en klapt de handen rauw,
maar één van hen bedenkt zich en snelt gauw
naar ’t pas verbouwde Slener MFC, waarna hij,
op zijn opgepimpte Honda teruggekeerd,
het bijna dode engeltje met veel gevoel defibrilleert.

Ik doe mijn ogen open en begin te mijm’ren
over het nut en de moraal van dit verhaal:
daar is het al: wees wakker en vooral heel gis
en zorg dat, zo voor nieuwjaar en na kersemis,
je brommer altijd volgetankt en in topconditie is.