1966

De mussen vielen van het dak. Heit zette de auto, een witte zes cilinder Zodiac met stuurversnelling, alvast klaar. Kleine roestvlekjes onder aan de portieren deerden de auto niet. Als heit boven de honderdzeventig reed, hoorden we wel eens het geratel van een losschietende wieldop, maar die had Taeke Postma uit Oudega wel op voorraad. ‘Geïmporteerd uit de Steets,’zei hij. Tjitske leegde de altijd overvolle asbak en zette de deuren van de auto open. De zon maakte de rode skailederen banken loeiwarm. Mem had een stuk of zes flessen ranja gemaakt, vooral niet te sterk want daar werd je misselijk van. Folkert en ik zaten tussen heit en mem in. Op de achterbank Piet, Jelske, Tjitske en de gast. In de kofferbak hadden gemakkelijk drie fietsen gepast, maar die lieten we deze keer thuis. Ik was tien en vond de gast wel interessant. Zij was al elf en kwam uit ’s Heer Arendskerke. Tjitske schreef al anderhalf jaar met haar. Via de zondagsschool kon je je opgeven voor een penvriend. ‘Penvrienden zijn vaak reislustig en als je je opgeeft om te gaan schrijven, kan je de logeerkamer wel klaarmaken,’ zei zondagsschoolmeester en ouderling Meindertsma altijd. Ze droeg een brilletje en was iets kleiner dan Tjitske. Je kon wel horen dat ze niet bij ons uit de buurt kwam. Folkert en ik moesten vaak lachen als ze iets zei. Soms begrepen we het maar half.

De rit naar Bakkeveen duurde een half uurtje. Net genoeg voor Jelske om misselijk te worden terwijl heit niet eens een Agio-bokje of een Ritmeester had aangestoken. Anders dan de vorige auto, een Zephyr, had deze een sigarenaansteker. Je drukte even op een zwarte knop en dan sprong de aansteker een halve centimeter naar buiten. De gloeiend hete kop was ideaal voor een sigaren rokende chauffeur. Probeer al sturend maar eens een lucifer aan te steken. Dat kon alleen maar als je in een dorp reed. Als heit te hard reed, zei mem: ‘Net sa hurd, Anne.’ Dat konden we wel dromen. Dat zei mem vaak al voordat we Buitenpost bereikten, nou ja, hoogstens Augustinusga. Jammer genoeg deed heit vaak direct wat mem hem vroeg.

‘Ik heb nog nooit van Bakkeveen gehoord,’ zei Mientje, want zo heette de gast. Nou ja, kenden wij soms alle Zeeuwse plaatsnamen? Wel de hoofdplaatsen natuurlijk, maar niet alle dorpen. Piet, die bijna naast haar zat, Jelske zat er nog tussenin, keurde haar geen blik waardig. Hij schreef nummerborden over in een klein opschrijfboekje. Als we bijna bij het eindpunt waren aangekomen vroeg heit hem alle getallen van de nummerborden bij elkaar op te tellen. Later mocht hij de telling met een telmachine van het kantoor controleren. Als Piet het goed had, glunderde hij van trots. De laatste tijd begon heit ook over procenten van dat totaal. Dat moest meester Dijkstra ons eerst nog maar eens uitleggen.
Folkert vertelde onderweg over auto’s waarin een radio zat ingebouwd. ‘Je kunt het zien aan een antenne,’ zei hij, ‘die kan zo lekker zwiepen.’ Heit ging er niet op in en vertelde van een klant uit Siegerswoude. ‘Die heeft een koe met 100.000 liter op de teller.’ Ik legde Mientje uit dat zo’n koe 100.000 liter melk had gegeven. Heit ging verder: ‘Die koe heeft een prachtige, volle, uier en vijf in plaats van vier spenen.’ Mientje keek zo vragend dat ik bang was uit te moeten leggen wat een uier was. Dan zou ze ook wel niet weten wat uiers wassen betekende, mijn werk bij boer Benedictus. Tjitske vroeg: ‘Wie is die Arend in ’s Heer Arendskerke? Een kerk die naar ene Arend is vernoemd?’ Volgens Jelske kon dat helemaal niet. ‘In de bijbel komt de naam Arend niet voor. Wel de vogel arend natuurlijk. In het Latijn is het aquila.’ ‘En wat is een koe in het Latijns?’ Ik wist dat Jelske kwaad werd als we Latijns zeiden.

Wij zwommen en groeven diepe sleuven in het zand. Mem zat onder een paraplu een toespraak voor de vrouwenvereniging voor te bereiden. Ondertussen hield ze ons in de gaten. Tjitske, Jelske en Mientje speelden met een lekke tennisbal. Tot onze verbazing droeg heit een blauwe zwembroek. We hadden hem nog nooit in een zwembroek gezien. Hij had hem alvast thuis aangetrokken. Zijn onderbroek zat in zijn broekzak. Mem had nieuw elastiek in zijn zwembroek gedaan. Verderop stond een ijscoverkoper met Friesche Koe-ijs. Als we zeurden om een ijsje ging het geheid niet door. Wij hadden een gat gegraven dat we vol lieten lopen met bruin, schuimend, water. Piet nam een aanloop als een verspringer en plonsde erin. Een mevrouw die naast ons zat, las de Drachtster Courant. Haar man las stukken voor uit de kerkbode. Na Piets sprong was hun lectuur doorweekt. Wij deden alsof er niets gebeurd was en heit wees mem op een parasol verderop. Wat overdreven, een paraplu op een stok vastgebonden was net zo doeltreffend en hoe vaak gebruikte je nou een parasol.

De meisjes kregen een stel jongens uit Marum in de gaten. Mientje was door het dolle heen. Een van de jongens droeg zo’n klein zwembroekje dat je bij de rand krullend schaamhaar zag. De jongens vloekten en tierden want de batterijen van de Grundig transistroradio waren eruit gevallen. Mientje had nog nooit gezwommen en nog nooit een badpak gedragen. Ze droeg een afdankertje van Jelske. Als ze uit het water kwam was het badpak zo zwaar geworden dat het een centimeter of tien was uitgerekt. ‘Zie je dat? Zij heeft haar onderbroek aangehouden onder het badpak,’ zei Folkert. Wij deden alsof we het niet hadden gezien. Heit zijn rug jeukte en mem wreef met zijn wollen sokken over de jeukende plek. Zonder dat hij het merkte deed ze wat zonnebrandcrème op de sok. Volgens mij was het zonnebloemolie of gesmolten frituurvet. Heit stak een sigaar op en peuterde velletjes en zandkorrels tussen zijn tenen vandaan. Hij wreef dan tussen zijn tenen en rook aan zijn vingers. We kregen ranja van mem. De ranja was al wat lauw geworden, maar dan kreeg je tenminste geen buikpijn. Ze schonk de ranja in plastic bekers. Eén van die bekers gebruikte heit vaak om zijn gebit in te weken als hij naar bed ging. Die beker pakte Mientje. ‘Lekker hoor,’zei ze. Mientje vertelde waarom zij thuis nooit zwommen. Dat mocht niet, vertelde ze. ‘Dat is de here niet welgevallig,’ zei ze. Ik begreep wat ze bedoelde maar kende het woord welgevallig nog niet. Ik begon Mientje wat minder leuk te vinden en ik gooide de tennisbal iets te hard in haar richting. Mientje had niet door dat de bal gevuld was met bruin zandwater. Je kon wel zien dat ze niet vaak in de zon zat. Ze was net zo wit als heit.

De meisjes verkleedden zich door een meegebracht laken om zich heen te wikkelen. Zo zag je niets. Piet, Folkert en ik gingen even naar de boskant. Mem hoefde zich niet te verkleden, ze sloeg de zandkorrels van haar rok. ‘Ik trakteer straks op een ijsje,’zei heit. En terwijl wij allemaal naar hem keken en dit heuglijke nieuws op ons lieten inwerken, liet hij zijn zwembroek zakken en stond daar poedelnaakt. Zijn harige apparaat wiebelde alle kanten op. Het nieuwe zwembroekelastiek was waarschijnlijk net iets te kort geweest en liet een rode striem achter op zijn buik. ‘Sjoukje, waar is de handdoek?’vroeg hij aan mem. Hij draaide zich enkele malen om. Eindelijk had hij een handdoek te pakken. Hij droogde zich omstandig af, waarbij hij de bilnaad en de huidplooien bij zijn apparaat niet vergat. Vervolgens trok hij zijn ruime, witte, onderbroek aan en een wit hemd met ribbeltjes. Hij liet dan zijn onderbroek wat zakken, trok het hemd strak naar beneden en trok dan de onderbroek weer flink omhoog, waarbij hij zijn heupen van links naar rechts en weer terug bewoog. Ik zag Mientje kijken. Wij renden zwijgend naar de ijscoman.