Deze oproep hoorde ik vanaf mijn 22e in het voortgezet onderwijs en vanaf mijn 60e als vroeg gepensioneerde, energieke, multitaskende vrijwilliger in een spotje van de Stichting Mentorschap. Op beide leeftijden heb ik aan deze oproep gehoor gegeven.
WWW.MENTORSCHAP.NL, met vertakkingen in alle windstreken, zoekt mentoren: mensen, die cliënten bijstaan op het vlak van de zorg. Daarnaast wordt van mentoren verwacht dat ze eens per drie weken hun cliënt bezoeken. Mentoren krijgen cliënten onder hun hoede met een geestelijke en/of lichamelijke beperking die zelf niet een vangnet vol mantelzorgers om zich heen hebben staan die voor hen de best mogelijke zorg uit het vuur slepen. Ik probeer voor mijn cliënt die zorg te krijgen die ik mijn zoons ook zou toewensen. Mentoren worden aangesteld door de rechtbank en ze moeten vooraf en vervolgens jaarlijks voldoen aan een aantal scholingseisen. Alle mentoren worden begeleid door coördinatoren van Stichting Mentorzorg. Iedere 1,5 jaar toetst de rechtbank de inzet van de mentoren. Cliënten betalen maandelijks circa € 100,- aan de overkoepelende stichting en de mentor kan er voor kiezen al dan niet € 25,- per maand als onkostenvergoeding te ontvangen.
Sinds drie jaar ben ik mentor. Met veel plezier. Ik bezoek mijn cliënt en heb geregeld contact met de zorginstelling onder wier paraplu mijn cliënt staat. Die contacten bestaan uit incidenteel overleg met de ‘persoonlijk begeleider’ en jaarlijks overleg over het zorgplan. Daarnaast kan er contact zijn met derden, zoals bewindvoerders, een huishoudelijke hulp, een arts of een gedragswetenschapper van de zorginstelling, de huisarts, medewerkers van de dagopvang, enz.
De zorg die mijn cliënt van de zorginstelling krijgt is goed. Uitstekend zelfs. Als oud-docent denk ik al snel aan het cijfer 9. Waarom geen 10? Dat heeft te maken met mijn ideeën en gedachten als opvoeder, als vader. Mijn systeem van waarden en normen kunnen bijdragen aan of conflicteren met de dienende, ondersteunende en vooral luisterende taak van de mentor.
De zorginstelling biedt mijn cliënt huisvesting, hulp bij lichamelijke verzorging, maaltijden, en verder alle mogelijke zorg. Er is eerder een overvloed aan zorg dan een tekort. Soms denk ik: de zorginstelling zou ook wel een aantal eisen aan de cliënten kunnen stellen op het gebied van leefstijl. Eisen die wij als ouders ook aan onze zoons stelden toen ze nog bij ons woonden. Ik denk hierbij aan een maximum stellen aan het energiegebruik en het aantal huisdieren, het stimuleren van meer bewegen, tegengaan van overgewicht en meer huishoudelijke taken verrichten. Tegelijkertijd realiseer ik me dat ik mijn normen en waarden niet aan anderen mag opleggen. Deze leefstijlverbeteringen vragen extra begeleiding en, belangrijker nog, druisen misschien in tegen de persoonlijke individuele vrijheid. Aan mij de taak om na te gaan of leefstijlverbeteringen deel uitmaken van zorgverbetering.


Als ik Lubbers’ Zuidenveldkroniek lees voel ik me als een kind dat door een caleidoscoop kijkt: steeds zie ik wat nieuws. Een foto op pagina 275 symboliseert het Zuidenveldgevoel treffend: vijf mannen zorgen ervoor dat een vastgelopen aanhanger weer vlot komt: met vereende krachten iets tot een goed einde brengen, dat typeert dit feest. Roelie Lubbers-Hilbrands beschrijft in Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling 1920 – 2020 de zuidenveldtentoonstellingen in al zijn facetten. Het zou mij niet verbazen als bij de eerstvolgende Zuidenveldtentoonstelling een platte kar aan haar is gewijd: haar lach en blonde lokken met duizenden maiskorrels, graanstengels en een keur aan bloemen op een plateau uitgelicht. Het boek is opgedragen aan enkele familieleden en, hier zien we Lubbers de diplomaat, aan alle deelnemers, medewerkers en bezoekers: het volk van het Zuidenveld.
I Wopke Hoekstra is de gebeten hond want hij spreekt, na Jeroen Dijsselbloem enkele jaren geleden, de Italianen en Spanjaarden aan op hun onvermogen financiële buffers te fixen. Hij heeft het grootste gelijk van de wereld, dat weet iedereen. Dat hij toch binnen 24 uur zijn woorden bijstelt, “ach, als je zoveel weerwoord krijgt, betekent dat dat je andere woorden had moeten kiezen,” zal iedereen herkennen, ik ook. Soms blijft de woordontvanger liever nog wat doofjes; Wopke stijgt op mijn virtuele ladder. Op termijn zullen zijn harde woorden contraproductief blijken te zijn: kritische noten dreunen tien keer langer door dan positieve feedback.
Ik heb, een beetje laat, dat dan weer wel, de statistiekenknop van
29 jaar na het eerste Groot Dictee der Nederlandse Taal met het inmiddels beroemde ‘przewalskipaard’ van Kees Fens waagden op twee november 2019 negen personen zich aan het meeschrijven met het Nationaal Dictee in de bibliotheek in Emmen. Dat is twee meer dan vorig jaar. Via een narrowcasting-systeem konden de deelnemers de landelijke uitzending in Zutphen volgen. Voorlezer dit jaar is Gerdi Verbeet en Wim Daniëls heeft het dictee geschreven. Daniëls brak vorig jaar met de vanaf het
begin breed gedragen traditie het dictee te vullen met woorden die enkel door trouwe lezers van het Groene Boekje gekend werden. Dat het dictee daardoor nu heel eenvoudig werd, nou nee.

Een nieuw, schitterend museum. Dankzij de interessante architectuur is er ook voor volwassenen veel te zien, want ja, het museum is in de eerste plaats heel geschikt en aantrekkelijk voor kinderen. Aan de buitenkant vallen de joekels van natuursteensierstrips op waarvan je altijd hoopt dat ze naar beneden komen als jij elders bent. Vanuit de hal naar boven kijkend valt op dat de vloeroppervlakte per verdieping kleiner wordt. Dat biedt zowel beneden als boven mooie, ruimtelijke zichtlijnen. Dankzij deze ruimte-indeling is dit een museum dat, vergeleken met de kubieke meters, weinig vierkante meters expositieruimte heeft. Via een meer dan prachtige, luie trap, loop je langs de (oneven) etages waar veel te zien of te beleven is. De even etages ontbreken voor de bezoekers, omdat ze of niet (lijken te) bestaan of zijn ingericht voor andere doeleinden. In het auditorium op de begane grond staat een preparatie van een meeuw aangekondigd: iets wat plattelandskinderen op jongensverjaarsfeestjes kunnen bekijken is hier museaal. 
allemansvriend ontpopt.
Hoofdrolspeler Syb van der Ploeg als Salomon, speelt zich uit de naad (om maar eens een Friezisme te gebruiken). De couleur locale krijgt kracht en kleur door de locatie achter de Maartenskerk waar de opstandelingen meer dan twee eeuwen geleden daadwerkelijk werden opgesloten, de Friese paarden, de meer dan 100 spelers, waarvan een groot deel vrijwilligers uit de regio, en uiteraard de moeder aller regiotalen: het Fries. Ook niet onbelangrijk: voor locatietheater in de open lucht is er een prima balans tussen muziek en zang. Aan licht en geluid is meer dan gemiddeld aandacht besteed.
Het massaal toegestroomde publiek (er zijn zo’n 1200 bezoekers, en dat zes keer) wordt gelijk het verhaal ingezogen door irritante Franse jengelmuziek: de anti-Franse toon is dus prettig gezet. De live muziek wordt verzorgd door De Kast en een kopersectie van Wilhelmina, de Kollumer brassband. We horen ‘In neie dei’ en bewerkte ouwe gouwes als ‘Vluchten kan niet meer’ en ‘Ben ik te min’. Het kon minder. En dan die onverstoorbare Friese paarden die flegmatiek, als Friezen op vakantie in Frankrijk, een bijdrage leveren, niet alleen voor de bühne, maar ook over het kerkpaadje galopperend achter het podium. Dit soort franje maakt dat het publiek ogen tekort komt. De scene met Kollumer vrouwen die hitsige madammekes spelen toont aan dat de verraderlijk koele uitstraling van de deernes meer broeierige verlangens verbergt dan voor mogelijk wordt gehouden. 


De Rode Hoed is gevuld met senioren die het zich kunnen permitteren overdag gratis lezingen te bezoeken. Vintagejasjes, coltruien en extreem hoog opgetrokken broeken. De voorste rij stoelen is gereserveerd. Een grijze meneer knikkebolt nog voordat Wagendorp is begonnen. Een oude mevrouw gaat lekker op het bordje ‘gereserveerd’ zitten. Achter mij hoor ik een geprangde stem: “Hèhè, we gaan eindelijk weer eens uit onder leeftijdsgenoten,” en even verder gekweld: “Ik moest lessen Nederlands overnemen. Ach, wilde ik wel hoor, maar de bijgeleverde teksten zaten vol fouten.” De klaagzang stopt als Stijn Fens plaatsmaakt voor de spreker van dienst. Wagendorp houdt een schitterend betoog over sport (de belangrijkste bijzaak die bestaat) en Fens (ooit een rechtsbenige linkermiddenvelder). Sport wordt draaglijk door fictie. Buddingh, Krabbé, Mulder zijn de meestervertellers. En natuurlijk Fens en Wagendorp. Vanwege zijn steeds afzakkende bril oogt Wagendorp wat breekbaar. Zonder gene verheerlijkt hij Abe Lenstra, de beste voetballer ooit, en verguist hij Johan Cruyff dankzij wie wij twee wereldkampioenschappen zijn misgelopen. Wagendorp, humoristisch, op het cabareteske af, Groenloër met Friese roots, spaart Amsterdam en Ajax niet. Wagendorps tekst is al vooraf te koop voor € 5,- Ik vrees papiergeritsel met al die oudjes, zoals meelezers bij de Matheus Passion een extra roffeltje invoegen bij Jezus’ lijdensweg als het einde der pagina’s wordt bereikt, maar het valt mee. De Rode Hoed is niet uitverkocht en dat is jammer. Of regeert hier de wet van de gesponsorde stoelen waarbij vooraf bestelde stoelen niet bezet worden omdat de kaarteigenaar liever naar een paaldansclub verderop gaat?