Jongbloedvaart

O Jongbloedvaart, o mooie Jongbloedvaart;
je waterkant, je sensuele lissen,
je krabbescheer, je riet, je openbaart
aan mij je hart, je ziel, je hagedissen.

O Jongbloedvaart, o wulpse Jongbloedvaart;
naast jou word ik geregeld nagestaard
door een passant die aan mij vraagt: wat vinje?
en fluist’rend stamel ik dan zacht: ‘k bemin je’.

Je trekt aan mij al ben je soms wat duister,
toch zie ik door je kroos de waterpest,
fonteinkruid, hoornblad en de ware luister
van een kikkerpaar dat jij hebt vetgemest.

O Jongbloedvaart o hete Jongbloedvaart;
daar fietst mijn lief en roept vrij onvervaard:
‘zeg lekker ding, hoe staat de zaak, wat vinje?’
Mijn klompen uit, mijn moed bijeengegaard

en lustig zeg ik hees terwijl ik likkebaard:
‘verroer je niet, lig stil, dan kom ik in je.’