Zomertuin

De zachte wind beweegt
jasmijn, laurier en hop,

de zon prikt waar ze wil,
vooral haar rug en nek.

Hij sluit zijn ogen snel
en ziet een zwarte stip;

het scherpe licht omrandt
haar hoofd, de haren waaien.

Haar rug beweegt eerst niet,
dan maakt ze heerlijk vaart.

Genietend krult zijn mond,
zijn rug, hij likt haar oor.

Zijn ooghoek registreert
gejaagd bezoek op ’t pad.

De spanning loopt snel op
en sneller nog weer af.

Verliefd zoent hij haar mond;
dankzij het mooie weer
dit jaar al voor de elfde keer.

Wat een prachtzomer toch!