Reitemakersrijge 10

Wandelend langs de huizen aan Reitemakersrijge valt je de verscheidenheid aan stijlen op. Als een nestje uit Griekenland geïmporteerde bastaardhondjes: een allegaartje, maar een sympathiek allegaartje. Oud, nieuw, klassiek, modernistisch en post-; was de straat een kunstwerk, je zou het samengevat eclectisch noemen. Als een psycholoog die denkt dat alle antwoorden in jeugden liggen, daagt de Reitemakersrijge je uit naar het verleden te kijken. Sprekend met tot Groninger gemaakten (oorspronkelijke oer-Groningers zijn moeilijk vindbaar als truffels in de Peizer onlanden) hoor je vertwijfeling en een peilloos diepe onzekerheid over hun ware ‘zijn’. De vraag ‘Wie ben ik’, en ‘Waar kom ik vandaan’ ligt hen, onuitgesproken, dat dan weer wel, noorderlingen hè, brandend op de lippen. Ik leg het graag even uit.

Waren stadjers boekenlezers dan wisten ze het allemaal al natuurlijk. Laten we bij de naam beginnen. Wat zegt dr. Frans Westra over de straatnaamgeving in ‘Palet van Groningen’? Niet verrassend: een gebied van makers van rieten manden. De manden werden gebruikt in de lakenindustrie. Even verderop legt Westra geduldig en deskundig de oorzaak van de identiteitscrisis van Groningers uit als hij, nu zeer zeker wel verrassend, stelt dat Groningen van oorsprong een Drents dorp is (¹) en de grote Markt een soort brink. Nog erger wordt het wanneer hij verklaart dat de oudst bekende Groninger een Fries is (²). Dat de ontwikkeling van Groningen gestopt is bij de grens van een provinciestad komt omdat Groningen geen Gouden eeuw gekend heeft (³) en omdat de industriële revolutie aan Groningen is voorbij gevaren als het coronavirus aan vegetariërs of museumschuit De Emma aan de oevers van de Pottebakkersrijge omdat geparkeerde auto’s een mogelijke aanleg verhinderen.

Als Groningers toch maar gewoon Friezen zijn dan is het merkwaardig dat cultuurinstellingen als het Forum en boekenhandel Van der Velde een uiterst schamele collectie Frisiania aanbieden. Als Groningers echte Friezen zijn, kunnen we maar best even bij Flip van Doorn in (alweer de zesde druk) ‘De Friezen’ opzoeken wat de ware aard van deze volksstam is. Hij noemt ze (⁴): ‘tegendraads en tegenstrijdig, creatief en conservatief, onzeker en zelfbewust, open en gesloten – en dat allemaal tegelijk’. Zo’n geestelijke tweespalt moet haast wel leiden tot wankelmoedigheid en onzekerheid over de ware ‘ik’. Maar met Van Doorn die over de Friezen spreekt zeg ik, schrijvende over de Groningers: ‘Het is geen wonder dat ik me thuis voel in hun midden.’

(¹) p 22, (²) p 25, (³) p 54: Frans Westra ‘Palet van Groningen’, geschiedenis, kunst en cultuur van de stad (Haren, 2016); (⁴) p 13 van Flip van Doorn ‘De Friezen’ (zesde druk Amsterdam 2021)