Reitemakersrijge 11

Projectontwikkelaars en roependen in de woestijn krijgen soms, en Minnesma van Urgenda altijd, pas na een kwart eeuw het gelijk aan hun zijde. Of de socialmediabrandstapel van de twitterintelligentsia. Toen in 1994 de nieuwbouw aan de Schuitemakersstraat en de Reitemakersrijge werd opgeleverd was er sprake van een unicum. Nou ja, unicum, helemaal uniek was het niet maar speciaal zeker. Het was de tijd dat het begrip ecologie nog wat onbekend was, als vrouwenrechten bij orthodoxe Joden, de voorloper van de Christen Unie, of de Taliban. De ontwikkelaars hadden niet voor parkeerpleinen gekozen, maar voor een gemeenschappelijke tuin op de binnenplaats.

We zien hier de invloed van visionairs, ecologen in de dop. En van de Gutmenschen die ooit hofjes in Groningen hadden aangelegd. Ongetwijfeld zal het eind vorige eeuw veel gesteggel hebben gegeven, want autobezitters hebben de neiging hun vuile karretje te koesteren als vrouwen familiejuwelen, D 66’ers onderwijsplannen en CDA’ers dolken en messen voor Pieter Omtzigt die in interne mails ‘teringhond’ werd genoemd. Het zal er, zo stel ik me fantaserend voor, heet aan toe zijn gegaan op rokerige zolderkamers, in buurthuisvergaderruimtes met gele sanseveria’s of nabij de meer dan 2000 halfvergane, gelijkvormige hijsblokken in de scheepvaartmuseumkantine.

We zien nu een schitterende tuin met strakke beukenheggen, kruisspinnen, (klim)hortensia’s, pissebedden in de voortplantmodus, onbestemde boompjes, spitsmuizen, vlieren, doffers en duivinnen die er even genoeg van hebben door onwetenden vliegende ratten genoemd te worden, hedera’s, zevenblad, jaarlingen en vaste planten. Bescheiden straatwerk met eenvoudige betontegels vormen rechte paden, niet romantisch meanderend maar hoekig als kinnen van Emmakapiteins in de A ten teken en bewijze dat de Nieuwe Zakelijkheid hier een revival doormaakt of, dit is wel Groningen hè, een kleine eeuw te laat vanuit Duitsland de randen van Groningens binnenstad aandoet, zou maar zo kunnen natuurlijk. Sommige dingen, perziken, buurtbesturen, paardenhoofdstellen en vrouwengeduld, worden beter naarmate ze meer tijd om te rijpen hebben.

De Schuitemakers hebben het geluk van de zon aan hun zijde, de Reitemakers hebben beschaduwde plaatsen. En stoepkrijters hebben beide kanten.

Vanaf de straat door de spijlen van de toegangshekken loerend, als verwarde Mesdagklanten die erin in plaats van eruit willen, zien we een tuin die beter hof genoemd werd, een stadse oase. Op wiebelende bankjes herkennen we genietende wijn slurpende ouden van dagen, die, als op commando van de wijkzuster, even de gemaksschoenen hebben uitgeschopt en kalknagels, eksterogen, wintertenen, spataderenen en gekloofde hielen wat frisse lucht en licht gunnen. Hierbij gadegeslagen door verwende merels, een verdwaald baltsend steenmartertje zoekend naar isolatiemateriaal voor zijn nachtverblijf, of een optocht woelratten.

Soms hebben planners en ontwikkelaars het gelijk aan hun zijde, zoals Minnesma het altijd heeft.