Reitemakersrijge; vier

Je bent nieuw in Groningen en dan ontdek je dat een paar huizen verderop een café annex terras annex restaurant is. Het Pomphuis. Een broodje paling heet hier ‘flatbread smoked eel’. Patat wordt ‘fries’. Voor een Engels sprekende Fries is ‘fries’, zeg maar Gronings voor Fries een  interessant woord. Na een fietstocht met Emmense vrienden strijken we neer in het café. Een batterij over elkaar heen buitelende vrolijke jongens bedienen ons en als boeren die grondwater over dorre akkers sproeien, pompen ze onophoudelijk Leffe blond in glazen. We laten ons door de muziek niet klein krijgen. Buiten regent het, binnen is het Carmiggeltiaans gezellig.

Aan de wanden beroemde Groningers, de meesten nors en mors, met bevroren, verstilde koppen. Ze kijken in zwart/wit op ons neer als grefo predikanten op wankelmoedige gelovigen die maar blijven hopen op een verlossend einde der tijden. Ben Feringa is in kleur afgebeeld, maar die leeft dan ook nog en is geen Groninger maar een Drent. We zien Petrus Campers. Na enig zoeken Willem Frederik Hermans, sssttt, ook geen Groninger, maar dat weten ze in Groningen niet, stadjers zijn geen lezers. En hé, is dat niet good old Ulrumer Sicco -theeplanter, verzetsman, boer, minister, socialist, spijtoptant-boterbergbouwer, elfstedentochtrijder – Mansholt die ervoor zorgde dat boeren voor eeuwig verslaafd raakten aan het subsidie-infuus als hersenarme drillrappers aan crystal meth? Ja.

Vrouw I wordt wat onrustig. ‘Dat lijkt mijn opa wel. Jan Boer. Die daar met die grote oren, hij houdt zijn hoofd wat scheef alsof hij moeite doet ons te verstaan.’ De tafelgenoten ginnegappen wat. Ja hoor, woont net in stad en denkt dat het Pomphuis haar als innemende buurvrouw wil paaien door haar opa aan de wand te exhibitioneren. ‘Leraar aan de kweekschool, later directeur, inspecteur, streektaalpromotor en womanizer avant-la-lettre. Liet mijn oma zitten voor een veel jonger hebbeding. Rottumer. Veelschrijver ook. Schreef poëzie in het Gronings. Ik heb nog zowat een halve meter gedichten van hem staan, half uitgepakt in een Dorenbosdoos.’ We praten de eigenaar en zijn crew bij. Die Jan Boer.