Rust Zacht Jacob, Jappie, Japje, Jaap, Jasjin

Oom Jaap is overleden. Het bericht stond nog niet op de familie-app, Van der Meulens zijn meer appers dan bellers, of de berichtjes stroomden over. We zijn verdrietig. Maar de herinneringen aan jou stemmen me vrolijk. Ik dacht liefdevol aan vroeger, aan de tijd dat jij met beppe Jelske bij ons kwam wonen en krijg vrolijke gedachten, terwijl de situatie vroeger eerder complex dan eenvoudig was. We hadden een groot gezin, heit, mem en hulp Annie toen mem besloot 24/7 voor haar moeder, beppe Jelske, te willen mantelzorgen. We kregen jou er als bonus bij. In mijn ogen was je een veelzijdig mens: sportief, hard werkend, humoristisch, wijs, met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Maar goed dat mijn ouders een groot huis en een groot hart hadden en dat jij, mem Sjoukje en heit Anne een goed team vormden.

In een belangrijk deel van mijn jeugd was jij er. Je kwam binnen als Jappie en je moeder noemde je Japje, een soort koosnaam. In ruil voor een ijstaart vroeg je ons oom Jaap te zeggen. Je doopnaam is Jacob. Maar voor ons jongens was en bleef je Jasjin, naar de beroemde Russische keeper Lev Ivanovitsj Jasjin, met als bijnaam de Zwarte Spin of de Zwarte Panter, volgens alle Van der Meulens, VI van die tijd en Wikipedia van nu de beste doelman aller tijden. Een foto herinner ik me waarbij je een meter boven de doellijn, horizontaal zwevend een bal uit het doel ranselde. Jij had in die tijd ook zwart haar, meen ik, zoals Danny Vera nu, ja echt! Eerst wat voorover gekamd en daarna met een soort golfslag achterover. Nog zie ik je aan de huiskamertafel met een soort plastic borstel en wat spuug die kuif modelleren.

Omdat heit het erg druk had met zijn klanten en de belastingen en mem, jouw zuster Sjoukje, genoeg te doen had met een ingewikkelde huishouding, leerde jij ons van alles. Bijvoorbeeld de elementaire bokstechnieken. Je hielp ons bij het opzetten van de spoorrails met een Fleischertrein en het maken van een tunnel. Van jou kregen we de eerste afgetrapte voetbalschoenen. Je kwam voor ons op toen de lagereschoolmeester iets te vaak het woord ‘kluns’ gebruikte als hij leerlingen op hun nummer wilde zetten. Je voorzag onze buren van passend commentaar als we weer eens een bal kwijtraakten die toevallig over de lage heg was geschoten. Op vakantie of een dagje uit naar Veenklooster of Bakkeveen toonde jij ons de keeperstechnieken. Piet, Folkert en ik mochten van dichtbij zo hard als we konden op het doel schieten. Je legde ons de verwantschap tussen de beide Friese dialecten ‘Kollumers’ en ‘Liwadders’ uit, wat bij mij tot een permanent gevoel van trots over mijn Fries-zijn leidde. Dat werd natuurlijk versterkt toen je veel later, in je stamboomonderzoekperiode, een lijn tussen Theun de Vries en mij aantoonde.

In Kollum rees je ster. Je werd doelman van Kollum I en wij moedigden je aan op sportpark Oostenstein. In die tijd zal je Nancy hebben leren kennen. Minimaal twee van haar broers voetbalden ook in het eerste. Of je meer scharrels in het dorp had, weet ik niet. Het moet haast wel. En ik kan alleen maar gissen wat de meiden op de kermis die achter je aan zaten voor lekkere koosnaampjes voor jou hadden. Nancy en jij gingen je verloven. Folkert en ik, al een beetje aangetast door de handelsgeest, stelden je bloedserieus voor om onze oudste zuster Jelske als een soort inruil in te brengen bij de familie Germs met het doel haar te koppelen aan één van je nieuwe zwagers.

Nancy en jij trouwden in Buitenpost. Een leuk feestje was dat. Je schoonvader hield een toespraak en ik weet nog dat hij beschreef hoe hij jouw antecedenten had onderzocht, hoe de Wijbenga’s in Zwaagwesteinde bekend stonden: je nieuwe zwagers keken wat gegeneerd om zich heen en maanden hun vader tot wat meer spoed. Je zus Sjoukje kon er vanwege de geboorte van Jacob niet bij zijn.

Na jullie huwelijk vestigden tante Nancy en jij je in Cornjum. Folkert en ik kwamen logeren en gingen overdag het militaire vliegveld en een kasteel in Jelsum bespioneren. Jij nam ons op een avond mee naar een voetbalwedstrijd van Cambuur tegen Wageningen. Wow, wat een ervaring, fanfaremuziek op de grasmat en een patatje in de pauze. Of het daar was of op een verjaardag weet ik niet, maar ik herinner me de sterke verhalen die je vertelde. ‘De Westerein’ was nou niet bepaald een braaf doorsnee Fries dorp. Je vertelde van caféruzies die soms met een mes werden beslecht. Ik herinner me een verhaal van een medevoetballer van jou die zo’n lange ‘jongeheer’ had, dat zijn eikel in zittoestand over de vloer sleepte. Na bedtijd toverden Folkert en ik hagelwit behang om in een roodgespikkeld decor nadat we vijftig neefjes, die zich allen aan ons bloed hadden gelaafd, op de muur hadden doodgemept. Geen kwaad woord kregen we, Nancy en jij waren vol begrip.

De Wijbenga’s in Zwaagwesteinde waren doopsgezind. Mijn pacifistische inslag heb ik aan jullie te danken. Niemand van mijn broers, we waren met vijf man, is in dienst geweest. In verkiezingstijd leverde jij een affiche van De FNP aan die samen met die van heit, de ARP, en mem, de CHU, een bont palet aan politieke overtuigingen opleverde. Daar kon geen van heits klanten zich aan ergeren.

Oom Jaap dood. We moeten er erg aan wennen. We leven met tante Nancy, Klaas Gjelt en Frits, jullie partners en kinderen mee en we gedenken Ria. We hopen dat jullie het gemis van je man, je (schoon)vader en pake een mooie plaats in jullie herinneringen kunnen geven. Dat proberen wij ook.

Omke Jaap, rêst sêft!