
De mooiste uitvoeringen van de Matthäus zijn de niet-alledaagse. Of een Friese, of een met Tango Extremo (aangevuurd door Jan Rot), een meezing-MP, of in 2020 in Sleen met Collegium Musicum Traiectum.
Collegium Musicum Traiectum is een Utrechts projectensemble voor jongvolwassen amateurmusici die een interesse hebben in het uitvoeren van vocaal-instrumentaal repertoire. Het gezelschap bestaat uit een koor en orkest en is bedoeld voor onlangs afgestudeerden en jong werkenden die hun studentenmuziekgezelschap hebben moeten verlaten en toe zijn aan een nieuwe uitdaging op muzikaal gebied.
Omdat de repetitieperiode kort en het repertoire uitdagend is, studeren de leden voorafgaand aan de repetities zelfstandig de partij in. Het ensemble is gespecialiseerd in werken uit de barok- en klassieke periode. De dirigent is Gilles Michels; zanger Michiel Meijer en violist Paulien Kostense begeleiden het ensemble. Er zijn zo’n vijftig uitvoerenden, van wie de helft orkestleden zijn. De andere leden vormen twee koren.
Het initiatief van deze uitvoering komt van Thomas Hendriksen die samen met Hans Hordijk en Klaas van der Meulen, allen met nauwe banden in Zuidoost-Drenthe Stichting Culturele Dorpen Zuidenveld oprichtte. De Dorpskerk in Sleen is er uitermate geschikt voor.

“Het uit 1727 daterende stuk, voor velen het beste stuk dat Johannes Sebastiaan Bach ooit componeerde, combineert het indringende lijdensverhaal van Jezus Christus met een onovertroffen oratorium, een totaal zangstuk met orkest. Het volume van de groep past goed bij de akoestiek van de kerk uit de vijftiende eeuw. Bachs dierbaarste werk is geniaal, meeslepend en vol dramatiek en is in april te horen in Sleen.
Vanaf heden zijn toegangskaarten te koop. Daarvoor is samenwerking gezocht met Theater Hofpoort in Coevorden. De kaarten à 25 euro zijn te bestellen via de website van het theater. Later in het jaar worden voor belangstellenden diner- en verblijfsarrangementen aangeboden.

Het Grootkoor is een bedrijf en een verzamelnaam voor 15 grote koren in Nederland die projectmatig werken. Op elke locatie wordt vijf keer gerepeteerd en dan volgt in december een concert in een theater. In Drenthe zijn de repetities in Westerbork en is de finale in theater De Nieuwe Kolk te Assen op dertien december. Aan het concert werkt diva Karin Bloemen mee. Een beetje dus als Coevordense Boys dat getraind door Ronald Koeman, bijgestaan door spelverdeler Frankie de Jong speelt in De Kuip. Deelnemende zangers betalen € 60,- voor de muziek en € 18,- voor een strikje dat bij de uitvoering wordt voorgeschreven. Een kaart voor een belangstellende (arme partners moeten wel weer mee natuurlijk) kost € 22,50. In Westerbork doen er, schat ik, ruim 200 zangers mee. Landelijk zou dat neerkomen op 3.000.
bijna niemand, in relatief korte tijd geconcentreerd brokstukken muziek instuderen die daarna als een puzzel een geheel vormen en bijna allemaal goed klinken. Dat we in december Edison-, Pisuisse-, Annie M. G. Schmidt- en Gouden-Harp-prijswinnares La Bloemen ontmoeten speelt niet mee. Dat we in een volle bak met uitstekende akoestiek optreden wel.
Het bibliotheekzaaltje is met zestig stoelen vol. Vrijwilligers, biebmedewerkers, leesgroepleden en twee pubers. 85 % vrouw. Geroutineerd vertelt bestsellerauteur Akyol, BMI van 25, sjoemel-Audi, polootje, lichte jeans, blote voeten in sneakers en charmant plukkend aan een onzichtbare broeksriem onder een afwezig buikje, zijn verhaal over zijn Turkse achtergrond, zijn jeugd in Deventer. Veel vooroordelen over cultuurarme Turkse immigranten worden bevestigd: ouders die niet of nauwelijks Nederlands (willen) leren spreken, jongeren die met geritselde Armanishirts een straatuniform creëren, een wijk die Ankara aan de IJssel heet, Turkse werknemers die zo snel mogelijk een uitkering binnenharken en jeugd die knoeit met studiefinanciering. En natuurlijk een Nederlandse omgeving die zich niet bekommert om integratie, gepersonaliseerd in het cliché van een lagereschooljuf die een slimme gast een te laag schooladvies geeft. De schaamteloze openhartigheid over de zich misdragende en naar de criminaliteit afglijdende jongere is weldadig. Het is een EO-verhaal in optima forma. Akyol, de kansarme crimineel wordt de bekeerde predikant die op tijd het licht kreeg aangereikt door een (detail: Surinaamse) cipier die zijn brave inborst, studiezin en leesgierigheid ziet en hem Rozemarijntje, stripboeken, Baantjer, ’t Hart, Goethe en Céline geeft. Eus, de autobiografie, past over Özcans leven als een niets verhullend cellofaantje over een doos frikandellen. Akyol, opgegroeid in een vrijzinnig Alevitisch nest, zeg maar de ietsisten in de Islam, journalistiek gestudeerd aan het christelijke Windesheim in Zwolle en gesjeesd aan de gereformeerde VU in Amsterdam, is op zijn sterkst wanneer hij voorbij de sappige details treedt van een bierdrinkende vader en een moeder die niet weet wat scheiden is en verhaalt van de magische sensatie die het lezen en nu dus schrijven hem geeft en de invloed van literatuur, van taal, van veel lezen op zijn persoonlijke ontwikkeling tot een volledig mens. Akyol, bedankt!
Een nieuw, schitterend museum. Dankzij de interessante architectuur is er ook voor volwassenen veel te zien, want ja, het museum is in de eerste plaats heel geschikt en aantrekkelijk voor kinderen. Aan de buitenkant vallen de joekels van natuursteensierstrips op waarvan je altijd hoopt dat ze naar beneden komen als jij elders bent. Vanuit de hal naar boven kijkend valt op dat de vloeroppervlakte per verdieping kleiner wordt. Dat biedt zowel beneden als boven mooie, ruimtelijke zichtlijnen. Dankzij deze ruimte-indeling is dit een museum dat, vergeleken met de kubieke meters, weinig vierkante meters expositieruimte heeft. Via een meer dan prachtige, luie trap, loop je langs de (oneven) etages waar veel te zien of te beleven is. De even etages ontbreken voor de bezoekers, omdat ze of niet (lijken te) bestaan of zijn ingericht voor andere doeleinden. In het auditorium op de begane grond staat een preparatie van een meeuw aangekondigd: iets wat plattelandskinderen op jongensverjaarsfeestjes kunnen bekijken is hier museaal. 
allemansvriend ontpopt.



De verzorging onderweg is goed. We worden volgestopt met bananen, reepjes en dorstlessers als verwaarloosde pinken in verafgelegen, hooilanden. Anders dan in voetbalstadions, bij koningsdagevenementen en in stadsparken op zonnige dagen wordt er geen rotzooi achtergelaten. De wereld om ons heen oogt helder, zacht, schoon en vriendelijk. Niemand die deze dag verstoort door gitzwarte gedachten over slechte luchtkwaliteit. Nog geen drie dagen later zal Groningen verworden tot het Armageddon van de vervuildestedendivisie door superhoog te scoren in de Air Quality Index. Hoog betekent slecht. Stad Groningen ondervindt zoveel last van smog dat het onderontwikkelde steden als Calcutta, New Delhi en Peking verslaat. Amsterdam en Rotterdam scoren 100 % beter dan Groningen. Luchtvervuiling kan via COPD, astma en longkanker dodelijk zijn. Toeval of niet, maar Zomergast Wanda de Kanter, geëxcommuniceerd door het knieënslappe KWF, roept ’s avonds op vriendelijke toon in de VPRO-woestijn hoe schadelijk nicotinedealer AH en rookgevolgen kunnen zijn. Ik word 21e bij de 85 kilometer.
Ik zie een bekende kop: Gert Jakobs. In de tour heette hij de super- of meesterknecht. Een bonk spieren. Zelfs zijn imposante bilpartij gaat niet blubberen op oneffen weggedeelten. Ik hoor hem uit over hoge velgen, stuurmanskunst, carbonfietsen, isotone dorstlessers en meer. En ik blijf naast hem fietsen. ‘Hoe classificeer jij dit tempo?’ vraag ik nog snel voordat hij zich laat afzakken naar de volgauto. “Dit peloton rijdt hard.” Om een gemiddelde van 35 te halen moeten de kopmannen boven de veertig komen als ze voor een bocht tot 28 zijn gezakt. Ik zie shirtopschriften als ‘Derrrannn’, ‘Marmotte’ en ‘Klaas-Jan Terwisga fietsenherstelbedrijf’. De stoempers, sjorders en sleurders hebben geen zadeltasje dat hangt te bungelen als het scrotum van een stier maar een extra bidon met reparatiemateriaal. Ik ben de enige met een spiegeltje, bel en ligstuur. Op de kasseien voorbij Wezuperbrug ga ik eindelijk kapot. Gesloopt. Gelukkig.


vijftien concentratiekampen. Tussen ruwweg Papenburg en Lingen v i j f t i e n en er is zowat niets van overgebleven. Heel weinig mensen hebben weet van deze kampen, misschien nog minder dan er katholieken zijn met bijbelkennis. Maar dankzij de inspanningen van Pieter Albers is deze historie ontsloten.
Kameraad is historiegemotiveerd; ik ben fietsgemotiveerd: was het onderwerp baltsrituelen van bedreigde kolibrisoorten in het hoogveen dan was ik ook meegegaan. Pieter Albers is ingehuurd als deskundige. Met de dictie van een scheikundeleraar in rust spreekt hij de groep toe. Deskundig en duidelijk. Hij wordt ondersteund door een ploegje amateurhistorici uit Nieuw Schoonebeek.
In draadstaal gevatte Bentheimer bouwstenen verbeelden een draaikolk. Als de Drentse geschiedenis (Spier 2019) zich herhaalt zal dit werk binnen enkele jaren instorten als gevolg van gebroken staaldraden door een gebrekkig fundament of vandalisme. We fietsen verder naar het stationnetje in Ringe waar Albers ons toespreekt. Na de lunch waarbij we naar een film kijken over de kampen, fietsen we door, geteisterd door onweer en slagregens, naar Neugnadenfeld. Het fietserslint blijft ternauwernood intact. Het scheelt weinig of er ontstaat in plaats van een historische een speurtocht met een veelkoppig monster. We bezoeken een massagraf van Russische krijgsgevangenen. Sobere stenen zonder namen.