
Joyce Zwerver Slanted (metaal en transparant folie)
Als tentoonstellingmaker weet je dat bezoekers gillend wegrennen als ze het woord installatie horen. Toch durft Joost Slijpen van het CBK in Emmen het aan: Joyce Zwerver heeft speciaal voor het CBK in de kleine zaal een installatie gefixt. We zien een stuk of 5 à 6 kubusachtige constructies, ongeveer 2 x 2 x 2 meter, met smalle, witte, kunststof ribben die zijn bespannen met transparante huishoudfolie. Je kunt er omheen lopen. Afhankelijk van de hoeveelheid folie die is gebruikt kun je er eenvoudig doorheen kijken. Je zou er een speciaal gevoel bij kunnen krijgen, ik waan me in een plantenkas die na een storm provisorisch is hersteld.
Dankzij de expositie Uit Zicht, waarvan de opening door vijf handenvol bezoekers werd getrotseerd, ga ik een weekend tegemoet met meer vragen dan antwoorden. Als het CBK Met Uit Zicht bezoekers wil tergen, dan is de missie geslaagd. De begeleidende teksten stellen het incasseringsvermogen van kijkers op de proef, met archaïsche zinnen als: ‘Verf is geen middel om iets uit te beelden, maar verf is meer een doel op zich. Het poëtische werk vertraagt de blik van de toeschouwer. De toeschouwer wordt ook geprikkeld om ook naar zichzelf te kijken.’ Heb je in je verleden veel naar Koot en Bie gekeken, dan tovert je geheugen de typetjes tevoorschijn als dia’s op een klassiek projectorscherm, als verfspatten op een stofjas, als scherven op een museummuur.

Malou Cohen Sticky landscapes (kauwgum van de straat, metaal)
Ik probeer de diepere bedoeling van deze expo te begrijpen en meteen de erbij horende vragen te beantwoorden, wat kunst is, hoe duur kunstwerken mogen zijn, waarom in deze winkel geen prijzen te zien zijn, waarom schoonheid zijn plaats aan uitdaging heeft moeten afstaan, hoe het komt dat iemand gevonden scherven in een cultuurtempel als kunst durft te afficheren, waarom komen er weinig mensen bij de opening en meer. Joost Slijpen durft het aan in Zuidoost-Drenthe. Nog geen half jaar in dienst en hij exposeert spraakmakende, prikkelende kunst. Om met Malou Cohen te beginnen: deze jonge kunstenaar steekt kauwgum met een plamuurmes van de straat, plakt dat op een metalen plaatje en het CBK hangt het aan de muur en vraagt er € 280,- voor. Hetzelfde gebeurt met veelkleurige proppen op straat gevonden papier en platgereden ijzer. Het kleurige scherfje keramiek (€ 30,-) is van een ongekende kleurenpracht, dat dan weer wel. Om kijkers niet te provoceren hangen er geen prijskaartjes bij de voorwerpen, maar is er een lijst die opvraagbaar is.

Malou Cohen Come Back (papier van de straat)
Ik heb me weleens bevraagd of fotografie tot kunst gerekend moet worden. Stel je dezelfde vraag eens bij breiwerken die door een breimachine worden geproduceerd. Of kunstig op een draaiplateau gedraaide potten en vazen. Of op rommelmarkten ingekochte geborduurde werkjes die vervolgens achterstevoren naast elkaar worden gehangen naast een prijskaartje van, zeg maar € 17.500,-. Aan de fotografie van Berndnaut Smilde gingen zoveel artistieke en handvaardige handelingen vooraf dat daarover geen onzekerheid hoeft te bestaan.

Berndnaut Smilde
Het antwoord op de vraag wat kunst is hangt nauw samen met de vragen of het een allerindividueelste expressie is van een allerindividueelst gevoel, waar het wordt tentoongesteld, wat de waarde is, wie het heeft gemaakt, of het niveau van kunstnijverheid wordt overstegen en of het door kunstduiders wordt besnuffeld, beschreven, besproken en vooral: serieus genomen. Of er veel publiek komt kijken is niet zo belangrijk. In de zolderzaal van het CBK, de B-zaal, staat werk van wel honderd noordelijke keramisten. De waarde ervan fluctueert van € 12,50 – € 1.650,-. Van sommige stukken keramiek vraag ik me af of ze niet een verdieping lager, in de A-zaal dus, hadden moeten staan (en omgekeerd vraag ik me bij sommige stukken in de A-zaal af of ze niet naast de kapstok bij de receptie hadden gemoeten).
Naast de neiging publiek uit te dagen constateer ik een zekere luiheid bij het CBK. Zij provoceert trouwe bezoekers door binnen enkele jaren ouwe koeken op te dienen: de gefotografeerde wolken van Smilde (€ 7.500,-) zagen we hier eerder. Waarom dan nu weer in vredesnaam? Het blijven natuurlijk intrigerende werken: op meer dan ingenieuze wijze worden rookwolken in ruimtes met water bij elkaar gehouden en dan snel gefotografeerd, prachtig afgedrukt en aangeboden. De oplage is, vertelt Smilde, vijf of zes stuks. De laatste tijd is hij geobsedeerd door regenbogen, die op de kop, met een puntige driehoeksvorm worden afgebeeld in bebouwde landschappen.
Van Matthew Allen zijn niet zeer uitgesproken canvassen te zien ( à € 1.700,- ’t stuk) met kunstig gepolijst grafiet. En van Martijn Schuppers werken uit de periode 2015 – 2017: acryl, alkyd en olie op polyester canvassen (tussen € 9.000,- en € 12.000,-). Bij Schuppers zou, aldus de zalvende begeleidende tekst, verf meer een doel dan een middel zijn (sic!).
Voor de trouwe bezoeker resteert de intrigerende vraag wat deze vijf kunstenaars in Emmen bij elkaar brengt.











Wat schildert iemand die zijn psyche onderzoekt en de naar boven drijvende wanen, angsten, visioenen, gedachtenspinsels, dromen visualiseert? Precies dat biedt de expositie ‘Dromos’ van Rauch. Alsof je voor een werk van Jeroen Bosch staat. Alsof je de dromennachtboeken van een psychiaterbezoeker leest. Associatieve draden, heen en weer en weer heen flitsende cartooneske beeldverhalen waarin gedold wordt met perspectief, kleur en vorm. Het wordt druk, op het oog onsamenhangend, complex, gelaagd en verwarrend: kunst zoals kunst moet zijn. Aantrekkend en afstotend tegelijk. Bevestigend en contrasterend. Nooit rustig, braaf, toedekkend of lauwwarm. Je moet je afvragen of de wetenschap dat Rauch uit voormalig Oost-Duitsland komt, zichtbaar is. Tussen de oogharen door herken je wat ik industrieel-folkloristische historisch-angehauchte fantoompijn zou willen noemen. Na de horrorschilderijen van Jan Cremer in een vorige, zowel opzienbarende als saaie, expositie in Zwolle is de onmiskenbare kwaliteit en diversiteit van Rauch een plezante verademing.










De inhoud van het vierregelige gedicht ‘Song of the Open Road’ luidt, vrij vertaald: ‘Ik denk dat ik nooit een reclamebord zal zien dat zo mooi is als een boom. Misschien zal ik helemaal nooit een boom zien, tenzij de reclameborden omvallen.’ In het nawoord licht de uitgever toe dat de auteur in 1940 het oorspronkelijke woord ‘misschien’ veranderde in ‘inderdaad’.
Nog twee interessante verwantschapsverbindingen: de titel van het vers is gelijk aan die van een gedicht van Walt Whitman in Leaves of Grass. Song of the Open Road is een parodie op Trees van Joyce Kilmer, waarvan de eerste twee regels luiden: ‘I think that I shall never see / A poem lovely as a tree.’ Het vers in Nash’ moerstaal horen? Men surfe naar 
Zoals Groningen de provincie van het Groninger trekpaard is, Friesland van de Elfstedentocht uit de geschiedenisboekjes, zo ontpopt Drenthe zich als de moeder aller fietsprovincies. De internationale overkoepelende wielerbond UCI (Union Cycliste Internationale) deelt speciale Bike Region Labels uit, een soort keurmerk voor regio’s die ernaar streven en daarenboven erin slagen fietsen te promoten. Drenthe is de eerste UCI Bike Region ter wereld. Drenthe wordt aangeprezen als een toonbeeld van een regio waar veel in fietsen wordt geïnvesteerd. De wielercultuur zit diep in Drenthe verankerd, als de olie onder Schoonebeek. Ook bij het Landelijk Fietsplatform scoort Drenthe vijf sterren. Mooie evenementen dragen bij aan de Drentse status als fietsprovincie, maar ook het uitstekende fietspadennetwerk van meer dan 2100 kilometer. Met de breed gedragen erkenning op zak, maakt de provincie zich op om het WK wielrennen in 2023 binnen te halen. De ambitielat ligt hoog. Dat is in Drenthe weleens anders geweest. Op diverse terreinen wordt gewerkt aan een nog betere inzet van fietsen. Gedeputeerde Henk Brink, met de portefeuilles verkeer en vervoer, economie en vrijetijdseconomie is trots op de koppositie die Drenthe inneemt. 

Martes, seis marzo. Malaga heeft in zijn eentje wat Cordoba, Torremolinos en Antequera samen hebben. En nog wat meer. Een grote, flitsende, open, mooie, cultuurrijke stad. Schitterend aan het water, de Alboránzee, gelegen. Met ondertussen een autovrije of -luwe binnenstad. De laatste twintig jaar is er op dat vlak veel ten goede veranderd. We doen mee aan een ‘free city tour’ van drie uren. Gids Alejandro vertelt met enthousiasme & deskundigheid over de gezellige, ruime pleinen, fraaie straten met de talloze musea en kerken.
Picasso liet hier zijn sporen na als een pas ontdekte Van Gogh in de TEFAF-brochure. Plaza de la Constitucion, Plaza de la Merced zijn je van het. Straatmuziek, met oog voor detail beschilderde schuttingen, lustig betegelde straten, overal is met zorg en oog aandacht aan besteed. Joáo en Breixo doen het even rustig aan. Ze komen uit Portugal en Joao, de muzikant wordt verteerd door liefdesverdriet en ligt het doel van het leven te overdenken. Breixo (23) is vrolijker. Als hij zijn schoolcarrière beschrijft maakt hij
het gebaar van een door de golven laverend schip dat hier en daar een haventje aandoet en alle tijd heeft om het einddoel te bereiken. Ze slapen op het strand. Ik probeer wat voor de mannen te tokkelen op het eenvoudig geconstrueerde instrument. Een strakke staaldraad als een boog gespannen en op het eind een uitgeharde, open kalebas als trommel.
Miércoles siete marzo. De zon beschijnt de daken tegenover ons als een te felle bouwlamp op gipsplaten in een nieuwbouwhuis. Malaga telt zo’n 28 musea. Nou ja, musea, daar zitten dan ook musea bij over Malagese wijn, Andalusische kostuums, het bisschoppelijk paleis en zo meer. De kathedraal, hier bekend als La Manquita, de eenarmige, telt hier zelfs dubbel: èn als museum èn als kathedraal. Dat is een beetje als een ijssalon bij de KvK meetellen als melkverwerkend bedrijf en als genotshuis. Toen we van Antequera naar Malaga reden staken we wel zestien keer een miezerig stroompje over, de Rio Guadalmedina.
Tegenover ons appartement is het uitgegroeid tot een betonnen goot die meestal droog staat en waar Malagezen hun honden uitlaten. Heel soms gaat ergens een schuif open en kolkt er een bruine, licht onwelriekende stroom voorbij, zoals, stel ik me voor, op Twitter na een Forum voor Democratie-discussie.
We bezoeken het CAC, het Centre de Arte Contemporáneo. Een mooi gebouw en een schitterende expositie. Deze maand krijgen Secundino Hernández en de Duitser Stephan Balkenhol de ruimte. Balkenhol toont houten sculpturen. Mannen en vrouwen in erg grote of juist kleine uitvoeringen, los staand in de vrije ruimte of aan de wand gespijkerd. In de vaste collectie zit werk van Norberto Gil, Peter
Halley e.v.a. Na een uurtje in de onderbroek liggen en lezen op het strand gaan we de stad weer in. Ik laat mijn schoenen poetsen en we zien grote en voor deze keer uitzonderlijk goed uitgevoerde graffiti.
Jueves ocho marzo. We dwalen wat door de stad. Bij warenhuis El Corte Inglés is het rustig. Bij Victoria’s Secret demonstreren meisjes, vrouwen en enkele jongens voor de expansie van het feminisme. Ze roepen en zingen vrolijke leuzen, o.a. dat ze vandaag een koopstaking houden. Als het rumoer aanzwelt zien we ze vanuit de verte met bh’s zwaaien als cowboytje spelende jongens met lasso’s. We zijn bijna een maand in Spanje en dan valt je weleens wat op. Als je meer dan zestig jaar in Noord-Nederland hebt gewoond, dan is Spanje een schok. Waar zijn de boodschappentassen, fietsen, zonnepanelen, brievenbussen, stadse geveltuintjes, rollators, snackbars en wekenlange wolkenluchten?
Het weer, de vrouwen, het eten, the way of life, allemaal anders. En de infra. Zet de Drentse keienweggetjes, bolle, kierende Groninger klinkerwegen, brokkelige Coevorder stadsvloer met breuklijnen als in kapot abriglas, eens naast de glimmende blokken graniet en zonbeschenen marmerplaten in voetgangersgebieden in Spaanse steden, dan zie je de verschillen. Het Stendhal-syndroom ligt op de loer als verkoudheid in september.
Viernes, nueve marzo. Heel traag klimt de zon omhoog op de muren als ik naar de
bakker op de hoek loop. Ik koop hetzelfde als gisteren en eergisteren en betaal drie keer een ander bedrag. Het winkelmeisje en ik verbazen ons er niet over. Ze vindt het vreemd dat ik haar plastic tasje afwijs. Voor Spanjegangers staat altijd wel een markt op het menu, als kikkers voor reigers. Wij bezoeken Mercado de Atarazanas in het oude deel van Malaga. Vlees, vis en vers gestapelde aardbeien. Buiten zit een geduldig wachtende koopvrouw met fresia’s. We eten liefdeloze tapas op een plein en bezoeken dan het museum van Malaga’s beroemdste inwoner, de uitvinder van het kubisme:
Picasso, de beste kunstenaar van de 20e eeuw? Het overzichtelijke museum toont alle zijden van Picasso: (zelf)portretten, vrouwen, geometrische werken, sculpturen van mensen, stieren en duiven. Na dit bezoek zie je allerlei Picassoësque invloeden, waar je ook kijkt. We maken een uitstapje naar Rincon de la Victoria. Als we ooit nog eens in Spanje gaan wonen, dan hier. Op fietsafstand van Malaga, gelegen naast de zee en minder druk dan Torremolinos. We spreken
Sergio Santamaría, oud-speler bij FC Barcelona en nu werkzaam als inmobilario. Hij vertelt gespeeld te hebben met De Boer, Kluivert sr. en getraind onder Van Gaal. Als ik hem niet gelovend aankijk zegt hij: ‘Google me.’
Sábado diez marzo. Bewolking trekt over Malaga. De wereld lijkt somber, als de toekomst van ontmaskerde kalver- en mestfraudeurs. Toch trekt de stad ons weer aan. Het worden vandaag winkels en overdekte mercado’s. Mijn bewondering voor marktkooplui, meestal profi’s en soms losvaste amateurs, is groot. Met liefde voor je product asperges uitgestald in een kruiwagen: klasse!
Boekhandels hebben wel de stokoude El Ciclista van Krabbé maar de nieuwste van Vincent Werner niet. Goede
schoenen, een paraplu en een lichte regenjas zorgen ervoor dat we de straten zowat voor ons alleen hebben. Een fraaie graffito met een schildpad en een donna hebben op ons hetzelfde effect als een rap: als je herkent dat er meer tijd aan is besteed dan vijf minuten infantiel, seksistisch gebroddel met bier en een pilletje of twee, vallen ze vaak mee. Deze vitale schildpad lijkt weg te zwemmen uit een door
GreenPeace bewaakte, want ultraschone, rioolbuis terwijl moeder Maria er wat weer-, hulpe- en hopeloos bij staat met geloken ogen. Met de gemeenteraadsverkiezingen in zicht zie ik een poster van de Partij voor de dieren voor mij, starring Marianne Thieme als Maria. Net even buiten oud-Malaga vind je moderne kantoorgebouwen die je ook in Düsseldorf, Gent of Almere-zuid aantreft.
Daarna bezoeken we de onneembaar lijkende vesting La Alcazaba en het Teatro Romano. La Alcazaba, een van oorsprong Moorse burcht, werd uiteindelijk door de christenen na een lang beleg, overgenomen. De geschiedenis toont aan dat door de eeuwen heen, religies een garantie waren voor kamp, strijd en agressie.
Lunes, doce marzo. De zon is slapjes ingekapseld tussen grijze en donkere wolken, als de CDA-principes tussen wat Buma kan en wat hij wil. Torrox en Nerja staan op de reislijst. Uiteindelijk halen we Nerja niet, maar Torrox, Torrox Costa en Lagos wel. Torrox ligt tegen een heuvelrug geplakt. Voetgangers die de nauwe straatjes ingaan nemen beter een kompas mee. Ook met harde wind bekoort de kust. De zon kruipt uit zijn schulp en koestert ons.
Martes, trece marzo. Boven de 18, 19, 20 graden verandert het straatbeeld. Er zijn
aanmerkelijk meer straatmuzikanten. De kwaliteit van de muziek wisselt nogal. We beluisteren een gitarist die na een half Beatlesnummer met zijn gitaar rondgaat, een zanger van operamuziek met een versterker, een cellist die zijn muziekstudie op straat praktiseert, en enkele begenadigde gitaristen die, gadegeslagen door Maassluise vertegenwoordigers van de ‘red hat society’ (“Er kunnen
enkel vrouwen lid worden; we komen maandelijks bij elkaar en onze stelregel is: we zeuren, klagen en roddelen niet en iedereen draagt iets paars en een rode hoed,”), prachtige Spaanse flamencomuziek spelen. Als we even niet kijken groeit de groep van twee naar drie spelers.



steenklompen zoals hunebedden op ons doorgaans de aantrekkingskracht hebben als Staphorster klederdracht op een lingeriefetisjist, bekijken we toch de folder over dolmens in Antequera aandachtig. De folder en de regen slagen erin ons vandaag thuis te laten blijven. Het wordt een dagje lezen en later de stad bewandelen. We zien conventen met gesloten deuren, prachtig betegelde halletjes, door amandelbloesem begeleide vergezichten en fitnessapparaten in de vrije ruimte. Die zie je in deze regio alom.









Op de begane grond de verplichte, misbare, archeologische brokken, scherven en stukken. Op de eerste verdieping

een dode emigrant naast zijn schamele bezittingen, heel veel troosteloos en treurniswekkende collecties dozen, opgestapelde meubels en kastjes. Ze willen je een verhaal vertellen dat veel verder gaat dan dat van de obligate kerkvaderen twee verdiepingen lager. De verwijzing naar de spullen die na deportaties van vele Joden in WOII overbleven, is glashelder. Toral klaagt de terroristische barbarij aan en noemt daarbij Daesh oftewel I S bij naam.

helemaal vrij. Ik heb nu alle tijd.
’s Morgens ga ik hier zitten, op mijn in plastic zakken verpakte twee slaapzakken. Dit is alles wat ik heb. ’s Middags om ongeveer drie uur, krijg ik een warme maaltijd van een heel aardige Braziliaanse vrouw. Ik slaap op straat, dat wil zeggen bij de overkapte entree van een gerechtsgebouw, je weet wel, zo’n straatje waarlangs ze verdachten naar binnen brengen.” Terwijl we doorpraten verander ik van houding en ga even op de tegels zitten. Ik wil niets romantiseren, maar Wolfgang maakt bepaald geen zielige indruk. Terwijl ik met hem praat, worden er geen munten in het voor hem staande doosje geworpen. “Spanje bevalt me heel goed, het weer is prima. Nee, ik heb geen computer. Ik had een mobieltje, maar dat is kapot. Spanje heeft geen sociaal vangnet voor mensen als ik. Wel kun je per week drie warme maaltijden krijgen in steden als Antequera. Als ik me wil douchen, neem ik voor een nacht een kamer in een hostel, voor ongeveer € 15,-.” Zonder het te merken zijn we overgegaan van het Engels op het Duits. Wolfgang: “Ik spreek vijf talen: Spaans, Duits natuurlijk, Engels, Portugees en een heel klein beetje Nederlands.” Als ik wegga en hem groet geef ik hem mijn kaartje met (website)adres, kan hij het nog een keer nalezen. Ik besef dat ik hem in gedachten niet een bedelaar zou noemen, maar, eeh, een vrije dakloze. “Wolfgang, alles gute!”








