Fietsdagboek II flirten bij een rouwdienst

De tweede week gaat in: dagelijks 50 kms. Na veertien dagen zit ik op 701 kms. Mijn benen, de Giant en de Sensa stribbelen niet tegen. Als priesters, rabbijnen en dominees koester ik mijn rituelen, maar ik prevel er minder bij en ik ben voor religievrij onderwijs. Vooraf check ik de bandenspanning: altijd een halve bar onder de max. Na thuiskomst poets ik de fiets, smeer de ketting en vertroetel de beenspieren in bad; ik buig, rek, strek als een yoga-instucteur in een vrouwenuurtje.

Voor het eerst wordt het kouder en mistig. Mijn bril is als het zicht van Baudet: troebel. Ik doe 52, 53, 43, 52, 72, 19 en 55. Mijn bidon laat ik thuis. Voor een tweeuursrondje hoef ik niet een pond water mee te nemen. Startte ik vroeger als een Jillertanemaïst uptempo, nu bouw ik de vaart op. Ik heb er een bloedhekel aan te worden ingehaald. Na een kilometer of vijf ben ik op temperatuur en lig (op de Sensa) of hang (op de Giant) lekker in de beugels en laat mijn gedachten vieren.

Op donderdag denk ik: waarom doe ik dit. De wind maakt het zwaar en net vandaag wil ik 70-plus doen. In mijn rechterknie voel ik een pijntje, mijn onderrug kraakt als een droge scharnier en mijn beenspieren zijn strakke vislijnen. Mijn hoofd zegt: gaan. Vragen poppen up: waarom meisjesbesnijdenissen wel en die van jongens niet verboden zijn. Waarom in de gouden Ruttejaren (’15 – ’18) met stagnerende lonen, exploderende winsten met economische groei van 2 – 2,9 % meer dan de helft van de Nederlandse bedrijven in de rode cijfers zat, waarom slaapcentra in ziekenhuizen voor mensen met apneu nu ‘twijfelachtige zorg’ worden genoemd. Net geen ‘onzinnige zorg’ (dat bestaat ook, zorg die geen zin heeft), maar het scheelt niet veel. Misschien dat lichte apneu de kant van hyperventilatie opgaat. Waarom zijn er zo weinig plattelanders met een zerowastemindset?

Terwijl ik op maandag langs het Amsterdamsche Veld schicht richting Oosteindische Landen of op dinsdag via Barnflair naar Burgemeester Bensdorp, op woensdag langs Boermastreek en Kakenbroeken, op donderdag van Schimmelarij langs Sombroeken, Katshaar en Pikveld, denk ik terug aan een recent bezochte rouwdienst waarbij ik met een sexy kosteres flirtte, of meende te flirten, tot ik doorkreeg dat haar geknipoog niet voor mij maar voor de regisseur was bedoeld. Zij was van mijn leeftijd, wellicht iets jonger. Ik ben niet een man die alleen naar jonge vrouwen kijkt. Ze had roodgestifte lippen en prachtig gelakte nagels, met zo’n laagje gel dat onder een lamp wordt aangebracht en dan, naar de nagelranden uitlopend, uithardt en er een verdikt laagje op achterlaat dat wekenlang meegaat, zoals je soms de restanten van een druppel vette olie op een derailleuronderdeel ziet of een druppel koel glazuur op een warme pas gebakken cake. Deze lippen/nagel-combi wordt best gedragen door een vrouw die weet wat ze doet. Net als ik mijn fantasie de vrije loop wil laten, ik fantaseer dat zij in het schemerige kerkhalletje onder het klokluiderstouw na de rouwdienst met die nagels, vlijmscherp hoop ik, als Thaise curry, over mijn rug en staalharde bovenbenen krast en rode streepjes tekent als de scheermesjes van de zichzelf snijdende hoofdpersoon Jude St Frances (uit ‘Een klein leven’ van Hanya Yanagihara); (als deze auteur de helft van de 750 pagina’s had gedeletet zou ik zeggen: lees dit boek!), net op dat cruciale moment zie ik achter mij die verrekte regisseur, een hork, die, geheel aan mijn lust tot flirten in een godshuis voorbijgaand, de dienst opneemt en de geheime tekens van de kosteres interpreteert.

Op vrijdag freewheel ik wat op de Gazelle en bezoek een fysiotherapeut die mijn triggerpoints in de benen kalmeert met dry-needles en op zaterdag recht ik mijn rug nabij Vlieghuis en Katshaar en schud mijn armen en schouders los.