Ruim dan ook je sleutels op

Het zit hem in de woorden ‘dan ook’. De zin ‘Ruim je sleutels op’ is een gebiedende wijs die in elk huwelijk klinkt. Staat er ‘dan ook’ bij dan is sprake van een sleur, een gewoonte en je verwacht erachteraan te horen ‘hoe vaak heb ik dat niet gezegd.’

In 1994, ik was 38, schreef ik het gedicht De erfenis / Hoe je over dertig jaren bent / werd mij in ’t echt nog niet / gevraagd, godzijgedankt, al / kwelt het mij bij vlagen wreed / omdat ik het antwoord ken, / zonder spoor van twijfel: / dan ben ik mateloos dement. / Je erfenis luidt: naam, moedertaal / soms zelfs broeder God en zijn gebod, / maar ook, diep weggeborgen / in je genen huizen nare trekjes, / word je voor niks aangeslagen / door ongewenste kwalen.

Een man van begin zestig zie ik. Onrustige ogen en handen. Moeilijk te verstaan. Ik vind hem onmiddellijk sympathiek. Hij staat naast een pony in een paardenwei. Iets verderop een schuurtje, een scheef hangend hek en in de verte een passerende trein. Een minuut later loopt hij onrustig heen en weer voor zijn huis. Zijn stem luider nu maar vele malen onverstaanbaarder. Als de camera op hem inzoomt begrijp ik dat hij de huissleutel kwijt is. Hij oogt als een fabrieksarbeider die nabij zijn eigen huis wordt gefilmd. De voice-over praat me bij. De man is dementerend. Ik schrik, want ik zie mijn toekomstige zelf, tenminste als de genen mij niet bedriegen. Mijn twee beppes waren door dementie aangetast als eikenhouten planken door houtworm, hoewel, beppe Jelske kon ook gewoon een geestesziekte hebben gehad, maar de immer psalmen zingende beppe Tjitske was, zoals mensen die niks van dementie moeten hebben, vaak zeggen: zo dement als een deur.

De vrouw van de man komt in beeld. Zorgelijk kijkend en meer langs haar man in het niets pratend dan tegen hem. Zeker, ze heeft het zwaar. Zo sympa als ik de man vind, zo naar vind ik haar. Zelden zag ik zo weinig liefde en compassie. Gedurende de documentaire zie ik haar eenmaal d’r man aanraken, terwijl ‘s mans lichaamstaal schreeuwt: houd me eens vast, knuffel mij, raak me aan.

Zonder me in te spannen leef ik met de man mee en word ik verdrietiger. Ik zie zijn ongeluk, kwetsbaarheid en opgeslotenheid in de schemer van zijn gedachten. Alles wat hem plezier geeft wordt hem afgenomen. Hij heeft een eigen plekje met een pony, wat scharrelkippen; een paradijsje. Een biotoop waar elke zorgboerderijeigenaar een moord voor zou plegen. De man rookt en morst weleens wat shagrestjes, iets wat zijn vrouw woedend maakt.

Gek, maar alles wat zij doet kan op mijn hoon rekenen. Ik doe mijn best iets positiefs van haar te zien, maar het lukt me niet. Mijn medelijden met de man groeit met de minuut. Ik ontdek dat hij wordt gefilmd door zijn zoon. Ineens komt een makelaar in beeld. Makelaars betekenen doorgaans slecht nieuws. En ja hoor, de vluchtheuvel wordt verkocht. Ik schreeuw door de kamer: doe het niet, sukkels. Zijn droefheid word heviger en slaat op mij over.

De ruwste scene is voor de deur van een inrichting voor dementerenden. De man ijsbeert en weigert, gelokt door een accordeon spelende vrijwilliger, naar binnen te gaan en vloekt luid, onverstaanbaar. Met pilletjes wordt zijn gevoel gedempt en zoals zijn tegenstribbelende pony achterstevoren de trailer in werd geduwd op weg naar de paardenslager, zo wordt hij de inrichting ingedreven, ingeschoven bijna. Aan het eind van de film slaat zijn filmende zoon een arm om hem heen. Beiden worden zeer emotioneel. Binnen een jaar na opname overlijdt de man.