Matthias Havinga op het Hinsz orgel te Leens (7 augustus 2021)

Wow, goed man, Havinga spot met alle in de orgelsport heersende wetten en begint met het lekkerste: Sweelincks ‘Est-ce mars’. Het klinkt prachtig. Superieur op het superieure Hinsz orgel in de voor dit orgel wel erg kleine kerk in Leens. Havinga benadert tot op de millimeter de versie van The Royal Wind Music op blokfluiten (op de cd The Flute-Heaven of the Gods). De kerk is inderdaad niet groot, zittend in het koor zie je de bovenkant van het orgel zelfs niet. Een deel van de bezoekers, de echte liefhebbers dan, zitten met de rug naar het orgel toe. Die luisteren wel zonder naar de trompetterende engeltjes te kijken.  Maar de meeste luisteraars willen de orgelpijpen tellen en wat te zien hebben, die zitten in het koor.

Voor orgelfetisjisten is deze ongewone opstelling gewoon, maar voor neo’s natuurlijk niet. Orgelmuziekliefhebbers vinden weinig vreemd. Zoals ook bijna niemand het raar vindt dat je voor € 12,50 entree (en € 2,50 voor een programmaboekje met de allerkleinste lettertjes) geen koffie krijgt maar wel een door de nagalm zo goed als onverstaanbaar prevelement van de voorzitter en van de organist himself. L a n g z a a m spreken zou helpen.

Goddank vergoedt de muziek veel. Kristusziele, wat klinkt dit orgel mooi. Vooral als het bespeeld wordt door Havinga die geen last van stijve vingers heeft. Kou, onweer en bliksemflitsen dragen bij aan de sfeer en dus het genot. Havinga’s registrant houdt de lange jas maar aan terwijl hij toch beweging genoeg krijgt door regelmatig van links naar rechts te moeten rennen achter het orgel langs over houten vloeren die voor een extra krakende, gezellige, authentiek-Groningse roffel zorgen. Heerlijk.

Ik zit naast een big brother-jongeman die als een spijbelende gamer achteroverhangend sexy joysticks manipuleert en joekels van witte camera’s in de kerk laat bewegen. You-Tube-filmpjes in productie. Groene nerveus knipperende lampjes verraden de camerarichting, zodat je weet wanneer je niet lonkend moet knipogen naar een tegenover je zittende bezoeker of een gaap, vinger in kriebelende natte neus of frons moet onderdrukken.

We luisteren naar een mooi klassiek programma met als jongste uitschieter Henk Badings (ook al weer een halve eeuw dood hoor), veel Bach en een vleug Sweelinck in dit speciale Sweelinckjaar met ‘Est-ce mars’ als uitschieter. Om je heen kijkend slaat toch de schrik je om het hart. Het programmaboekje doorbladerend zie je meer subsidieverstrekkers dan bezoekers om je heen. Tevredenheid en verontrusting strijden om voorrang. Mooi hoor dat al die ex-calvinisten hun zieleheil afkopen met een fikse stroom euro’s voor het örgel, maar waarom doen orgelorganisaties geen moeite om een nieuw publiek aan te trekken? Ik zou zeggen: kijk eens rond in de evenementenindustrie. Rondkijkend verwacht ik dat de laatste orgelmuziekliefhebbers over tien jaar zullen zijn bijgezet in de Hogelaander graftombes. Maar dan zijn de filmpjes er nog, hopelijk.