Reitemakersrijge 5

Tegenover ons staat kunstacademie Minerva. Een instituut dat etaleurs, leraren tekenen, textiele werkvormen (bestaat dat nog?) en handvaardigheid opleidt. En een enkele kunstenaar misschien, maar welke kunstenaar heeft nou een opleiding nodig? Of gaan we fotografie ineens ook tot de beeldende kunst rekenen? Onthoud: op technische knopjes drukken in de kunsten is net zo nep als opgevoerde formule-I-auto’s tot sport rekenen. Ooit van een topschrijver gehoord die naar de schrijversavondschool ging en van een geüpdatet Word-programma bestsellers ging produceren? Uitzondering: Nicolien Mizee.

Op het Pomphuisterras kijken we onze ogen uit. Vrolijke jongens en meisjes komen drankjes  brengen maar weten niet dat het bier letterlijk in het Pomphuis wordt gepompt met een uit een vrachtauto bungelende slang die niet onderdoet voor blusinstallaties van Sicilianen en Zuid-Grieken. In het water varen buikige, gezonnebrilde mannetjes voorbij. Armkettinkjes, veel te korte zwembroekjes en halskralen als bosjesmannen. De kapiteins-Iglo zijn bedekt met  tattoos en kielhalen nog liever hun altijd bloedmooie partner dan dat ze het stuurwiel voor een seconde uit handen geven. Ik maak het gebaar van voetbaltrainers die spelers willen wisselen. Smachtende vrouwenogen werpen me dankbaar en begripvol onzichtbare, liefdevolle kushandjes toe maar durven geen protest aan te tekenen tegen hun sturende bewindvoerder.

Aan de overkant van de A stopt een scooter met twee bijna twaalfjarigen. De pas gejatte paarse Vespa Primavera RST met camelkleurige buddyseat, hebben ze nog niet echt in de macht. Het theorie-examen voor bromfietsen is, zonder hulp van de koranschool, voor hen even onbereikbaar als een foutloos ingevuld belastingbiljet voor hun grote, drillrappende broers. Ze kijken verschrikt om zich heen en trekken de klep naar beneden als Danny Buys na een verloren wedstrijd tegen FC Emmen. De achteropzitter, een beduimelde enveloppe in de zwetende knuistjes, vloekt binnensmonds, krijgt een por en dumpt een zending prefab joints in de brievenbus en hoopt dat de 109 ademloos fotograferende terrastijgers, van wie ook bijna niemand de koranschool heeft afgemaakt, hem niet herkennen. Drugsrunners zijn als geldezels. Zodra ze vrouwen kunnen beledigen gaan ze van school en verschansen zich bij de zoveelste aanhouding achter het argument van kansenongelijkheid als Limburgers die altijd hebben vertrouwd op en geloofd in de door henzelf verzonnen Mutti Maria en het hebben verdomd de dijken op tijd te verhogen. Hoe wreed klinkt soms het Gronings: “Wel nait wol diek’n mout wiek’n.”