Identitijd, 7 feb – 8 april in CBK Emmen

De tentoonstelling ‘Identitijd’ toont werk van zo’n honderd kunstenaars uit Drenthe en Overijssel. De term grensoverschrijdend betekent hier dus provinciegrensoverschrijdend. Als ik verder lees, kom ik erachter dat in Emmen enkel Drentse kunstenaars grensoverschrijdend exposeren, dus meer een vorm van gemeentegrensoverschrijdend. De kunstwerken van gevorderden, studenten, amateurs en profi’s hangen en staan gebroederlijk en gezusterlijk naast elkander aan de muren in drie CBK-ruimtes. Tegen betaling van €40,- mochten de kunstenaars iets inbrengen, variërend van minuscule objecten tot joekels van triptieken. Toeschouwers betalen niets. De werken worden gejureerd door het publiek en door een vakjury, die, blijkens de begeleidende tekst, let op opvallendheid en bijzonderheid. Kwaliteit staat hier niet bij. De beste (bijzonderste/opvallendste) tien krijgen een masterclass aangeboden. Van vijf kunstenaars hangt een naamkaartje bij de werken. Die doen niet mee bij de jurering. Als je vaker in het CBK komt herken je vanzelf werk van bepaalde kunstenaars. Ik zie werk van anonieme amateurs naast werk van anonieme profi’s (waaronder een docent aan de AKE die ook in een Noord-Nederlands museum exposeert). Voor mijn gevoel wringt dat een beetje: een gloedvolle amateur in competitie met een beroeps. Maar soit. Ik maak enkele ronden en neem alles in me op. Ik zie een staalkaart aan kwaliteiten, technieken, materialen en vormen. Het begrip ‘kunst’ wordt hier breed genomen. Je kunt je natuurlijk afvragen of videoproducties en fotografie tot de beeldende kunst gerekend kunnen of moeten worden, maar hier mag het er allemaal bij, de grens wat nou wel of niet kunst is wordt in ieder geval overschreden.

Mijn top-zes:

Drieluik: Stamboom, Tijd, Woestijn; gemengde techniek

Op 6: Een drieluik genaamd (v.l.n.r.) Stamboom, Tijd, Woestijn; gemengde techniek;

 

 

 

 

Op 5: Neftis’3, 4 en 5; keramiek;

Neftis’ 3, 4 en 5; keramiek

 

 

 

 

 

Op 4: Autoband met klok; gemengde techniek;

gemengde techniek

 

 

 

 

 

Op 3: Meisje, IJsje; acryl

Meisje, IJsje; acryl

 

Op 2: Wia van Dijk: Levensringen; digiprint op digibond;

Wia van Dijk, Levensringen; digiprint op digibond

 

 

 

 

 

 

Op 1: Tussentijd; acryl

Tussentijd; acryl

 

Fryske Matthäus Passion, Drachten De Lawei 27 maart 2018

Wat is er mooier dan de Mattheus Passion in je moerstaal beluisteren? Misschien een weekend op een onbewoond eiland met Carola Schouten. Op dinsdag 27 maart laten we ons inpakken door de prachtige muziek van Bach, uitgevoerd door het Noord-Nederlands Concertkoor, meer dan een handvol solisten, het Noord-Nederlands Orkest, het Martini Jongenskoor uit Sneek en dat allemaal onder leiding van dirigent Reinhard Goebel. De Lawei is uitverkocht, zelfs meer dan uitverkocht. Omdat enkele vrijkaarthouders niet komen opdagen kunnen dubbelgeboekten alsnog een plaats krijgen. Voor mij is dit, ongetwijfeld dankzij het Fries, de beste Mattheus die ik tot nu toe hoorde, met de tangoversie van Jan Rot op de tweede of hoogstens derde plaats. De teksten zijn liefdevol en kundig vertaald.

Bezoekers in Drachten krijgen een programmaboekje uitgereikt waarin de zangers niet zijn vermeld. Jammer, deze zuinige onvolledigheid. Van de solisten en dirigent zijn mooie flatteuze jeugdfoto’s opgenomen. En dat brengt mij bij het enige manco van de Mattheus Passion. Over Bachs muziek, de teksten, de uitvoering door de zangers en musici niets dan lof. Er wordt altijd veel geredekaveld over de tempi in Bachs werk, godzijdank houdt dirigent Goebel de vaart er lekker in, dat houdt de zangers ook beter bij de Friese les. Helaas contrasteert het vlotte muziektempo met de presentatie. Die gooit ons een eeuw terug. Natuurlijk is de beroemde lijdensweg en kruisiging geen lolletje maar daartegenover staat dat de erop volgende wederopstanding toch een vorm van een happy end is.

We zien alle uitvoerende deelnemers in stemmig zwart. Klassieke muziek blijft liefhebbers met deze sombere verkleedpartij op een afstand houden. De leden van het jongenskoor niet natuurlijk, die lijken zoveel op engelen dat ze een wit overhemd mogen dragen. Als je goed kijkt zie je wat protestkleuren. De dirigent, de strengste van het geheel en dus iemand van wie je het niet zou verwachten, draagt een rode buikband die hem op een stierenvechter doet lijken en, what’s more, hij draagt rode sokken. Hij probeert nog wel om ze aan het zicht te onttrekken door heel foute ca 20 cm te lange broekspijpen, maar bij het voorjaarshupje dat hij maakt als hij de bok bespringt toont hij het rood, ongeveer als de blosjes op de dameswangen op de eerste twee rijen. Bas Maarten Koningsberger (die in de pauze alom Jeroen van Koningsbrugge wordt genoemd) draagt een longblazer en met zijn strenge looks heeft hij het uiterlijk van een 19e -eeuwse patriciër die het lachen is vergaan, maar graag zingt en dat bovendien verrekte goed kan. Sopraan Johannette Zomer toont een voorliefde voor een punky kapsel: prachtig die springerige dwarse lokken. Al met al is het een stijve boel op de planken en dat weerspiegelt zich in de zaal: oud, wit, stram, grijs, ingehouden is in de meerderheid, als SP’ers in Oss. Het zou zoveel luchtiger en aantrekkelijker en, inderdaad sexyer kunnen.

Slotkoor

De meeste musici, allen profi’s en koorzangers kunnen hun partij natuurlijk wel dromen. Dus waarom dan zo aanhoudend koekeloeren in de partituren? Weg ermee zou ik zeggen, vort met de papieren. Sommige koorzangers zijn zo papiervast dat ze zelfs bij door iedereen gekende passages hun ogen aan het papier vastnagelen als Jezus’ voeten aan het kruis. Musici klampen aan hun muziekstandaard als Kamerleden aan de katheder bij hun maidenspeech. Een uitzondering was Georg -Jezus – Gädker die, als hij niet zong, vrijmoedig doch met gekwelde blik de zaal in keek, alsof hij zijn nieuwste scharrel ontdekte die het met een ander aanlegde. Je zal zien dat wanneer er meer vanuit het hart en minder vanaf het papier wordt gespeeld, de muziek gaat winnen aan expressie, aan gevoel.

Het publiek moet bij de Passiemuziek zijn handen fijnknijpen omdat applaudisseren ‘not done’ is. Als je rondkijkt zie je bevroren mensen die niets liever willen dan meedeinen, meeneuriën en af en toe, vooral na de zoveelste geslaagde solo, eelt op de handen klappen. Maar men doet het niet. Het mag niet. De ongeschreven gedragscode luidt: sacraal, stijf, bevroren, ingehouden negentiende-eeuws, Als uiteindelijk na afloop dan een klaterend applaus klinkt, voelt dat als een bevrijdende, orgastische ontlading, maar aan de houding van de dirigent te zien komt het applaus te vroeg.

Neo Rauch Museum de Fundatie Zwolle 21 jan – 3 juni 2018

 Wat levert twintig jaar kwasten in voormalig Oost-Duitsland Neo Rauch, – Neue Leipziger Schule – op? Een expo in de Overijsselse provinciehoofdstad met 65 schilderijen die allegorische geschiedenissen vertellen, bijna alle geschilderd in bestorven kleuren, soms lomp, soms haarscherp, maar nooit gelikt als de eveneens grote en hedendaagse verhaalschilderijen van Stone Roberts (American Dream, Assen). Het zijn een soort zoekplaatjes geworden waarop je, er rustig voor staand, steeds meer ontdekt, zoals je, een boek van Tommy Wieringa of Jeroen Brouwers lezend, steeds meer vindt. Alles is los te zien maar samengeklonterd levert het meer op.  Directeur Ralph Keuning (gesteund door toezichthouder Rogier van Boxtel) had alles uit de kast gehaald om publiek te verleiden te komen. In tv-spots hoorde je hem dwingend “U moet komen!” roepen. Nu zal een deel van de bezoekers ongetwijfeld gehoorproblemen hebben, maar er zouden grenzen moeten zijn aan de marketingstrategie. Vooruit dan maar.

Wat schildert iemand die zijn psyche onderzoekt en de naar boven drijvende wanen, angsten, visioenen, gedachtenspinsels, dromen visualiseert? Precies dat biedt de expositie ‘Dromos’ van Rauch. Alsof je voor een werk van Jeroen Bosch staat. Alsof je de dromennachtboeken van een psychiaterbezoeker leest. Associatieve draden, heen en weer en weer heen flitsende cartooneske beeldverhalen waarin gedold wordt met perspectief, kleur en vorm. Het wordt druk, op het oog onsamenhangend, complex, gelaagd en verwarrend: kunst zoals kunst moet zijn. Aantrekkend en afstotend tegelijk. Bevestigend en contrasterend. Nooit rustig, braaf, toedekkend of lauwwarm. Je moet je afvragen of de wetenschap dat Rauch uit voormalig Oost-Duitsland komt, zichtbaar is. Tussen de oogharen door herken je wat ik industrieel-folkloristische historisch-angehauchte fantoompijn zou willen noemen. Na de horrorschilderijen van Jan Cremer in een vorige, zowel opzienbarende als saaie, expositie in Zwolle is de onmiskenbare kwaliteit en diversiteit van Rauch een plezante verademing.

Soms lijken de beeldverhalen onaf of tegennatuurlijk gemixt: we zien een door elkaar lopende schotel met als ingrediënten kermistaferelen, aangetaste natuur, religieuze dan wel communistische symboliek, maskerades in donker licht, Maria’s vermomd als mannenbroeders, gevleugelde gnomen, sombere tafelkleden onder oplichtende waxinelichtjes, musicerende blinden, draderig poepende hondachtigen met mannenkoppen, drilboren als microfonen als palingen als dolfijnen, verbogen spoorrails onder zware luchten, rokende schoorstenen, fotografische doorkijkjes op enkel-, heup-, knie- of schouderhoogte…. Kortom never a dull moment.

De expo wordt toegelicht met quasi-filosofische quatsch: ‘Also das Kunstwerk ist etwas, was man nicht wollen kann, sondern das geschieht. Man kann ja den Löwenzahn auch nict anbauen.’ Een paardenbloem vergelijken met een door mensenhanden gewrocht kunstwerk: hahaha.

In een begeleidende film zien we de kunstenaar in zijn atelier met het formaat van een fabriekshal zijn werk doen: de kwast in de hand die verstopt is in een lashandschoen.

(¹) Een dromos is een toegangsweg naar een tempel met aan weerszijden een rij sfinxen.

 

 

 

 

Randje Drenthe

Zoals Groningen de provincie van het Groninger trekpaard is, Friesland van de Elfstedentocht uit de geschiedenisboekjes, zo ontpopt Drenthe zich als de moeder aller fietsprovincies. De internationale overkoepelende wielerbond UCI (Union Cycliste Internationale) deelt speciale Bike Region Labels uit, een soort keurmerk voor regio’s die ernaar streven en daarenboven erin slagen fietsen te promoten. Drenthe is de eerste UCI Bike Region ter wereld. Drenthe wordt aangeprezen als een toonbeeld van een regio waar veel in fietsen wordt geïnvesteerd. De wielercultuur zit diep in Drenthe verankerd, als de olie onder Schoonebeek. Ook bij het Landelijk Fietsplatform scoort Drenthe vijf sterren. Mooie evenementen dragen bij aan de Drentse status als fietsprovincie, maar ook het uitstekende fietspadennetwerk van meer dan 2100 kilometer. Met de breed gedragen erkenning op zak, maakt de provincie zich op om het WK wielrennen in 2023 binnen te halen. De ambitielat ligt hoog. Dat is in Drenthe weleens anders geweest. Op diverse terreinen wordt gewerkt aan een nog betere inzet van fietsen. Gedeputeerde Henk Brink, met de portefeuilles verkeer en vervoer, economie en vrijetijdseconomie is trots op de koppositie die Drenthe inneemt. 

Voorbeelden van oude en recente fietsprojecten in Drenthe:

  • De Ronde van Drenthe, een monument van bijna zestig jaar oud;
  • Drenthe 200, een ultramarathon voor mountainbikers, fatbikers, cyclocrossers;
  • Een keur aan nieuwe fietsroutes: drenthe.nl/fietsen;
  • De inmiddels veertig jaar oude Gouden Pijl (men leze ‘Veertig Gouden Pijlen’ 2017);
  • Een nieuw fietstracé op de VAM-berg in Wijster, binnenkort uit de ontwikkelfase als een tweejarige uit de luiers, met hellingen van 8 – 13 % inclusief kasseienstrook;
  • Randje Drenthe, tien routes van ca 60 km, twee gekoppelde routes van 135 en 170 en de ultieme tocht van 255 km: fietssport.nl;
  • Cycling Valley, het fietsmekka van Noord-Nederland wordt ontwikkeld in Roden;
  • Para-Cycling World Cup, na 2017, dit jaar in juli en in 2019 de wereldkampioenschappen te Emmen;

Voor meer informatie: www.opfietseindrenthe.nl;

Plaza Tendillas, Cordoba

bachelor-party-tijgers

Het is zaterdagmiddag, twee uur. We gaan zitten op een door de zon verwarmde marmeren bank op het mooie Plaza Tendillas. Lekker even een boek lezen in de zon. Het is er gezellig druk. We zien mensen die naar een feest gaan, oude wandelaars, uitbundig goed geklede bejaarden, bachelor-partytijgers, jongeren die wat rondhangen, een meisje dat de nagels van een hondje vijlt door het liefdeloos achter zich aan te sleuren, opa’s die duiven voeren en een handvol toeristen. Iedereen lijkt tevreden en gelukkig. Ik zie geen jongeren die hun gezichten verbergen onder hoodies met bontkragen.

drie aardige jongens

Geen rondraggende scooters te zien. Ik probeer met passanten een gesprekje te voeren over het leven in Spanje. Eerst spreek ik drie aardige jongens aan. Hun Engels en mijn Spaans blijven achter bij onze bereidheid tot praten. Dan drie iets oudere personen, van wie er één wat Engels spreekt. De mevrouw van wie ik de leeftijd op 19 à 20 schat blijkt 39 jaar oud te zijn. We lachen er allemaal hartelijk om. Ze

links de 39-jarige

werkt zes dagen per week acht uur per dag bij een groenbedrijf. Ze is zeer tevreden met het leven in Cordoba. Mijn Spaans is te slecht voor een vlotte conversatie. Als ik net weer begin te lezen komen er vier jongeren op me af. Een microfoon vastgeknoopt aan een mobieltje. “Mogen we u wat vragen over het beroep van ….. leraar?” “Tuurlijk, leuk. Maar daarna wil ik jullie wat vragen.”

Carmen, Maria, Miguel en Juan zijn vijftien jaar oud en ze zitten in het laatste jaar van hun schoolopleiding. Na dit jaar gaan ze naar het twee jaar durende Bachillerato en daarna willen ze naar de universidad, in Cordoba, Madrid, Jerez en Granada. Ze kiezen merendeels voor grotere steden dan Cordoba, want die zijn interessanter. De gewenste studierichtingen zijn: marketing, onderwijs, digital design en piloot. Ze vinden alle vier het leven in Cordoba prima. Het is een fijne en gezellige, kleine stad. Het onderwijs voor jongeren is gratis. Op Juan na, denken ze in de toekomst allemaal in Spanje te blijven. Juan overweegt Amerika. Cordoba is een veilige stad, tenminste het centrum. Misschien dat enkele andere wijken wat minder veilig zijn. Natuurlijk is er in Spanje sprake van een hoge jeugdwerkloosheid, maar alle vier zijn het erover eens dat als je hard wil werken en studeren, er banen te krijgen zijn. “Het ligt ook aan jezelf.” Als ik ze vraag naar hun politieke voorkeuren noemen er drie de nu regerende P P, de Partido Polular, en Miguel weet het nog niet. Zonder aarzelen noemen ze desgevraagd de naam van Mariano Rajoy als Spanjes eerste man.

Carmen, Maria, Juan, Miguel

Ook zijn ze het er alle vier over eens dat de Europese Unie goed is voor Spanje en voor de andere Europese landen. Dezelfde munteenheid en gemakkelijk reizen zijn belangrijke voordelen. Misschien dat eruit stappen voor Engeland wel beter is. Opvallend is dat ze niet (meer) actief sport beoefenen. In het verleden wel. Genoemd worden dansen, basketbal, volleybal en voetbal. Naast FC Barcelona en Real Madrid wordt Real Betiz genoemd als favoriete voetbalclub.

DAGBOEK Gouden Pijl 2016

Een dag voor de Pijl wandel ik door Emmen en praat met enkele mensen over fietsen. Ik luister en noteer. Het is de tijd van e-bikes. We zien in de krant reclames voor dit type fietsen voorbijkomen met Joop Zoetemelk en televisiedier Anita Witzier. Voor reclames voor zadelpenmotortjes lijkt het nog wat te vroeg. Het is de tijd van Olympische Spelen, de Gouden Pijl zit ingeklemd tussen de wegwedstrijd en de tijdrit als een deur in een klemmende sponning. Zou Bauke Mollema op tijd terug zijn uit Rio? Het zijn ook spannende tijden voor het Gouden Pijl-bestuur met voorzitter Roelie – we houden niet van vergaderen – Lubbers. In een interview met het Dagblad van het Noorden vertelt ze: “Ik doe het nu sinds 2010. Het is echt leuk om naast mijn baan te doen. Ik houd van leuke evenementen organiseren en laat me niet leiden door enige wielerkennis, haha. Ik vind het juist goed dat niet het hele bestuur uit wielermensen bestaat.”
2016. Het is de tijd van een achttienjarige amateur die in Neuss (Duitsland) een criterium wint voor profi’s als Fränk Schleck, Emanuel Buchmann en Nikias Arndt. Gert Jakobs zegt hierover: “Die drie profs die daar aan de leiding reden, waren een stel klunzen. Zij hadden in de laatste tien rondes de gashendel moeten opendraaien, zodat die jongen er nooit bij kon komen. Ik vind het mooi dat die jongen wint, maar in onze tijd was dat nooit gebeurd.”
Terug naar Mollema, Ik heb iets met Mollema. Zoals Mollema vroeger van Zuidhorn naar Groningen fietste, reed ik van Kollum naar Dokkum. Zoals Mollema quasi argeloos volwassen kerels voorbij jakkerde, twee vingers in de neus, zo probeerden wij (eind jaren zestig, op het traject Kollum – Dokkum) de aftandse Harley van biologieleraar Germs bij te houden en (in mijn verbeelding) in te halen. En zo probeer ik nu als zestigplusser met losse handen twintigers fietsend in de stad voor te blijven. In de Tour heeft Mollema al aangegeven graag in de GP te rijden. Hij wordt dé publiekstrekker op negen augustus in Emmen. Tot zijn val in de Tour is hij de grote uitdager van winnaar Christopher Froome (waar was Froome trouwens zonder zijn helpers in de Olympische Spelen?)(*) Uiteindelijk wordt Mollema 11e in Parijs. Koersdirecteur Anne Knol: “Noordelijke renners mogen altijd bij ons starten.” Na contacten met Managementbureau Cycling Service, dat de contracten regelt, wordt duidelijk wie nog meer in Emmen komen rijden. Na de valpartij van Mollema had de Groningse hoogleraar Bert Otten gesuggereerd dat een slipcursus en een lesje in herkenning van gladde stukken asfalt geen slechte zaak zou zijn voor ‘de noordelijke berggeit’. Volgens Mollema is dat overbodig. “Een slipcursus, wat moet ik daar nou mee? We gaan straks eerst naar Rio en daarna gaan we evalueren wat er goed en fout is gegaan in deze Tour, al is dat laatste wel duidelijk denk ik.”
Toch denk ik dat een wetenschappelijke benadering van technische vaardigheden (in grote vaart van een helling afdalen, bochten rijden, vallen) nut kan hebben in de wielersport. De aanpak van dit soort vaardigheden is nog een ondergeschoven kindje in de wielrennerij. Vergelijk het eens met de wetenschappelijke aanpak van de materialen: pakken, helmen, fietsen worden met de grootst mogelijke precisie gefabriceerd en aangepast na steeds opnieuw testen en opnieuw onderzoeken in laboratoriumachtige opstellingen, door wetenschappers. Te vaak worden allerlei verantwoordelijkheden in de wielrennerij op het bord gelegd van ploegleiders, heel vaak renners die in die positie worden gemanoeuvreerd, zonder adequate scholing en voorbereiding. Was het niet Co Adriaanse die over het gemis aan kwaliteiten bij ex-profvoetballers die trainer wilden worden al zei: een goed paard maakt nog geen goede ruiter? Nog wat Mollema-nieuws: Bauke gaat in Monaco wonen (maar waarom zou hij dat nou doen?) en fietst met Froome en Weening in Surhuisterveen. Mooi dat Greipel (winnaar slotetappe Tour de France met als bijnamen ‘de gorilla’, sprintkanon, topsprinter), er in Emmen bij is.

Aan tafel bij de middagetappe bespreken we de relatie sport en commercie. Dat de Rabobank de Gouden Pijl sponsort: dikke prima. Maar een middelbare school die een voetbalclub subsidieert : no way, daar zijn mijn tafelgenoten het over eens. De bank zegt zelfs trots te zijn om tussen de krant en de gemeente te staan als hoofdsponsor. Kijk, denk ik, dan doe je het als GP-organisatie goed, als je sponsoren het zo zeggen.
Rob Harmeling wordt door dagvoorzitter Henk ten Oever geïnterviewd over winnen en over de mythe van wielrennen en meer specifiek: criteriums. Als ik zijn verhaal beluister moet ik weer aan wat ik noem de mythe van de GP denken. “Elke periode kent zijn geheimen. In mijn periode was het zo dat de Tourwinnaar ook de criteriums moest winnen en niet een lokale renner. Er werden afspraken gemaakt, slagen genoemd. Soms waren er wel vier of vijf slagen. Wielrenners raakten ervan in de war. Wielrennen is een mix van vertrouwen en wantrouwen. Wielrennen is een spiegel van het leven, sport liegt niet en is keihard. In het bedrijfsleven gaat het er zachter aan toe. Wat levert ons kikkerlandje de laatste tijden een kwaliteit aan fietsers. Vergelijk dat eens met Frankrijk dat na Hinault eigenlijk niks meer heeft gehad.”
Peter Ouwerkerk, journalist en sportschrijver, noemt wielrennen: “Straattheater, opera, ballet, kunst, literatuur. Wielrennen staat gelijk aan veel verhalen, waarin fictie, factie en frictie door elkaar lopen.” Hij toont een foto waarop prominenten als Relus ter Beek gebroederlijk naast Ruud Lubbers aan de Gouden Pijl-start staan. Those were the days.
Renate Groenewold vertelt dat voor € 15.000.000,- het WK wielrennen in 2020 naar Drenthe en Groningen kan komen. “Als er voldoende fondsen van overheid en bedrijven bij elkaar geharkt kunnen worden, wordt er in december 2016 een bidbook aangeboden bij de UCI. De provincies Drenthe en Groningen en de gemeenten Emmen, Assen en Groningen doen mee. Als het breder getrokken kan worden, met meer bedrijven en meer evenementen erbij, waarom zou het dan niet lukken?”
Terug naar de Gouden Pijl. Wat maakt de Gouden Pijl de Gouden Pijl? Ik ga het vragen aan een vijftiental ervaringsdeskundigen. Jolanda de Vries: “De GP heeft een plekje in mijn hart. Mijn vader stuurde indertijd een werkgroep bij de GP aan, samen met Peter van Putten. Als kind heb ik van alles voor de Pijl gedaan en ik liep stage bij de Emmer Courant. Nu zijn we sponsor en ik ben een wielerliefhebber.” Mariële de Wind: “Ik woon in Emmen en ben hier met een vriendin. We komen voor de gezelligheid en de leuke sfeer.” Mevr. A. Pleiter: “We wonen nog niet zo lang in Emmen. We gaan met vrienden de stad in. Mijn man is een verwoed fietser en ik vind het altijd leuk met hem mee te gaan, wielrenners ken ik niet, het is gewoon gezellig.” José Koster: “Ik werd uitgenodigd door deze meneer naast mij, Peter Koster en mijn werkgever Mieke Prins, ik ben intercedent bij een uitzendbureau. Wat de Pijl oplevert? Nieuwe netwerken, we zijn een jong bedrijf en we zijn op zoek naar een nieuw publiek en nieuwe klanten.” Lisa Pintus: “Ik ben hier met mijn beste vriendin. De GP is een feest met vrienden, het is gezellig en we houden van de livemuziek. Bauke Mollema gaat winnen, hoor.” Hassna Benimalek: “Ik werk bij WildLands en ben hier op uitnodiging van de bank. Het is voor mij de eerste keer. Het is een mooi evenement, maar een echte relatie met wielrennen heb ik niet, het is bij uitstek een gelegenheid om te netwerken.” Daniëlle Hugen: “Wij zijn sponsor van de Pijl. Het is prachtig de sport zo van dichtbij mee te maken. Bauke Mollema gaat winnen want die heeft hier nog niet gewonnen. Waarom hij naar Monaco is verhuisd? Vanwege het lekkere weer en de fiscale voordelen?” Johanna Kelder: “Samen met mijn man Jans (die in zijn vrije tijd landgeiten fokt) zijn we voor de eerste keer bij de GP. Ik ben gepensioneerd gymlerares. Ooit waren we ook een keer bij een criterium in Boxmeer, ik volg het wielrennen in de Tour de France wel hoor.” Kim de Vries: “De GP is een heel goede plek om mensen te spreken en te genieten van de renners die in Emmen een fantastische wedstrijd laten zien. Emmen wordt zo goed naar buiten gebracht. Mijn favorieten zijn Kjeld Nuis en Bauke Mollema. Geraldine Otter: “We zijn hier op uitnodiging van onze bank. Volgende week komen we, vanuit Sleen, in Emmen wonen. Mijn man is fotograaf. De GP is erg leuk, ook mooi vanwege de link Olympische Spelen en wielrennen. Nu zie ik van dichtbij hoe hard ze eigenlijk gaan. Het is leuk erbij te zijn, het zakelijke is niet direct de insteek.” Rosa Kuilder: “Ik heb twintig jaar in Emmen gewoond, nu woon ik in Groningen en ik kom elk jaar naar de GP. Ik heb geen zakelijke relatie met de Pijl, maar mijn vader had die wel gedurende zestien jaar. Ik heb het altijd al leuk gevonden en sinds een jaar ben ik zelf wielrenner, ik maak tochtjes van 40 à 50 kilometer en haal dan zo’n 25 km/u. O ja, en ik was negen jaar geleden zelf rondemiss!” Steintje Hamstra: “De laatste tijd lees ik veel over het verschijnsel ‘Mamilf’(**) en ik wil nu weleens in het echt de jongere variant van deze mannensoort zien.” Heleen Klein: “Mijn man kreeg een uitnodiging voor de Pijl via zijn werk in Tynaarlo, ik ben hier dus via via. Het is voor mij de eerste keer. Leuk om Bauke te zien.”
Rondemissen Ellen Boskma en Dagmar von Pickartz Ik vraag hun of het niet eens tijd wordt om, net als in 2009, naast een rondemiss een rondemister aan te stellen: “Goed idee, leuk voor het jubileum volgend jaar. We hebben weleens gehoord van misterverkiezingen, jongens zouden het waarschijnlijk leuk vinden. Het is traditie dat Miss Emmen rondemiss bij de Gouden Pijl is. Het is één van de leukste dingen die verbonden zijn aan het rondemiss zijn. Je bent dan een jaar lang verantwoordelijk voor allerlei activiteiten in Emmen en na een jaar is er weer een ander. Ja, een rondemister: goed plan.” Zo, nu hoort u het ook eens van iemand anders. Begin 2017, bij de vrouwenwedstrijd van de Amstel Gold Race worden ook rondemisters ingezet . Uit 15.000 aanmeldingen worden twee rondemisters geselecteerd. Aan de voorwaarde dat ze moeten meefietsen in de toerversie van de AG-Race hebben ze voldaan. Bruno Bobbink en Ingo Douwma krijgen de gelegenheid en de eer winnaars Anna van der Breggen, Puck Moonen en Ellen van Dijk op het podium te kussen. Maar laten we vooral niet vergeten dat in de Gouden Pijl van 2009 ook een rondemister actief was: Miroslav Koncalovic.
Hé, daar is Bauke Mollema: “Bauke, waarom bent u naar Monaco geëmigreerd?” Na de lange sessie met RTV-Drenthe maakt hij het nu wat korter: “Waarom niet? Ik moet toch ergens wonen, hè?” Mollema, een voorbeeld van verfijnde nuchterheid. Zou me niks verbazen als hij Touretappes gaat winnen.
(*)In de wegwedstrijd op de Olympische Spelen in Rio de Janeiro wordt Froome twaalfde, op bijna 3 minuten van winnaar Greg Van Avermaet. Vier dagen later rijdt Froome als een van de favorieten de individuele tijdrit. Hier behaalt hij, net als in 2012, de bronzen medaille. Hij eindigt één minuut en twee seconden achter winnaar Fabian Cancellara en vijftien seconden achter de nummer twee Tom Dumoulin.

(**)Middle Aged Men In Licra Fibres

Diversen

Het was in de tijd dat personeelsvergaderingen genotuleerd werden in een gemarmerd schrift. In lokalen en de leraarskamer werd volop gerookt. Over personeelsuitjes werd vier keer plenair vergaderd. Aan het begin van de personeelsvergadering werden de notulen voorgelezen. Er dreigde een schriftelijke herstemming over het reisdoel. Het werd een diner-dansant te Haren. Ik was drieëntwintig en van de generatie die zich er op liet voorstaan niet te kunnen dansen. Stijldansen. En van diner-dansants had ik geen weet. Toch ging ik, single met een extreem hoge hormonenhuishouding, mee. Ik wilde alles meemaken en enkele vrouwen van collega’s vond ik ronduit leuk. Op twee na waren alle collega’s getrouwd. Deze twee collega-singles lieten de beker van het diner-dansant aan zich voorbij gaan.

In de bus stond de muziek op tien. Luide gesprekken over voetbaluitslagen, Kruisinga, de onbetrouwbare Van Agt, de neutronenbom, de vakbond en een mogelijke fusie met een andere MAVO. De collega Frans wilde ons doen geloven dat multipropriété de voorloper was van timesharing. Als de roostermaker even met de chauffeur stond te praten hoorde ik geweeklaag over roosters. Veel vrouwen keken naar het voorbij vliedende landschap en zuchtten onophoudelijk, praatten met andere vrouwen over de overgang terwijl ze in de spiegelende ruit hun haren schikten. Mannen droegen terlenkabroeken, vaak met minimaal één uitgewreven vetvlekje, en een overhemd met een stropdas die uitkierde vanonder een spencer. Sommigen in pak. Vrouwen droegen rokken met een vest of jurken, een enkele een broekpak. Velen hadden een plastic tasje bij zich. Ik droeg een wijde rode trui en een verschoten spijkerbroek. Mijn lange haren gekortwiekt tot op de kraag. Af en toe kwam er een vrouwelijke collega of een vrouw van een collega naast me zitten. Waar ik vandaan kwam, of de flat beviel, wat ik van gewest tot Gewest vond en of ik Bibebs laatste interview had gelezen. Ik voelde me een vreemde eend, licht exotisch. Maar de plaats naast mij bleef zelden lang onbezet. Prettig, maar toch een beetje raar.

In een zaaltje, waarin alles crèmekleurig was, stonden lange tafels opgesteld. De helft van de zaal een dansvloer. Ik wilde net met de directeur in discussie gaan omdat hij om ‘even stilte alstublieft’ had gevraagd aan het begin van de maaltijd. En dat op een openbare school. Alsof het was afgesproken kwamen de plastic tasjes tevoorschijn. Dansschoenen. Na de vermicellisoep vroeg Lonka mij ten dans. Nee zeggen werd niet op prijs gesteld merkte ik, want mijn stoelleuning werd al een kwartslag gedraaid. ‘Ik weet dat je niet kan dansen, maar volg mij maar.’ We verbleven meest aan de wat donkerder zijde van de zaal, het verst af van de eettafels. Grote vingerplanten zorgden voor een besloten, bijna intieme sfeer. Het bandje speelde bekende Nederlandstalige muziek, schlagers noemden we die. Wie niet danste, kletste of kaartte. Van kaarten hield ik niet en de gesprekken waren flauw. Lonka had lange benen. Ze korfbalde. ‘Dank je,’ zei ze, ‘straks nog een keer?’ ‘Tuurlijk,’ antwoordde ik.

Een stukje zult met brood was een tussengerecht. Ik at met smaak, want ik had altijd trek. Tussen twee gangen door kon ik net twee glazen bier drinken. Dansen maakte dorstig. ‘Kom je mee?’ vroeg Mette. ‘Mijn man zit toch maar te kaarten.’ Ik volgde haar over de Heugavelt-tegels naar de gladde vloer, de grens werd gemarkeerd door een metalen stripje. ‘Niet struikelen,’ hield ik mezelf voor. ‘Doe je hand maar iets lager,’ en vooral niet zwengelen met je linker hand, dat weet je toch?’ Mijn rechterhand deed wat ze mij vroeg. Mijn vingers betastten voorzichtig een dichte rits op haar rug. ‘Je walst al goed, hoor.’ Ze rook prima. Soms voelde ik haar bovenbeen, vooral net voor een complexe draai. Als ik kon, zocht ik vaker een hoek om nog een keer te draaien. Nog steeds bleven we wat uit het zicht, buiten de kijklijnen. Ik combineerde in mijn hoofd het ritme met de passen en probeerde niet hardop te tellen. Dat ik werd geleid, daarvan had ik geen idee. ‘Jij houdt zeker ook niet van toepen,’ hoorde ik.

Na elke gang werd er muziek gespeeld, gekaart en gedanst. In die tijd werden op de tafels de naambordjes verwisseld en kreeg iedereen een nieuwe plaats. Bo had de lijsten gemaakt, begreep ik. Ik kwam, realiseerde ik me achteraf, steeds naast iemand te zitten die me vervolgens ten dans vroeg. De derde gang was een stuk varkenshaas, gebakken aardappeltjes en sperziebonen omwikkeld met een stukje spek. Die nieuwe Franse cuisine sprak me wel aan. Van Louise, naast mij, nam ik wat vlees over. ‘Dan mag je straks met mij dansen,’en ze knipoogde. Louise droeg stiletto’s. Ze lachte schaterend, want deze betekenis kende ze nog niet. Bij deze dans werd ik een beetje van haar af geduwd en vervolgens naar haar toe getrokken. Soms botste ik licht tegen haar aan en moest ze mij opvangen. Dat kon ze goed. Haar hele lijf leek te veren. Zacht, maar toch stevig. Van de drie was zij de soepelste. Ik dacht dat het vanaf de zijlijn al een beetje vloeiend leek. Het rumoer in de kaartershoek zwol aan. Driekwart van de mannen kaartte. Ik zag veel koppels van dansende vrouwen. Nooit twee dansende mannen. Louise begon me dingen uit te leggen, lastige dansprincipes. Bij een nieuw nummer paste ik haar aanwijzingen toe. De wals was de gemakkelijkste en mijn onzekerheid ebde weg.

Na een kwartier klonk de gong alweer. Nu zat Bo naast mij. Bo droeg een rode jurk en halfhoge pumps. Haar man gaf een vak dat veel leerlingen moeilijk vonden. Hij keurde haar geen blik waardig. Het dessert bestond uit fruit en ijs dat op spiegels klaar stond. Veel mannen sloegen het over. Ik nam vooral veel van de aardbeien en stukken meloen. Het sap droop langs mijn polsen. Naast mij hoorde ik gesmak. ‘Wil je nog een stukje van mij?’ Bo wachtte mijn antwoord niet af. ‘Kom, we gaan,’zei ze zacht maar dwingend. Voorbij de plantenbakken zei ze: ‘Leg je hand maar onder mijn riem, dan beweeg je niet zo veel.’ De riem zat niet strak gelukkig. Iets lager en ik voelde haar linker bil. Als ik mijn hand wat bewoog, glimlachte ze. Bij elke draaiing schuurden haar bovenbenen tegen mij aan. Alsof het gewoon was, alsof het zo hoorde. Ze trok me veel strakker tegen zich aan dan de voorgaande vrouwen. Dansen begon echt leuk te worden.

Terug in de bus was de sfeer suf. Ik zag drie collega’s slapen. Bo zat nu links van mij. Haar man had een oude KampeerKampioen uit het tijdschriftennetje gevist en bestudeerde opstaptreetjes voor nieuwe caravans. Toen ze opstond om de chauffeur aanwijzingen te geven over de route, er moest iemand in Valthe worden afgezet, zag ik de lijst met de tafelschikking uit haar tas steken. Bij vier namen zag ik een asterisk en in de rubriek diversen een hoofdletter K. Daarnaast het woord ‘dansen’.

(Namen, ach, namen. Bo, Mette, Louise en Lonka zijn geënt op bestaande personages.)

Diever

1967. Mijn tweelingbroer Folkert en ik waren elf en mem was zwanger van iemand die later Auke Piet ging worden. Hij was na Jelske, Piet, Tjitske, de tweeling Klaas en Folkert en benjamin Jacob het laatste kind in ons gezin en maakte het zevental compleet. Van op vakantie gaan kon geen sprake zijn, want mem leed aan hoge bloeddruk. En wat dokter Van Akkeren ook kwam meten bij ons thuis, de druk bleek veel te hoog. Ik hoorde nog dat heit dokter Van Akkeren adviseerde vaker een nieuwe auto te kopen omdat dat belastingtechnisch aantrekkelijk was. In de hal rekende hij contant met de huisarts af. In het dorp ging het verhaal dat de dokter een ‘dure’ vrouw had. Dat hij niet kerkte vond niemand raar, men fluisterde dat zijn vrouw uit Brabant kwam en Brabants was, net als Limburgs, gelijk aan rooms. ‘De jongens mogen misschien wel kamperen bij tante Tet en oom Folkert in Diever,’ opperde heit. Dan kunnen Jelske en Tjitske misschien bij oom Tinus en tante Tet terecht. Piet had weer eens geluk, die hoefde niet op vakantie.

Oom Tinus en oom Folkert hadden samen een tent. Het mocht. Of mijn tweelingbroer en ik daar heel blij van werden, dat vraag ik me af. We werden blij van elkaar en van spelen. Een vakantie thuis was pas echt vakantie. Hele dagen voetballen op het Edemaveldje, pijl-en-boog-gevechten met de openbaren in het Witwaterplantsoen, meisjes hun broek laten uittrekken in het schoollaantje, slager De Vries laten schrikken door een ingepakte dode mol op de toonbank te leggen en dan te zeggen: ‘Dit had mem niet besteld,’ vliegers leren maken, boer Benedictus helpen met koeienuiers wassen, een tent bouwen op de vliering en dan vanuit het dakraam in de goot plassen, een vuurtje stoken met benzine die we uit Daan Wiersma’s brommer tapten. Wat we ervoor terug kregen was een sobere vakantie onder de dennenbomen. En langere gebeden en Bijbellezingen na de maaltijden dan thuis. Maar met zijn tweeën konden we alles aan, dus ook logeren bij oom Folkert en tante Tet. Oom Folkert was dorpstimmerman in Nes en organist in de gereformeerde kerk. Hij neuriede de hele dag psalmen, soms zelfs meerstemmig. Hij begon dan bijvoorbeeld met de melodielijn van ‘Looft heer nu allen god’, stopte abrupt, keek nadenkend omhoog, het hoofd wat schuin en zei: ‘Ho,’ en vervolgde met de tweede stem. Daarna keek hij even zuinigjes en glimlachte als beide stemmen in zijn hoofd spoorden. Vervolgens ging hij verder met ‘Zingt allen saam van godes grote naam.’ Tante Tet had immense borsten. Als ze zich bukte, wat zelden voorkwam, had ze moeite overeind te komen, oom Folkert ging dan achter haar staan, maakte kraanwagengeluiden, pakte haar onder de oksels vast en hees haar overeind. We zagen eens twee stoffen puntzakken aan de waslijn hangen. Volgens Folkert was dat tante Tets b.h.

De tent was een huisjestent in Diever, met een zelfgemaakte voortent van transparante lappen landbouwplastic. Het kostte drie mannen een hele zaterdag om de tent op te zetten. Tentpalen gingen een halve meter de grond in, vloerkleden werden strak getrokken, de Friese vlag werd gehesen en duimdikke scheerlijnen aan bomen geknoopt. Niet voor niets heette dit een huisjestent, hoewel winkeltent een betere benaming zou zijn. Of, vanwege de doorzichtige luifel: etalagetent. Heit wachtte nog steeds op onze reactie. ‘Maar dan willen we wel op de fiets gaan,’zei Folkert, die had geleerd hoog in te zetten. Tot onze grote verbazing mocht het direct. ‘en elk een rijksdaalder mee voor ijsjes,’voegde ik er aan toe. ‘Een daalder elk,’antwoordde heit, gewend aan gehaaide onderhandelingstechnieken, ‘maar ook trakteren, hè.’ Op onze doortrapfietsen helemaal naar Drenthe. Folkert een groene en ik een zwarte. Beide zijn gemoffeld bij fietsenbedrijf EKMI in Kollum, aan de Eyso de Wendtstraat. Ik heb lang gedacht dat Ekmi een voornaam was van één van de gebroeders Van der Ploeg, maar nu weet ik het: Eerste Kollumer Moffel Inrichting. Ik kan me nu nog delen van de route in herinnering roepen. Dat we voorbij Oosterwolde de weg vroegen en zeiden, ‘we komen helemaal uit Friesland,’en dat de boerenarbeider, die aandachtig aan zijn achterwerk krabde, zei, ‘maar dit is ook Friesland hoor.’

Bavianenman

De toppen zijn voor u niet hoog genoeg,
Men komt u gretig vlooien, aaien, luizen
Een rauwe sneer voor wie zich niet gedroeg
Wie u hier treft wil enkel maar verhuizen

bij u wordt ieder automatisch onderdaan
Regeren, heersen, is u aangeboren
en wie uw wensen wilde misverstaan
wordt en public gewassen en geschoren

u fronst uw ogen, spitst vol achterdocht de oren
uw harde handen jeuken permanent
uw opponent heeft al vooraf verloren
druipt af, bindt in, staat stil, voelt zich ontkend.

Maar als u staat, valt iedereen snel op:
uw trotse stok: niet langer dan een vingertop;
• Een mini-apparaat, al staat hij fier rechtop;
• Uw mannending is zelfs rechtop een fletse flop;
• Uw pielemuis: een rozerode speldenknop;
• Uw speeltoestel verliest het van een spinnenkop;
• Verzuipt uw korte joystick in een vinger sop?

De koepel

Veel koepels staan op lome, lege kerken
Of zijn de daken van een nor of lik
Maar echte koepels staan op markten, pleinen
Zo weten jan en alleman en ik

Daar wordt gedanst, gedroomd, gemusiceerd
Getapt, gepraat, gedronken, gejongleerd
Gezoend, gebikt, gelikt, gediscussieerd,
Gecopuleerd, heel soms geürineerd
En vanaf nu, vandaag, gedeclameerd.

De nieuwe koepel op de markt in Emmen
Wordt bruisend, schuimend, centrum van cultuur,
Van fluisterende, hese jongensstemmen
Met in de verte geur van de frituur
Voor zieners, blinden, dansers, clowns, jongleurs
Voor profi’s, semi’s, hele amateurs

Hier arriveerden meer dan twintig sinten
Verdeelden snoepgoed, al te veel cadeaus,
Hier trouwden lesbo’s, homo’s, hetero’s.
Er wordt gezwaaid met lange, luie linten,
Met vaandels, soms drijft er één ‘n oude hoepel.
Kijk nu: riet nieuw, en verf in zachte tinten
Maak dat hij slijt: die mooie,nieuwe KOEPEL