Diever

1967. Mijn tweelingbroer Folkert en ik waren elf en mem was zwanger van iemand die later Auke Piet ging worden. Hij was na Jelske, Piet, Tjitske, de tweeling Klaas en Folkert en benjamin Jacob het laatste kind in ons gezin en maakte het zevental compleet. Van op vakantie gaan kon geen sprake zijn, want mem leed aan hoge bloeddruk. En wat dokter Van Akkeren ook kwam meten bij ons thuis, de druk bleek veel te hoog. Ik hoorde nog dat heit dokter Van Akkeren adviseerde vaker een nieuwe auto te kopen omdat dat belastingtechnisch aantrekkelijk was. In de hal rekende hij contant met de huisarts af. In het dorp ging het verhaal dat de dokter een ‘dure’ vrouw had. Dat hij niet kerkte vond niemand raar, men fluisterde dat zijn vrouw uit Brabant kwam en Brabants was, net als Limburgs, gelijk aan rooms. ‘De jongens mogen misschien wel kamperen bij tante Tet en oom Folkert in Diever,’ opperde heit. Dan kunnen Jelske en Tjitske misschien bij oom Tinus en tante Tet terecht. Piet had weer eens geluk, die hoefde niet op vakantie.

Oom Tinus en oom Folkert hadden samen een tent. Het mocht. Of mijn tweelingbroer en ik daar heel blij van werden, dat vraag ik me af. We werden blij van elkaar en van spelen. Een vakantie thuis was pas echt vakantie. Hele dagen voetballen op het Edemaveldje, pijl-en-boog-gevechten met de openbaren in het Witwaterplantsoen, meisjes hun broek laten uittrekken in het schoollaantje, slager De Vries laten schrikken door een ingepakte dode mol op de toonbank te leggen en dan te zeggen: ‘Dit had mem niet besteld,’ vliegers leren maken, boer Benedictus helpen met koeienuiers wassen, een tent bouwen op de vliering en dan vanuit het dakraam in de goot plassen, een vuurtje stoken met benzine die we uit Daan Wiersma’s brommer tapten. Wat we ervoor terug kregen was een sobere vakantie onder de dennenbomen. En langere gebeden en Bijbellezingen na de maaltijden dan thuis. Maar met zijn tweeën konden we alles aan, dus ook logeren bij oom Folkert en tante Tet. Oom Folkert was dorpstimmerman in Nes en organist in de gereformeerde kerk. Hij neuriede de hele dag psalmen, soms zelfs meerstemmig. Hij begon dan bijvoorbeeld met de melodielijn van ‘Looft heer nu allen god’, stopte abrupt, keek nadenkend omhoog, het hoofd wat schuin en zei: ‘Ho,’ en vervolgde met de tweede stem. Daarna keek hij even zuinigjes en glimlachte als beide stemmen in zijn hoofd spoorden. Vervolgens ging hij verder met ‘Zingt allen saam van godes grote naam.’ Tante Tet had immense borsten. Als ze zich bukte, wat zelden voorkwam, had ze moeite overeind te komen, oom Folkert ging dan achter haar staan, maakte kraanwagengeluiden, pakte haar onder de oksels vast en hees haar overeind. We zagen eens twee stoffen puntzakken aan de waslijn hangen. Volgens Folkert was dat tante Tets b.h.

De tent was een huisjestent in Diever, met een zelfgemaakte voortent van transparante lappen landbouwplastic. Het kostte drie mannen een hele zaterdag om de tent op te zetten. Tentpalen gingen een halve meter de grond in, vloerkleden werden strak getrokken, de Friese vlag werd gehesen en duimdikke scheerlijnen aan bomen geknoopt. Niet voor niets heette dit een huisjestent, hoewel winkeltent een betere benaming zou zijn. Of, vanwege de doorzichtige luifel: etalagetent. Heit wachtte nog steeds op onze reactie. ‘Maar dan willen we wel op de fiets gaan,’zei Folkert, die had geleerd hoog in te zetten. Tot onze grote verbazing mocht het direct. ‘en elk een rijksdaalder mee voor ijsjes,’voegde ik er aan toe. ‘Een daalder elk,’antwoordde heit, gewend aan gehaaide onderhandelingstechnieken, ‘maar ook trakteren, hè.’ Op onze doortrapfietsen helemaal naar Drenthe. Folkert een groene en ik een zwarte. Beide zijn gemoffeld bij fietsenbedrijf EKMI in Kollum, aan de Eyso de Wendtstraat. Ik heb lang gedacht dat Ekmi een voornaam was van één van de gebroeders Van der Ploeg, maar nu weet ik het: Eerste Kollumer Moffel Inrichting. Ik kan me nu nog delen van de route in herinnering roepen. Dat we voorbij Oosterwolde de weg vroegen en zeiden, ‘we komen helemaal uit Friesland,’en dat de boerenarbeider, die aandachtig aan zijn achterwerk krabde, zei, ‘maar dit is ook Friesland hoor.’

Bavianenman

De toppen zijn voor u niet hoog genoeg,
Men komt u gretig vlooien, aaien, luizen
Een rauwe sneer voor wie zich niet gedroeg
Wie u hier treft wil enkel maar verhuizen

bij u wordt ieder automatisch onderdaan
Regeren, heersen, is u aangeboren
en wie uw wensen wilde misverstaan
wordt en public gewassen en geschoren

u fronst uw ogen, spitst vol achterdocht de oren
uw harde handen jeuken permanent
uw opponent heeft al vooraf verloren
druipt af, bindt in, staat stil, voelt zich ontkend.

Maar als u staat, valt iedereen snel op:
uw trotse stok: niet langer dan een vingertop;
• Een mini-apparaat, al staat hij fier rechtop;
• Uw mannending is zelfs rechtop een fletse flop;
• Uw pielemuis: een rozerode speldenknop;
• Uw speeltoestel verliest het van een spinnenkop;
• Verzuipt uw korte joystick in een vinger sop?

De koepel

Veel koepels staan op lome, lege kerken
Of zijn de daken van een nor of lik
Maar echte koepels staan op markten, pleinen
Zo weten jan en alleman en ik

Daar wordt gedanst, gedroomd, gemusiceerd
Getapt, gepraat, gedronken, gejongleerd
Gezoend, gebikt, gelikt, gediscussieerd,
Gecopuleerd, heel soms geürineerd
En vanaf nu, vandaag, gedeclameerd.

De nieuwe koepel op de markt in Emmen
Wordt bruisend, schuimend, centrum van cultuur,
Van fluisterende, hese jongensstemmen
Met in de verte geur van de frituur
Voor zieners, blinden, dansers, clowns, jongleurs
Voor profi’s, semi’s, hele amateurs

Hier arriveerden meer dan twintig sinten
Verdeelden snoepgoed, al te veel cadeaus,
Hier trouwden lesbo’s, homo’s, hetero’s.
Er wordt gezwaaid met lange, luie linten,
Met vaandels, soms drijft er één ‘n oude hoepel.
Kijk nu: riet nieuw, en verf in zachte tinten
Maak dat hij slijt: die mooie,nieuwe KOEPEL

Stamboomvorser

Wat was de stamboomvorser zonder dood?
Een visser op het droge; een hoge
ome zonder pet, een schrijver zonder ogen,
een workaholic met Berufsverbot.

Daar gaat hij weer, al zestig en nog vief,
op speurtocht door een stapel folianten,
notulenboeken, fiches, oude kranten,
verliefd op duisternis in het archief.

Als hij zich weer eens dagen had begraven
in krochten van een ver verleden, vol
bloedverwanten die zich overgaven
aan echtelijke twist en moord op achterlijke neven

dan schrok hij op en peinsde liefdevol:
nog meer dan van de dood hield hij van ‘t leven.