Jongbloedvaart

O Jongbloedvaart, o mooie Jongbloedvaart;
je waterkant, je sensuele lissen,
je krabbescheer, je riet, je openbaart
aan mij je hart, je ziel, je hagedissen.

O Jongbloedvaart, o wulpse Jongbloedvaart;
naast jou word ik geregeld nagestaard
door een passant die aan mij vraagt: wat vinje?
en fluist’rend stamel ik dan zacht: ‘k bemin je’.

Je trekt aan mij al ben je soms wat duister,
toch zie ik door je kroos de waterpest,
fonteinkruid, hoornblad en de ware luister
van een kikkerpaar dat jij hebt vetgemest.

O Jongbloedvaart o hete Jongbloedvaart;
daar fietst mijn lief en roept vrij onvervaard:
‘zeg lekker ding, hoe staat de zaak, wat vinje?’
Mijn klompen uit, mijn moed bijeengegaard

en lustig zeg ik hees terwijl ik likkebaard:
‘verroer je niet, lig stil, dan kom ik in je.’

Koning Willem Alexanderkanaal, of palingen steken oceanen over

Palingen steken oceanen over om te gaan
Paaien; zalmen zwemmen tegendraads &
Stroomopwaarts  indien nodig naar verre,
Ongenaakbare geboortegronden; ondankbare
Snoeken hoeven maar tot Zuid-Friesland,
Want daar zijn voor zoete snoeken de beste
Paaigronden, zeggen ze; op zulke uitspraken
Zul  je broedse kieviten nooitnevernea betrappen;
Tot nu stootten de Duitse volle visvrouwtjes
Hun geile, grage neuzen tegen basalten taluds
Van stalen Eemsdijken ter hoogte van Meppen,
Haren, wie weet zelfs Rütenbrock-Mitte; westwaarts
Willen ze, als meegalopperende snoekshoofden,
Vom Osten nach Westen, een prima route.
Drentse waterstaatingenieurs met een passie
Voor snoeken verstonden  de driften en
Verzonnen iets: kunstmatig creëerden ze
Vraag naar doorvaarroutes, die waren goed
Voor toerisme en de weg zoekende volgelingen
Van dominee Rosenbaum in Klazienaveen-Noord,
Voor kunststof hatende Ericanen die blijven
Neuriën dat hout moet, de snoekentomtom navigeerde
Nabij de grazige weiden van beide Compascua,
Klazienavener Woonschepen: uitverkocht,
Submariene hunebedden kwamen in beeld,
Vanaf rondvaartboten met glazen bodems, alles
Dankzij de paaigrage snoek, Oranjedorp kreeg
Nog meer kleur, de doorzwemroute kwam er
En daarmee de doorvaarroute, de wereld ligt
Open, verre horizonten ontsluiten zich, straks
Ligt Emmen aan de staandemastroute, wordt
Coevorden twaalfde stad, de snoeken dankbaar,
Dankbaar de snoeken.

Wit, grijs, zwart

Natuur in Zuidoost-Drenthe is Van Gogh:
Grijsgetint, ouderwets, soms ingetogen;
Bekeken door een bus bebrilde ogen,
Op zoek naar gulden snee, gezichtsbedrog.

Dan weer is de natuur een bont palet
Van beelden, kleuren als een druppel olie
Op een weg, schittering van zilverfolie,
Een kermis, voorjaarstinten van Monet.

Als contrast ontwaart men, reeds op afstand,
Zwartwitte vogels vliegend, soms een grijze,
Knisperend en fladderend, dissonant
In rust, stilte-infiltrant, ten bewijze

Van vooruitgang, hier een reep, daar een flard
landbouwplastic, lappen wit en zwart.

26 x Mavo Allee 1978/79

Na 35 jaar is meer dan een derde uit de tijd:
Mooie, veelkleurige herinneringen aan het tiental
Bult, Hendriks, Klabou, Kuipers, Scheffer,
Stoker, Van der Wal, Weerman, Wolters,
Zwierstra. Van een aantal ben ik niet
Helemaal zeker, dichten is geen pokeren.

Levend op mijn beeldscherm en in het echt:
Bonkes, Bontjer, Geertsema, De Groot,
Harkema, Van der Hei, De Jonge, Klewer,
Klok, Meiringh, Slomp, Venekant,
Wielaert, Paulusma, Van der Wouden.

Spaarzegels voor elke naam die u zich herinnert,
Een plakplaat voor een hoofd, een andekdote
En 3 verlofjaren van de geheugenpoli.
Een fles wijn voor een volle stempelkaart!
Voor de geheugenlozen een gereserveerde stoel
In troostplaatsen De Bleerinck, Holdert, of De Horst.

Bargeres

Klein-Drenthe in je strakke stratenplan,
Ruim twintig brinken die als lassolussen
De mens wil vangen in zijn armen, kussen;
Stedenbouwkundig krachtig toekomstplan.

Vanuit de trein zie je een dorp met scholen,
Half-pipes, containers, nee, geen gekkenhuis,
Wel hotspot, pleinen, perken boordevol violen,
Veel winkels, en een filiaal van ’t Rode Kruis.

Een serie hoge eiken als symbool van power,
Een rugby- en een voetbalveld, reclameborden
Van een rijschool en een buurtcafé met happy hour;
Een pad dat liever spoor had willen worden .

Dat alles bij en langs een recht en strak kanaal,
Waar toch iets mist: een touch, een toets, een tint;
De blik op water werd pas optimaal
Met roestvrij staal van Willem Kind.

Wit grijs zwart

Natuur in zuidoost-Drenthe is Van Gogh:
Grijsgetint, ouderwets, soms ingetogen;
Bekeken door een bus bebrilde ogen,
Op zoek naar gulden snee, gezichtsbedrog.

Dan weer is de natuur een bont palet
Van beelden, kleuren als een druppel olie
Op een weg, schittering van zilverfolie,
Een kermis, voorjaarstinten van Monet.

Als contrast ontwaart men, reeds op afstand,
Zwartwitte vogels vliegend, soms een grijze,
Knisperend en fladderend, dissonant
In rust, stilte-infiltrant, ten bewijze

Van vooruitgang, hier een reep, daar een flard
landbouwplastic, lappen wit en zwart.

Noorderplein 2.0

Het Noorderplein is je warme jas, je ware huis; de rifrafvriend biedt
lustkappers, autokrassers en spuiters tijdelijke ruimte, een dak
voor niks, eurovrije zone; warm licht voor stuurloze fietsers,
hopeloze gevallen; kwijlend voor Hema-uitvaarttarief en rookworst
staan stokoude mannen van zestig, zoekend naar de 4e dimensie;
voor een habbekras eten in Holdert, stappen schrijven namen
in sporen zand; de erectie van de Grote Kerk beschut je,
je was iemand, je dirigeerde in lucht; nu slaap je waar
de traverse je laat mistasten naar de harde, hoge,
kolossale, stenen dijen; je tong klakt, je proeft,
brokkelig beton proef je, denk je, je gedenkt
na 10 jaar met eerbied het wandelvrouwtje,
ooit wereldnieuws, predikers waren hier
kyrie eleison zingende plastic herders;
de marktkoning begraaft z’n broer
en smaak; via vetrode lopers
wordt je iets aangedaan
op koopjeklaarzondag;
weggezogen in haar
die je koestert,
‘t stadshart,
Emmen:
je thuis;

dikke prima

Nieuwe inwoners

Haar winterkleed gaat in de zak voor Polen,
Hij past de zomerjas die Emmen heet.
De ijssalon is als een smaakmagneet;
Toyisten zijn de nieuwe gladiolen.

Het leescafé, de oude melkfabriek
Vervangen glas-in-lood en bleke beelden.
Een paarsbepruikte nimf met billenweelde
Danst in de eredienst op jazzmuziek.

Het stadsbestuur staat klaar met gratis koek,
Een bronzen brassband steekt de loftrompet.
Men toont de plannen voor een nieuwe look
Die Emmens stadshart op de kaarten zet.

Het kost wat, maar dat doet ook het silhouet
Van afbraak, neergang, krimp en vorstverlet.

Reigers in de dierentuin

Verdwaalde reigers in de dierentuin:
De nieuwe burgerservicenummerlozen.
Ze zitten wat, ze denken, praten, vozen;
De lange snavels recht, de koppen schuin.

Hun vale, paarse, blauw is eerder grijs.
Ik tel er zeven, of toch acht, nee zeven,
Acht is een aap, één zonder hondenleven,
met elke dag een vrij entreebewijs.

Ze snaaien verse vissen bij de vleet
En schuilen schichtig bij de nachtverblijven.
De koude mist verhult hun lange lijven,
Gastvrijheid is hier gratis, kamerbreed.

Ze hopen dat de zoo nooit weg zal gaan,
Maar nu en eeuwig hier blijft voortbestaan.

Op fietse naor Emmen

Niet meer van deze tijd, voorbij, verworden;
Er zijn veel dingen waar je zonder kan:
Kwakzalverij, Hemelvaart, ramadan,
Een roomse rector zonder paapse orde,

Ledlichten onder oude lampenkap,
Bermen maaien, vlaggen zonder pompeblêden,
Staartbot, encyclopedie, waterschap,
jagershut, twintig soorten Sandwich Spreaden,

‘n Koning, schaamluis, Argentijnse koningin,
Borsthaarschaar, kraantjeskan en tussenzin,
Griepprik, omroepgidsen, blauw bakeliet.

Maar zonder boek, Bach, op fietse naor Emmen,
Kibbelingen van de markt, vrouwenstemmen,
Koormuziek, sportbeha’s, gaat leven niet.