Hoofdpersonage in de twaalf van redelijke, mooie via prachtige naar schitterende verhalen, met als centrale thema: geestelijk en fysiek ongemak en nog wat omwegen, is (de jonge) Maarten.
- Het begint met een verhaal over een meester die kierewiet is na de oorlogshandelingen in Indonesië en het met zijn verloofde uitmaakt.
- Dan over oom Henk die met dammen niet kan verliezen maar als ’t een keer gebeurt zeer gelukkig is.
- Mannen in het dorp bakkeleien erover hoe ze een grote hond moeten vergassen in een speciaal daartoe bestemd vergassingshuisje, totdat iemand hem wil hebben onder de kar.
- Als Maarten, 1e of 2e klas middelbare school, van een vriendje hoort hoe kinderen gemaakt worden, schrikt hij en piekert er een hele dag over totdat hij het zijn moeder vraagt die hem een voorlichtingsboek geeft.
- Een aan Ménière lijdende hospita zegt een student de huur op die vervolgens voor stankoverlast zorgt door een vis onder een tafel te spijkeren. De hospita wil zelfmoord plegen en wordt opgenomen.
- Een kamer zoekende student komt per ongeluk in een rij sollicitanten voor een baan als huismeester terecht, alle sollicitanten hebben een kwaal. Als hij zijn sleutel heeft zegt hij tegen de wachtenden dat hij de baan had gekregen en dat ze konden gaan.
- Maarten hoort hem nog onbekende muziek als hij door Leiden wandelt. Er volgen talloze bezoekjes waarbij een vrijgezelle meneer hem muziek laat horen op zoek naar de componist. De man lijdt aan wanen.
- Een vrouwelijke GGZ-medewerker test collega’s met bijzondere taken. De winnaar wordt de spermadonor van een kind.
- De laatste twee (huwelijks)verhalen, over mannen die over hun vrouwen klagen, zijn niet de beste.


Een diermonografie. In de serie ‘Dieren dichterbij’ verschijnt in 1978 als het achtste deel ’t Harts bijdrage over de stekelbaars, één van de best onderzochte, meest raadselachtige vissen. ’t Hart focust zich op de ethologische aspecten van de driedoornige stekelbaars. Hoewel het geen studieboek is, wordt er weinig onbesproken gelaten: uiterlijk, evolutie, levenscyclus, seksualiteit en voortplanting, soorten… Ongelooflijk eigenlijk: meer dan veertig jaar bestuderen Leidse biologen het gedrag van dit visje. Werkelijk alles wordt beschreven, en met fraaie illustraties toegelicht. Stel je even voor: een lab met talloze aquaria met daarvoor biologen in opperste concentratie de gedragingen turvend en afvinkend. Daarbij maken ze gebruik van een ethogram: alle vertoonde gedragingen worden beschreven, geprotocolleerd in steekwoorden. 

Eindelijk weer eens een (autobiografische) roman (of novelle) van ’t Hart, een sleutelroman ook nog¹. Melchior, de ik-persoon, auteur van ‘Een koppel braamsluipers’, maakt bij een redactievergadering in van de krant (in Amsterdam) kennis met een aantal redactieleden, o.a. met Fred(erik) Koudvuur. Fred is iemand die overal commentaar op heeft en graag zichzelf hoort praten. De persoon Fred wordt door ’t Hart uitvergroot beschreven als een pietlut, een klager, overdrijver, opschepper, kortom een non-valeur eersteklas.
Na afloop van het muziekevenement EuroSonicNoorderSlag in Groningen wordt de popprijs uitgereikt aan Joost Klein. Nog nooit van gehoord. Totdat ik erachter kom dat hij enkele weken eerder gepresenteerd was als Nederlands deelnemer aan het Eurovisie Songfestival. Aha, die. In krantenartikelen wordt geschreven dat Klein openhartig zingt en schrijft over mentale tegenslagen en sombertes. Niet doorsnee en alledaags, voor mij interessetriggers.

Het (prachtig vormgegeven) boekje (met de afmetingen van een zakreisgids) ‘De kant van Ada’ doorbladerend valt gelijk de hoeveelheid wit op. Een uiterst karig aantal woorden per pagina, gemiddeld 150, dat zijn dimensies die je bij poëzie tegenkomt. Het lijkt erop alsof de uitgever zich nog heeft verrekend met het aantal pagina’s, want aan het eind van het boek vind je nog blanco pagina’s, alsof lezers aantekeningen kwijt willen. Meer een novelle dus dan een roman. Het boek is ingenieus ingedeeld en telt 21 hoofdstukjes, met een ‘Voor’ en een ‘Na’. Het punt-leesteken wordt spaarzaam gebruikt en het lijkt alsof er een omslag om het boek zit, die slechts een derde van een vrouwenhoofd toont, maar dat is maar schijn. Wat ook onduidelijk is voor Ada: ben ik slachtoffer of medeschuldige?
In deze Bijenkorfuitgave t.g.v. de literaire boekenmaand in 2003 wordt aan de ik-persoon gevraagd een oogje te houden op de slang van de kleinzoon van een goudkustdorpsgenote, een bloedmooie vrouw met prachtige, vochtig glanzende lippen. Als hij gaat kijken is het beest ontsnapt. Het blijkt een glasslang of scheltopusik, een pantserhazelworm te zijn. De kleinzoon wil hem niet meer zodat de slang bij Leonora en haar man belandt.
In de prachtreeks Privédomein verscheen in 1984 in negen hoofdstukken ’t Harts autobiografische Het roer enz. Wil je ’t Hart goed leren kennen, lees dan dit boek. Na een fraaie beschrijving van ’t Harts (over)grootouders volgt zijn kleuter- en lagereschoolperiode. Wijsneus Maarten ligt, mijlenver voor op zijn leeftijdsgenoten en dat weet hij. Over juf Van der Meulen en meester Mollema die enthou vertelt over ketterverbrandingen en de niet aflatende strijd tegen de papen. Op het lyceum zat M veelal in jongensklasse, zodat omgang met meisjes onmogelijk was. De studie biologie in Leiden begint harkerig maar bevalt M allengs beter en hij ontwikkelt een liefde voor plantjes (determineren) en later voor het gedrag van stekelbaarzen en ratten. Uiteindelijk promoveert Maarten.
Op mijn 28e las ik boekenweekgeschenk De Ortolaan van Maarten ’t Hart. De vogel speelt in het boek een bijrol. Kernthema: een volwassen man, etholoog, getrouwd, raakt in de ban van een jongere vrouw die hij af en toe tegenkomt.
Met mijn SpaakMasters fietsgroepje van Winsum noordwaarts fietsend in een striemende, koude regen achter een fietsmaat zonder spatbord, zodat kleiresten mijn bril teisteren en ik constant kleikorrels vermengd met koemest in mijn speeksel proef, denk ik aan het boek dat ik aan het lezen ben: ‘Alleen door Afrika’ over de Poolse schrijver/fietser/fotograaf/ontdekkingsreiziger Kazimierz Nowak, te boek gesteld door Tom Ysewijn en uitgegeven door uitgeverij Sterck & De Vreese¹.

In het titelverhaal analyseert ’t Hart wat en hoe schrijvers als Hotz, Svevo, Vestdijk, De Vries e.a. als ‘het eeuwige moment’, de illusie van iets dat eeuwig duurt, verwoordden. Hoe, door wie en hoe vaak (100 x in 100.000 gedichten) muziek in poëzie wordt beschreven toont ’t Harts grenzeloze belezenheid. Volgens Jeroen brouwers zou ’t Hart 600 woorden/minuut lezen. ’t Hart, liefhebber van Vestdijk, analyseert of en hoeveel (muziekliefhebber) Vestdijk over muziek schrijft in zijn romans, daarbij maakt hij ook nog een verschil tussen soorten muziek: kerkmuziek, vocaal, instrumentaal. Houd je van Vestdijk noch Mozart dan is ’t Harts analyse van Vestrdijks opvattingen, minutieus, meticuleus, over Mozart een harde noot.