Werkdruk en personeelsgebrek lopen op tot recordhoogte. Soms zijn oplossingen zo simpel dat men er al te snel aan voorbij gaat. Verdeel huisvestingsproblemen onder vluchtelingen over leegstaande kerkelijke gebouwen. Hevel agrarische subsidies (bijna driekwart van de melkveehouders in Nederland is miljonair) over naar de zorg. 
Terug naar de personeelsproblemen in de horeca. Alleen bij tot koningin of troonopvolgende prinsessen (spermaemmers in de woorden van corpsballen) gemaakten komt de tailleur aan huis om een nieuw overgooiertje aan te meten of een knellende directoire te verruimen. Gewone mensen halen zelf nieuwe kleding. Accountants bezochten vroeger hun klanten. Huisartsen deden aan sociale visites. De wereld is veranderd: nu bezoeken klanten hun accountant en gaan patiënten met hun klachten die voor 90 % vanzelf overgaan naar de huisartspraktijk.
En nu de horeca. Obers zijn wandelliefhebbers. Worden ze misschien betaald per 1000 stappen geregistreerd door stappentellers onder de voorschoot? Ze lopen naar klanten op terrassen om de bestelling op te nemen, lopen naar de tap om drankjes te halen, lopen met drankje naar de klant, lopen naar de kassa voor de nota en lopen naar de klant (en als ze pech hebben nog een keer naar de kassa om kleingeld te halen en weer naar de klant om wisselgeld te brengen (en dan tellen we de vraag ‘kan ik nog iets voor u betekenen?’ niet mee). Zeven of acht keer heen en weer lopen voor één tapbiertje. Omdat horecabazen salarissen kunstmatig laag houden is er een tekort aan personeel, want horecawerkers zitten liever dan dat ze wandelen en stappen over naar GGZ-priklocaties: prikvragers gaan naar de prikgever in plaats van andersom. Cafébazen kunnen natuurlijk wat meer gaan betalen. Maar eenvoudiger is hun werkmodel veranderen zoals accountants en huisartsen ooit deden.
De oplossing: maak de bar wat langer en laat gasten zelf drankjes in het café ophalen. Scheelt veel bedienend personeel. Voordelen: klanten hoeven niet te wachten op personeel dat liever facebookt dan naar opgestoken vingers kijkt. Voordeel: klanten consumeren in eigen tempo en hoeven niet steeds onhandig te reageren op ‘Kan ik nog iets voor u betekenen?’ Exit horecapersoneelprobleem.


We bespreken bij een halve liter Leffe Blond de dag: een lekke band, afmattende taaie platten, vals als Turkse wimpers, onze vrouwelijke Sarah-Wiegman-ploegleider die we een heiligverklaring gunnen, Hollandse mosselen naast Vlaamse frieten op een warm terras, aangestaard door voorbij sjokkende achterkleinkinderen van oorlogsinvaliden, een vergelijkende analyse van de werkdruk en salariëring van docenten aan de uni en in het VMBO, een oplossing voor het Nederlandse energieprobleem: bepaal de gas/water/elektra-prijs op basis van huiswaarde en knijp toevoer af via slimme meters. En meer.
Tussen Peize en Altena, met een redelijke tegenwind, zijn twee SpaakMasters eruit. Bietensap is perfect voor fietsers. Energiebesparing is onontkoombaar en de oplossing is eenvoudig: elk huis een slimme gasmeter en dan voor iedereen een verplichte gasreductie van 20% in 2023, met per elke 100K OZB-waarde 1 % erbij. Kun je zelf nog bepalen wanneer je er warm en wanneer koud bij wilt zitten. Voor watergebruik hetzelfde recept.
Olieverf overheerst, gevolgd door acryl, potlood, grafiet en houtsneden. Opvallend is het basisschoolfenomeen: onder de negen alumni zijn er slechts twee mannen. Allemaal Nederlandse achternamen, gek eigenlijk. Grootste contrast: twee levensgrote olieverven van in het kuis-lang geklede ingetogen vrouwen met zedig terneer geslagen blikken, van Hoolsema. Daarnaast grote, indrukwekkende schilderijen, expliciet, wulps, ronder dan ronde vrouwelijke lijf- en bilpartijen van Van der Schuit. Ik lees ergens puntig: Het lichaam als landschap. Hoolsema en Van der Schuit: vaklui! Ergens lees je dat Van der Schuit met haar lofzang op het Rubensiaanse vrouwenlichaam het werk van Lucien Freud kent, maar om daar in de buurt te komen moeten de spierpartijen nog wat losser worden. 


Er wordt gehaald, gegraaid, geruild, gebracht, gefotografeerd en op het bankje gezeten. Na wat aanloopaarzelingen begint hij op mijn eigen boekenkast te lijken: Hermans, Campert, Ir. H. A. Schuringa, Siebelink, Lanoye en een Spaans schoolboek (helaas niet over de presente de subjuntivo maar over la contabilidad). Het is de week van fietsconditieherstel na de c-klem. In mijn derde fietstochtje, Zoutkamp, Hornhuizen, word ik gelukkig van de K-stijging ten opzichte van de T. De va/FTF- daalt. Ik probeer de 75%-TourdeFrancenorm te halen. Im Großen und Ganzen gelukt (¹). Fietsend gedenk ik drie overledenen: twee stokoude mannen en een vrouwelijke leeftijdsgenoot. Ik betreur de verloren tijd in de bioscoop bij de première van ‘Speak No Evil’.
of we goede vriend en openbaaronderwijsman Rob Kraakman bij zijn afscheid wel voldoende recht hebben gedaan met de zin: ‘Als je meer dan veertig jaar het onderwijs hebt gediend als leraar, teamleider, sectievoorzitter, leesbevorderaar, zorgteamcoördinator, heb je aan de eigenschappen atletisch, ambitieus, bedachtzaam, collegiaal, daadkrachtig, empathisch, flexibel, goedaardig, hoogbegaafd, idealistisch, joviaal, kritisch, loyaal, meelevend, nuchter, onvermoeibaar optimistisch, plichtsgetrouw, quirinus, realistisch, standvastig, toegankelijk, uitbundig, (vrouw)vriendelijk, welbespraakt, xenofiel, yup en zorgzaam, wel iets: Rob in één woord.’
loop ik mee met Provinciale Staten. De male chauvinist pig in mij hoopt op een evenbeeld van 


Het voelt als een verjaardagsfeestje met wat stokoude ooms en tantes en neven en nichten die zich op hun vijftigste nog jong en sexy noemen. Ik denk na over de ondertitel ‘Springlevend’. Dat zeggen verpleegsters ook van oude aan staar, artrose, prostatitis en alcoholzucht lijdende mannetjes. Midden tussen glimmende eksterhebbedingen is Ploegwerk uitgestald. Als gelouterde Ploegwatcher maak ik graag een ronde en test mijn geheugen dat hoewel springlevend gaten heeft als Groningse landbouwweggetjes.
Alkema blijft boeien. Uitsluitend geheimzinnige zwarte verfspatjes en kringelende fijne lijntjes op wit stimuleren mijn grenzeloze fantasie. Ik zie spannende volumineuze vrouwen die net in het licht staan en van wie slechts de contouren zichtbaar zijn. Ik zie een soort genenplanning van een besluiteloze schepper die nog alle kanten op kan. Dik Breunis raakt de actualiteit en mij met een houten aardbevingbestendig huis op een van ijzeren spanten gewrochte terp, dit werk torent uit boven Breunis’ amorfe houten boomdelen, soms door een stuk staal in toom gehouden. Annelies Gommer blijft imponeren met wat ik oneerbiedig parkeergaragewerk noem. Deze keer zien we een voetgangerspassage boven een snelweg. Stil, strak, glanzend, geheimzinnig: een filmstill.
Een Minervastudent met interesse voor orgelmuziek? Zou maar zo kunnen. In ieder geval een omdenker die zich de lumineuze en onmogelijk geachte taak heeft gesteld om orgelpijpen te construeren die niet geluid maken door op toetsen te drukken maar eraan te trekken. Heerlijk! Gezien in de mooist denkbare expositieruimte in Scheemda, de steenfabriek.
We zien kunst waarbij broeder Blühm van het Groninger Museum zijn handen zou toeknijpen. Geen kunstdiscipline of hij wordt hier geëxposeerd. Op fijn schilderwerk na, misschien, maar daar hebben we de Klassieke Academie voor.
beschouwende, liefhebbende toeschouwer tot het uiterste uit. We zien driedimensionaal werk waarin alledaagse (soms op straat gevonden) objecten, (bouw)materialen, esthetisch worden hergebruikt en schilderijen waarbij de ogen van de kijker net zo hard moeten werken als die van de maker. Nijboer is geïnteresseerd in choreografie, free running, spiritualiteit & lichamelijkheid. Nijboer speelt met applicaties van verf en vraagt de kijker niet alleen met de ogen maar met het lichaam te kijken, de kunst te ondergaan.
Als ik op mijn racefiets afsla bij Helperzoom richting Antwerpenweg en op tempo door de tunnel jakker, schiet een rat voor me langs. Zo te zien een bruine rat(¹), een vrouwtje. Zij wordt net niet geshredderd door mijn voorwielspaken. De Giant TCR-spaken zijn niet rond maar plat en op snelheid ronddraaiend hebben ze iets weg van de smalle vlijmscherpe mesjes waarmee slagersvrouwen in mijn dorp vroeger plakjes cervelaatworst sneden als er een personeelsfeestje was van Uitgeverij Banda. Dat ging maar net goed, denk ik en vervolg mijn trainingsrondje Zuidlaardermeer. Voorzichtig, denk ik, rattenvrouwtjes dragen het jaar rond verantwoordelijkheid voor jonkies. Een week later zie ik, in de vooravond, schuin voor ons huis, een rat(²) onder het cortenstalen hek van Minerva kruipen. Op zoek naar een nagerecht na zijn buik vol te hebben gegeten bij de vuilnisbak op de steiger. Onmiddellijk denk ik aan ‘Ratten’ van Maarten ’t Hart. Een schitterend en uiterst leerzaam boek over, inderdaad, ratten. Beverratten, muskusratten, rioolratten, woelratten, zwarte ratten, huisratten, scheepsratten en een oneindige stroom aan interessante informatie komt voorbij. Bioloog/etholoog (en Bachkenner) ’t Hart beschrijft in ‘Ratten’ uitgebreid mythes en legendes waarin ratten voorkomen. Vooral zijn notities over rattenkoningen zijn indrukwekkend. Vaak worden ratten enkel slechte eigenschappen toegeschreven, terwijl ze, net als andere soms lastige beestjes, uiterst nuttige functies vervullen. Direct daarna denk ik aan opvoeden. Als je kinderen leert dat muizen, mollen, spinnen, steenmarters, salamanders, ratten, bijen en wespen nuttige in plaats van ondieren zijn, dan zijn ze er op latere leeftijd niet bang voor. Net als geloof in verzonnen goden is veel angstgedrag in de jeugd aangeleerd, De stap van ratten naar vossen is een kleine. Voor het Scheepvaartmuseum leun ik tegen de droog staande Alida. Ik wacht totdat Vrouw I klaar is met haar rol van goedlachse baliemedewerkster. Een Duitse toerist spreekt mij aan. Eerst een inleidende aftastende voetbalanekdote over de van Dortmund naar Manchester getransfereerde Noorse alleskunner Håland. Dan een verhaal over in steden levende Füchse im Ruhrgebiet. Vossen. Ook in Groningen? Mijn racefiets en ik gaan eropuit.
Dat de NH-kerk in Coevorden zijn deuren moet sluiten, ach daar kijkt niemand van op, kerken hebben de boot gemist en zijn nu eenmaal uit. Coevorden is star en eigenwijs geweest en vergat naar grote broer Emmen te kijken waar de Grote kerk floreert met een mix van kerk- en crematiediensten en wijnproef- en grotematenlingeriehows. Maar op welk hoekje van Marktplaats het V.d. Berg en Wendt-orgel straks wordt geplaatst als het gebouw wordt overgeleverd aan de spinnenwebben en de eeuwigheid, houdt me bezig.