De Amerikaanse architect Hejduk (1929 – 2001) tekende ooit een appartemententoren voor de Reitemakersrijge. Het project ging niet door. Ook ontwierp hij 25 huizen, waarvan er slechts één werd gebouwd. In Groningen. Hejduk is als de filmer die 25 films maakt waarvan er maar één in de bioscoop komt.
WALL HOUSE #2. In 1973 getekend. Gebouwd aan de Hoornse Plas in 2001. Wat betekent het dat van Hejduks 25 ontwerpen, er slechts één werd uitgevoerd? Het is ongeschikt als woonhuis, als bedrijf. Resteert: vergader-, expositie- en kinderfeestlocatie. Bijkantoor van het Groninger Museum. 10 uur per week geopend met, schat ik, twee bezoekers per uur. Moderne architectuur liefhebbende likkebaardende oude mannen met te kleurige pantalons. ‘Waar is de lift?’ roepende vrouwen. Zich dagelijks verwonderende buren. Depressief rondfladderende duiven. 
We zien een schitterend gebouw. Een eyecatcher tussen nieuwbouw in crème & witte schimmel. Een grote betonnen muur. Hier drie op elkaar gestapelde mild gekleurde golvende taartjes. Ertussen afstandhouders opdat de slagroom niet aan de erboven liggende bodem plakt. Daar een lange gang met een smalle trap. Ongeschikt voor bezoekers met engtevrees. Alles in beton. Roestende en scherpe dieronvriendelijke hekconstructies zeggen: voor duiven verboden.
Rondom een supermooi uitzicht op de Hoornse plas en grasveldjes. Geëxposeerde kunst van regionalo’s. Ismaël Lotz, Sabine Liedtke, Gabrielle Kroese en Gea Schenk, maar het is niet duidelijk of Schenk als kunstenaar wordt gepresenteerd of als fotograferende museummedewerker. Een zeer vriendelijke suppoost heeft alle tijd van de wereld en probeert op te zoeken wat de kosten van het gebouw indertijd waren. Lastig met uit alle hoeken stromende subsidies. Hij komt op ruim een miljoen. Guldens. Hij praat ons bij en doet ons uitgebreid uitgeleide.
Grootst gemene deler van de kunstenaars is kwantiteit en elektronica. We zien een modernekunsttrend. Maak veel van een eenvoudig product. Gebruik Engelse titels. Kroese toont vijf grote beschilderde kamerplantenfoto’s met blauwe (bodemloos blauw dixit de folder) stippen; Covid_Blue.
Lotz filmde een paar honderd zwijgend in de camera kijkende mensen; Are You Now. Liedtke filmde spreeuwengroepen en tekende losse spreeuwen op geschept papier; Murmurations.
Schenk fotografeerde buren en plakt de 150 pics op een muur. 
Bij Liedtke en Kroese herkennen we een maatschappelijke inbedding. Vogelvriend Liedtke kraakt zelfs een harde noot. Het artistieke handwerk van Lotz en Schenk beperkt zich tot apparaatbediening: op de ontspanner drukken. Goede hardware levert de gewenste scherptediepte. Liedtke gaat verder en verwerkt gefilmde spreeuwen in artistiek tekenwerk en is daarmee in deze groep, by far, de overblijvende beeldend kunstenaar.

Snel door naar een shot beeldende kunst van Dik Breunis, een senior die kortgeleden tot de Ploeg toetrad. Blikvanger is Kim Yung Un. De megalomane dictator, die zijn land kort en klein en slank houdt als hedendaagse triathlontrainers hun pupillen, is statig , bollig en buikig in hout vormgegeven. We zien Bolke-de-Beer-proporties terwijl Breunis de anekdotiek juist wil vermijden. In Breunis’ atelier wordt gewerkt aan een sober uitgevoerde kerk op een terp. Associaties met einde-der-tijden verhalen komen op, waarbij de laatste overlevers natuurlijk onverschrokken goddeloze vrije Friezen op een terp zijn. Breunis gaat de Ploeg versterken.
We zien Hedy d’Ancona, maar zij is hier, dixit de schilder, iemand anders. Dan een treffend zelfportret van Geertjes die bewijst dat schoonheid vergankelijk is zonder dat het lelijkheid wordt: een stoere vrouw met een begeesterde, fronsende, ongepolijste, geconcentreerde blik. 
Huib van der Stelt lijkt geobsedeerd door het landschap dat bij vlagen zinderende vergezichten toont als symbool van de opwarmende aarde. De opgetaste stropakjes vliegen net niet in de fik. Reinier van den Berg biedt variatie met in hectische kleuren beschilderde en secuur gezaagde supermultiplexen panelen.
Dat een twaalfkoppige zanggroep (met drie Ashby-zusjes) het best zonder dirigent kan bewijst Stile Antico in de Martinikerk op 17 oktober 2021. Onderdeel van het Schnitgerfestival. Alles is goed, alles klopt en dat is voor Groningen een mirakel. Toporgelmuziek door Jürgen Essl afwisselend met geweldige meerstemmigheid van 12 zangers. Superstemmen. Waar heb je begeleiding, of een dirigent voor nodig als je zo zingt. Mooier dan dit kan haast niet. Religieuze muziek. Minimale rebusteksten, soms zelfs bestaat een lied uit maar enkele bezwerende woorden uit de tijd maar net voorbij de periode dat religies even belangrijk waren als heksenverbranding, lijfstraffen en builenpest. Champions League zang, af en toe raak vergezeld van hedendaagse geluiden van buiten, uit de hoek van de bij vlagen gure Vindicatreuk.
Schnitgerorgel-bijdrage. Tja, zo kan het ook. In de A-kerk op vrijdagavond. Puike muziek o.l.v. maestro Havinga, maar de organisatie haperde als een aan drukval of vocht lijdend orgel. De kachel stond op 10. Bij de entree werd zoveel papier uitgereikt dat het publiek bleef ritselen en bladeren. Twee solisten hadden het lastig met vijf blazers. En met het publiek. Beide zangers stonden dan ook tegenover elkaar en niet naar de luisteraars gericht. Microfoonloze tussendoorse aankondiging. Onhandig gepruts en gefriemel aan oorapparaatjes tot gevolg. Pauzethee vanaf één plaats uit retrokannen.
Een keer tweede op de Groningse Vier Mijl en deelnemer aan Sterren op het Doek; en toch is het met haar nog goed gekomen. Beeldend kunstenaar Silvia Benniks in de Oosterpoort. Haar werk kenmerkt zich door meticuleuze precisie. We zien een meisjeshoofd dat samensmelt met een vogel. Op de achtergrond een oosters aandoend lijnenspel als de Stravaroute van een door hallucinogenen aangedreven hardloper. Ogen die verraden dat er wordt nagedacht over de kooktijd van een centraal afgebeeld kievitsei. Dat Benniks nog meer kan bewijst een schitterend portret van een vrouw. Ze wordt afgebeeld voor de Kalender van Boerenzonen die Campina de rug hebben toegekeerd, de tot ethisch inkeer gekomen Fiscaal Juristen of over hun rol in de slaventijd piekerende protestanten.
De schilderijen van Annelies Gommer verbergen een mysterie. Ik doe mijn best schaars verlichte mistige steegjes en garages te zien. Maar ik zie een stokoude lerares algebra die ’s avonds tegen alle goed bedoelde adviezen in haar poedel uitlaat in een door motregen en flikkerende straatlantaarns versterkte schemering. Het diffuse vervreemdende schijnsel trekt scooterrijders aan die denken dat ze de moeder van een kroongetuigen verdedigende advocaat is. Jagend op een zilveren halsketting zijn ze van plan haar voor hetzelfde geld te doen, dat is met een Umarex Smith & Wesson waarvan de loop is ingekort om te leggen. Gommer relativeert mijn gedachten met een samenvattend: ‘Spanning, rust, verstilling, verhalen bij een dramatische lichtval.’
Op de fiets naar Aduard, waar Reinier van den Berg zijn veelzijdigheid aan elke zijde van het dorp etaleert als een zonaanbidster haar lijf aan de zon. Na een gepimpte fietsenstalling bij Aduard-zuid nu ook RVS-banken in noord en oost. In zijn atelier: met water uitgezaagde platen multiplex die ‘adem’ in alle verschijningsvormen belichten. Van den Berg zoekt en vindt industriële toepassingen. Een schitterend vormgegeven bidbook moet de ‘ademserie’ de weg wijzen. Dat gaat, wed ik, wie weet in Den Bosch, lukken.
Van de ene provinciestad naar de andere verhuizen kent het gevaar dat je alles met elkaar vergelijkt. Dat levert plussen en minnen op. Oppassen dus dat je in een blik beperkende vlaag van romantiserende geschiedvervalsing, waar vele senioren, naast brokkelige kalknagels, piekende neusharen, extra oorsmeer, verminderend libido, en vet- en alcoholzucht aan lijden, je vorige woonplaats niet alle credits geeft. Op voetbaltrainersfatsoen, wijkbestuur, ruimtelijkheid, winterse zoutstrooiroutes en kennis van het Drents wint Emmen het. By far. Wat culturele voorzieningen, stadse vaarroutes, het ‘Ik-vertrek-sentiment’ en fietsenstallingproblematiek aangaat, staat Groningen bovenaan. Dat stadjers geen boeken zouden lezen herroep ik, na een gezellige sessie met stadjers die allen (allen? Ja, allen!) Lale Gul achter de kiezen hadden en ooit hadden geroken aan W. F. Hermans. 







We zien nu een schitterende tuin met strakke beukenheggen, kruisspinnen, (klim)hortensia’s, pissebedden in de voortplantmodus, onbestemde boompjes, spitsmuizen, vlieren, doffers en duivinnen die er even genoeg van hebben door onwetenden vliegende ratten genoemd te worden, hedera’s, zevenblad, jaarlingen en vaste planten. Bescheiden straatwerk met eenvoudige betontegels vormen rechte paden, niet romantisch meanderend maar hoekig als kinnen van Emmakapiteins in de A ten teken en bewijze dat de Nieuwe Zakelijkheid hier een revival doormaakt of, dit is wel Groningen hè, een kleine eeuw te laat vanuit Duitsland de randen van Groningens binnenstad aandoet, zou maar zo kunnen natuurlijk. Sommige dingen, perziken, buurtbesturen, paardenhoofdstellen en vrouwengeduld, worden beter naarmate ze meer tijd om te rijpen hebben.
Waren stadjers boekenlezers dan wisten ze het allemaal al natuurlijk. Laten we bij de naam beginnen. Wat zegt dr. Frans Westra over de straatnaamgeving in ‘Palet van Groningen’? Niet verrassend: een gebied van makers van rieten manden. De manden werden gebruikt in de lakenindustrie. Even verderop legt Westra geduldig en deskundig de oorzaak van de identiteitscrisis van Groningers uit als hij, nu zeer zeker wel verrassend, stelt dat Groningen van oorsprong een Drents dorp is (¹) en de grote Markt een soort brink. Nog erger wordt het wanneer hij verklaart dat de oudst bekende Groninger een Fries is (²). Dat de ontwikkeling van Groningen gestopt is bij de grens van een provinciestad komt omdat Groningen geen Gouden eeuw gekend heeft (³) en omdat de industriële revolutie aan Groningen is voorbij gevaren als het coronavirus aan vegetariërs of museumschuit De Emma aan de oevers van de Pottebakkersrijge omdat geparkeerde auto’s een mogelijke aanleg verhinderen.
boekenhandel Van der Velde een uiterst schamele collectie Frisiania aanbieden. Als Groningers echte Friezen zijn, kunnen we maar best even bij Flip van Doorn in (alweer de zesde druk) ‘De Friezen’ opzoeken wat de ware aard van deze volksstam is. Hij noemt ze (⁴): ‘tegendraads en tegenstrijdig, creatief en conservatief, onzeker en zelfbewust, open en gesloten – en dat allemaal tegelijk’. Zo’n geestelijke tweespalt moet haast wel leiden tot wankelmoedigheid en onzekerheid over de ware ‘ik’. Maar met Van Doorn die over de Friezen spreekt zeg ik, schrijvende over de Groningers: ‘Het is geen wonder dat ik me thuis voel in hun midden.’
Sinds de zomer staat er een (tijdelijke) folly voor het stalen hek. Het oogt als een getraliede hal. Aan de voor- en achterzijde zit een deur, maar de door de deuren besloten ruimte is zonder praktische functie. Het is geen cel, geen kamertje geen hal. Het was een poos een soort voorportaaltje, toen het nog tegen het Minervahek stond vastgeplakt. Het functioneerde als een soort tochthal, een klompenportaal. Opvallend is de aanwezigheid van planten en gemalen boomschors op de grond.
bakstenen constructie met pijlers en bogen, half verscholen achter een foeilelijke witte stenen muur. Geen nuttige functie, zoveel is zeker. De vraag of deze constructie een folly is of beeldende kunst is net zo lastig als de vraag of de ABN een bank of een maffioos witwasbedrijf is¹. Nadere studie leert dat het door een kunstenaar, de Deen Per Kirkeby, is ontworpen. Of het dan gelijk beeldende kunst is, is niet zeker aangezien beeldend kunstenaars ook graag follies maken.
Dan maar weer richting binnenstad, die blijft aan de wandelaar trekken als belastingvlucht aan DSM en Unilever. We zien een stalen deur. Geen scharnier. Geen klink.. Geen bovenraampje. Het is een platte constructie, dus geen bouwsel, dus geen folly? Ik twijfel als een CDA-kiezer tussen David Omtzigt of Goliath Hoekstra. De culturele conciërge van de ertegenover liggende synagoge helpt me uit de droom. Het is kunst (van Gert Sennema) en het symboliseert de verdwenen en later vermoorde Joodse oorlogsslachtoffers. De gesloten deur sluit terugkeer uit. Definitief.
Voorbij het mooist denkbare pisbakhuisje met die kenmerkende geur die je ook ruikt als je stadsfoto’s bekijkt van Ed van der Elsken, valt de achterdeur van het Scheepvaartmuseum op. Een middeleeuws straatje voert naar een schip op het droge. De Alida. Van Ploeglid Alida Pott waarschijnlijk, want de oude Ploeg is in Groningen overal dichtbij en bijna voelbaar als stoppels onder een sluier.
Wat een vrouw! Wat een gevel! Wat een museum! Met dank aan Haks, Mendini, De Lucchi, Starck en Himmelb(l)au werd het modernistische museumontwerp een toeristische trekpleister van jewelste. De duizelingwekkend mooie buitenkant straalt durf, verleiding en vernieuwingsdrang uit. Ook het interieur parelt en verrast bezoekers. Maar sommige huiscollecties ogen geamputeerd. Zeker, er is een schitterende collectie Ploegwerk, met een unieke portrettengalerij van Ploegschilders. Maar voor een museum dat pretendeert oog voor hedendaagse kunst te hebben ontbreekt er veel. Te veel.