Eerste vrouw

Na Willinge, Oldenhuis Tonckens, Tijmes, Meijer, Van der Wal,
Kootstra, Bouma, Best, Zegering Hadders, Gaarlandt,
Beusekamp, Ouwerkerk, Lensen, Van der Velden,
Allen man, wit, vijftigplussers, denk ik bij het horen van
De liefdevol uitgesproken naam van Cees Bijl enkel nog aan
Een powervrouw op de bellijst van de kommesaris:
Je zal het zien: verdomhoek wordt behoorlijk bestuur,
Emmen wordt Maastricht, Rome, Helmond, Eemsmond;
Negeren wordt aanbidden, onvriendelijk wordt liefdevol.

Sharon Gesthuizen: proef haar zoete klanken,
Wilma Mansveld: wie keek er plichtsgetrouwer,
Marga Kool de watervrouw, Agnes Kant de wetenschapper,
Sabine Uitslag, Fleur Agema de kunstenares,
Pia Dijkstra, Carola Schouten, geef de tijd aan
Anouchka van Miltenburg, Khadija Arib: scherper dan scherp,
Roelie Lubbers of Sylvia – what’s in a name – Witteman

Moge Allah, de gemeentelijke bestuurswet, God en
Tichelaar met hart, historisch besef, elan,
Ziel, verstand, kloten en vooral…..liefde
Ons behoeden voor een baan in ruil voor bewezen diensten
Een goedgedragbonus voor het werknet vol old boys:
Co, Frans, Jos, Fred, Ivo of Ard
Maar geef ons heden een samensmelting van
Antoinette, Sylvana en famke Femke …………..

MAXIMA

Liefdevol swipe ik je tevoorschijn met een veeg over je wang
Volg de lijnen van je wenkbrauwen, luister naar je gruizige
Stem met dat lichte, buitenlandse accent, dat aan je kleeft
Als eierzoekimpuls aan Friezen, als kauwgum aan een teenslipper
Jij en ik… we ontliepen elkaar, ik miste je bij de opening van
De brave, wilde landen; kou, zwijgende Bartjes
Wachtten; arme, witte hokjesmannen en blauwe neuzen
Met waterdruppels; ijzige ogen, stijfstramme leden
In thermo-onderbroeken juichten mateloos, vlooiden en
Begroetten je man zonder muziek, highfiveden in lucht
Zonder vlagvertoon kwam de zwarte auto, zonder feest,
Zonder warmte want zonder jou, en dus geen tango voor mij
Met jou langs de Drentse bavianen en de lijpe, ontdooide ijsberen
Je straalt en lacht en gulzig zingend blaas je zachtjes in mijn oren
Ik veeg je met mijn jongenshand naar de rand van mijn hart

Pasen in Sleen (2013)

‘t Is zondag, we wandelen, paniek slaat toe,
waar zijn de kids gebleven die net nog naast
ons struinden, vraag ik m’n oude lief verhaast;
ik kijk in ’t ronde, en gil luid: ‘joehoe joehoe’.

De rust van hof, van strekse stenen onder mos,
een drielinggraf, de lelies nog in volle, struise bloei,
is gauw vergaan, verstoord en dood
en even denk ik niet aan vrouwenbloot.

Dan, opgelucht zie ik ver weg een gele
jas: dat is vast één, bedenk ik, rustig nu,
en uit een kuil, een droge sloot, zo’n hele
diepe, kruipt nummer twee, ik dank de hemel, sodeju!

Terzelfder tijd klinkt verderop, vanuit de pastorie,
een opgewonden predikantenstem : ‘kijkaan, kijkaan’,
zeg vrouw, het lijkt wel Pasen potjandrie,
er zijn alweer twee doden opgestaan.

Raadhuisplein

Buikelings liggen we naast de zilveren half-pipes,
Ik verbind me langs de geur van koninginnengras
Met een afdruk van mijn twaalfjarige ik.
Naast mij zie ik oogleden onzichtbaar trillen,
Kieren worden spleetjes worden openingen;
En grijze haartjes veranderen in nieuwe.
Geluiden worden horenderoren minder,
Knopen lossen op, ik roetsj de jarentrappen af
En land voor het vooruitzicht van een
Ruikbare schooltas met een wereld vol
Onmetelijke tijd; polsstok springend jachten we naar
Waar eieren petten met kleppen doen bollen.
We voetballen met de mannen na de schoolbel,
Duwen een vlot door de sloot naar de Trekvaart.

Je hand wijst naar een dak waar straks
Misschien moet worden gemaaid; ik zie enkel
Een tepelvrije dwarsdoorsnede van cup E.
In de betonnen sloot, recht als een gevallen
Kerktoren bestaan slakken, schrijvertjes;
Pantserjuffers beklimmen gifgroen riet tot ze,
moe, hun harde overjassen als miniaturen
Van krokodillen lossen en achterlaten.
De wereld lijkt vernieuwd, maar de tijd bevriest en
Alles wat verandert blijft gelijk en
Jouw lippen willen proeven, almaar proeven
Van mij en gesmolten kaas die nochtans niet druipt,
Maar blikkert en vlamt als een gedachte aan
Wat wil worden herinnerd.

Mees (4 in 1999)

Ruim vier en al zo snel en kwiek bij vlagen
dat ik mij afvraag of je sterke benen
zijn aangeleverd door je ouders’ genen
of door de Drentse wind zijn meegedragen.

Godzijgedankt kun jij ook schaterlachen
en knuffelen en duizend kusjes geven
en zingen in je zelf en heel bedreven
paardrijdend van je vaders rug afraggen.

Als leraar-vader peins ik gediplomeerd
welk deel van het gedrag is aangeboren
en welk deel er later nog werd bijgeleerd;

u voelt vast haarfijn aan hoe ik ga scoren:
de goede elementen zijn van mij
en al het and’re van de maatschappij.

Maarten (8 in 1999)

Hoe hevig ben je, Maarten, acht geworden;
je ogen lachten en je mond een plooi
vol pret en taart, van zes tot acht poesmooi
bezoek dat aan je zwengelde en sjorde.

Telefoon van oma Loris, tante Jels, oma
Schuitema, deze keer niet van opa want
die is immers dood na een korte tijd in coma
en Annie van het spoor uit Swifterband.

Vol spanning stortte jij je op de pakjes,
daarbij wel bijgestaan door broeder Mees,
die moeilijk los kwam van de doos gebakjes.

Diep in je hart, als ik je goed beschouw,
ben je het blijst, achter je pokerface
met het kaartje van Niree: ik hou van jou.

Een leer (uit 1999)

De pauzebel schreeuwt rust en koffie trekt
ons nader, de gode zij gedankt, Ted
viert zijn ouderdom; met veel effect
valt elkeen plechtig aan op een kroket,

zijn mond ontruimd zegt meester TLM,
een likje mosterd aan de lip, met klem:
bij menig mens is kunst een substituut
voor het geloof, ik open het dispuut.

Ach, vriendschap vlakt de scherpe kanten weg
en ik bind in, geef toe en hem meteen
gelijk want zelden gaan die twee tezamen.

Want zeg nu zelf, wie noemt langs zijn neus weg,
een componist, auteur, een fenomeen
met roomse lijn, of tolk van J. Calvijn? Amen.

Mijn vroegste herinnering

Er broedde een merel in de oksel van de steenperenboom in de voortuin. De grote letters TOLLENAAR bladderden af van de betonnen dakrand van het bushokje. De vuilniswagen kwam de hoek van de Van Eysingalaan om en twee gemeentemannen sprongen van de treeplank om de vuilnisemmer leeg te gooien. In de woonkamer werd de verjaardag van beppe gevierd met ranja, vruchten op sap en voor de mannen een berenburg. Beppe was als altijd in het zwart gekleed en staarde naar buiten. Om haar hals feestelijke bloedkoralen. Wie wist waar haar gedachten waren gebleven nadat ze in Leeuwarden geshockt was? Het was half twaalf in de ochtend. Heit had de radio uitgedaan en stak een sigaar op. Niemand kon mooier een baan blauwe sigarenrook naar de symmetrische plafondvlakken zenden dan hij. Stemmen klonken, gelach. Maar ik zag niks. Ik hield mijn hoofd stijf geklemd tegen de hals van mem, mijn handen speelden achter haar nek met de sluiting van een kettinkje net onder de watergolven in mems haren. Ik rook mem. Een vleugje Nivea en een beetje eau de cologne.’Klonje,’ zeiden ze bij ons thuis. Ik speelde dat ik op mijn duim zoog. Lippen op elkaar en geconcentreerd mijn mond vacuüm zuigen, dat maakte zo’n apart geluid, vooral als je veel speeksel had. Mem speelde het spel mee, kietelde me en zei: ‘Tomme út de mûle.’ We gierden beiden van de lach als ze doorkreeg dat ik haar fopte. Bij mem op schoot zitten was het leukste wat er bestond. Het was niet een alledaagse traktatie, want ik moest haar schoot delen met Folkert, mijn tweelingbroer. Vaag herinnerde ik me dat we samen op mems schoot zaten, altijd met het hoofd naar mems borsten gekeerd en de ruggen naar de buitenwereld. Hoe oud ik was? Drieëneenhalf of zo? Vier?

Oom Piet vertelde het verhaal dat Folkert en ik, we waren twee, met een riem vastgebonden aan de tafelpoot op de pot zaten, hard werkend zindelijk te worden. Folkerts plas kwam altijd iets eerder en genereus schonk hij de helft in mijn potje. ‘Klear mem, klear,’ riepen we en dan waren we weer vrij. Aan het geklak hoorde ik dat heit mijn aandacht vroeg. Hij stak dan altijd beide delen van zijn kunstgebit naar buiten en maakte klakkende geluiden. Hij stak het sigarenbandje omhoog, een grote deze keer. De bandjes van bokjes stelden niets voor. Af en toe rinkelde de telefoon. Ietsje had de beurt vanochtend. Geroutineerd stond ze klanten te woord. Af en toe liep ze even naar het kantoor om iets op te zoeken. Pake en beppe uit Nes zouden pas ’s middags komen. Met een gulden. Boven het buffet zaten twee schuifdeurtjes naar de keuken. Ik hoorde Annie zingen en ik rook versgekookte appelmoes. Een heerlijke, zure geur. Borden en bestek werden achter het luik klaar gezet. Folkert hielp haar. Vanuit een ooghoek zag ik mijn dinky toy op het buffet staan. Een groene vrachtwagen op een zwart chassis met gele hekken. Een echt stuur achter de raampjes. Achter de hekken twee koeien. Swart-wyte, natuurlijk. De auto had, samen met een handvol pepernoten en een suikermuis verpakt gezeten in een afdroogdoek. De handdoek was natuurlijk voor mem. We vonden de schat op 6 december 1959, ’s morgens vroeg om half zes. Folkert en ik hadden amper een oog dicht gedaan. Folkert kreeg een raceauto. De hele morgen hadden we met de auto’s gespeeld op een wirwar van wegen die we van ingedroogde kastanjes hadden gemaakt. Onze knieën waren ruw van de kokosvloerbedekking. Als Annie om zeven uur benedenkwam, ruimden we de kastanjes weer op. Annie was op zes januari 1956 bij ons komen wonen, de dag na de geboorte van Folkert en mij. Ze had een eigen slaapkamer en werkte zes dagen in de week als hulp in de huishouding. Toen we een keer met haar naar de kleuterschool waren gelopen om zus Tjitske op te halen, dachten schoolkinderen dat zij onze mem was. We liepen langs fietsenmaker Van der Ploeg, die speciaal voor mem een verlengd bagagerek had gelast zodat Folkert en ik beiden achterop de fiets mee konden. Om de beurt mochten we de armen om mem slaan. Een vleugje Nivea, wat Sunlight.

Nico de Mus

Personen: heit Anne, de vader; mem Sjoukje, de moeder; beppe Jelske, de oma; oom Jaap, de oom; Annie, de hulp; juffrouw Visser, schooljuf klas 1; Jelske, de oudste zuster, 12 jaar; Piet, de oudste broer, 11 jaar; Tjitske, zus 10 jaar; Klaas en Folkert, tweeling 9 jaar, Jacob 4 jaar; bakker Beerstra, Trixie, de hond.

Plaats: woonkamer van het gezin Van der Meulen, Van Eijsingalaan 15 Kollum.

Tijd: vrijdag 5 januari 1965, de verjaardag van de tweeling. Oom Jaap heeft een vrije dag. Juf Visser is te gast omdat haar huis wordt verbouwd en haar eigen keuken onklaar is.

Nota’s voor de regisseur: in het midden van de sober ingerichte kamer (vloerbedekking van kokosmatten, een doorgeefluik naar de keuken, schuifdeuren met glas-in-lood naar de voorkamer, schuifdeuren naar de serre, een deur naar een gang en een deur naar een hal, ramen aan straatzijde met uitzicht op de tuin met twee steenperenbomen met restanten van een merelnest zichtbaar, aan de overzijde van de straat een bushokje met vaag zichtbaar de witgekalkte letters Valkema tollenaar) staat een lange eettafel. Aan de muur een lijst met een papier waarop in zwierige letters: ‘Draagt elkanders lasten’. Een zwarte bakelieten telefoon naast het doorgeefluik. Op de vloer een krantenstaander met de Leeuwarder Courant, de Kollumer Courant, de Libelle, een enveloppe met eruit stekend een beduimeld zwart-witte cover van de Sekstant, met, als je heel goed kijkt of inzoomt vingerafdrukken in de maten small en medium. Om de tafel staan 12 stoelen, waarvan 8 gelijke en vier verschillende. Eén aan elk uiteinde, vijf aan de lange zijden. Vanaf de lamp hangen slingers naar de vier muren. Twee stoelen zijn versierd met kleine stukken slinger. Een verdwaalde lampion bungelt aan de lamp. Er klinkt luid geroezemoes en er heerst een lichte spanning vanwege het bezoek van juf Visser. De tafel is bedekt met een stuk tafelzeil met duidelijke slijtageplekken. Op de tafel staan eerst twee grote soeppannen en later twee grote, grijze smeedijzeren pannen met kapucijners, een braadpan met uitgebakken spekjes, twee potten met augurken, een pot zilveruitjes, een pot komkommerschijven, een schaal warme appelmoes. Aan de rechterzijde van elk bord ligt een strook papier van een telmachine en een potlood. Op een tafeltje in de hoek van de kamer ligt een glimmende, lederen bal, het verjaarscadeau dat de tweeling kreeg. In de gang is af en toe een blaffende hond hoorbaar.

Mem (gekleed in een jurk, een schort met op de borst een papieren roos, gemakkelijke schoenen) komt binnen en gaat zitten. Ze zit tegenover de tweeling en naast Jacob en beppe (gekleed in een zwarte jurk, draagt pantoffels en een halsketting van bloedkoralen) en knikt naar heit. Het rumoer verstilt.

Heit: We kunnen beginnen. Sstt.
Vijf kinderen: (beurtelings): Here zegen deze spijzen, amen.
Oom Jaap (kijkt met overduidelijke interesse naar juf Visser tegenover hem) juf komt uit Kollumerpomp, hè?
Juf Visser: Ja, mijn huisje wordt nu verbouwd en vandaag is Huizinga, de installateur bezig. Het water…
Oom Jaap (onderbreekt haar en lacht): In Kollumerpomp is geen voetbalvereniging?
Juf Visser (enigszins verbaasd klinkend): Nee, maar moet dat dan? Ik houd zelf meer van fierljeppen en kievitseieren rapen. (Oom Jaap kijkt verschrikt en niet begrijpend in het rond; juf Visser gnuift en heeft een overwinnaarsblik in haar ogen).
(Ondertussen schenken mem en Annie soep in de diepe borden.)Mem: Er is tomatensoep met balletjes en kippensoep.
Piet: Ik hoef geen soep, hoor.
Klaas en Folkert (tegelijk): Nee, wij ook niet, wij zijn jarig toevallig, dan mogen we de soep overslaan. Wij krijgen vanmiddag ranja en een stuk oranjekoek.
Jacob: En vruchten op sap? Juf, kom ik volgend jaar bij u in de klas? Ik ken de tafels tot vijf al.
Juf Visser: Misschien wel jongen.
Er klinkt een kakofonie van gesprekken, bestek tegen bordranden, de radio pruttelt zacht.
Juf Visser: lekkere soep hoor.
Heit: ja, getrokken met kippenhalsjes van poelier Visser, de halsjes koop ik voor 50 cent per..
Mem: Anne, genoeg, hebben de jongens een goed potlood bij hun bord?
Heit (een beetje verongelijkt omdat hij zijn financieel-economische verhandeling over de aankoop van kippenhalsjes niet kan afmaken): ja, ja, Sjoukje, allemaal geregeld. (Tegen juf Visser): en de halsbotjes kunnen de meisjes gebruiken om kettingen mee te rijgen, kost eigenlijk niks, ook geschikt voor handwerklessen op school, lijkt me. Kijk, (slurpt ze even leeg), blazen kan ook en dan zijn het net een soort van rijgkralen, een soort kleine mergpijpjes.
Annie: Jelske en Tjitske, afruimen graag, schuif de borden maar door het luik dan pak ik ze in de keuken wel aan.
Folkert: mogen wij nog even voetballen in de hal? (Mem schudt lachend haar hoofd).
Annie: dat zou nog wel even kunnen hoor, wij zijn nog bezig.
Piet: weet je wat rijmt op keuken? (Klaas en Folkert lachen en kijken brutaal naar de juf).
Oom Jaap (met een verlekkerde blik op juf Visser): ikke wel man, ik weet er wel twee…
Mem: Piet! Ga even naar de bijkeukendeur, ik geloof dat bakker Beerstra er aankomt.
(Exit Piet, die terwijl de kamer uitgaat wat mompelend zegt): Breuken, deuken, jeuken.
Jelske: Spreuken.
(Jacob doet verwoede pogingen vijf spekjes in zijn broekzak te stoppen):Die zijn taai, ik geef ze aan Trixie.
Tjitske: Beuken.
Juf Visser: Lekker, die warme appelmoes.
Heit: Van eigen boom. Sjoukje en Annie hebben wel vijftig potten geweckt. Met hulp van de kinderen, net een klein fabriekje. Nog geen vijf cent de liter, maar ja, dan moet je de loonkosten buiten beschouwing laten en geen sociale lasten…
Sjoukje: Anne!
Piet (vanachter de deur naar de gang): kreuken.
(De soeppannen worden weggezet en er komen twee grote pannen met grauwe erwten voor in de plaats en een koekenpan met uitgebakken spekjes).
Folkert repeteert hardop de tafels 6 t/m 10. Een keer zes is zes….tien keer tien is tien.
Juf Visser: Wat hoor ik daar?
Heit: Folkert draait alvast even warm, hij is een kei in hoofdrekenen. Jelske, wil jij de spelregels nog even uitleggen, dan kan de juf ook meedoen.
(Ondertussen komt Piet binnen met in zijn kielzog bakker Beerstra)Bakker Beerstra: en ik, kan ik meedoen?
Klaas: zeker, kijk, hier is nog een stoel (Klaas trekt nog een stoel bij voor de bakker). Kijk, een nieuwe bal. (Bakker Beerstra jongleert met de bal en kopt de bal rakelings langs beppe’s hoofd. De bal belandt tegen een raampje in de glas-in-looddeur): O, dat scheurtje zat er al in hoor. Toch?
(Mem doet alsof ze hem niet hoort.)
Jelske: iedereen mag na het aftellen van de klok voor Berichten voor boeren en tuinders beginnen met het eten van grauwe erwten. Gebruik een lepel, dan kan je ze beter tellen. Op de tellijst zet je vinkjes voor elk tiental erwten. Na veertig maak je een hekje. Wie de meeste heeft gegeten is winnaar.
Bakker Beerstra: en tellen stukjes ingelegde komkommer of augurk ook mee?
Folkert: nee en spekjes ook niet.
Klaas: Als tante Tet uit Nes vindt dat iets niet belangrijk is, dan zegt ze: Dat nukt neat. Wat betekent nukken eigenlijk?
(Heit zet de radio harder en iedereen luister naar de klok): en dan volgen nu de Berichten voor boeren en tuinders… (en iedereen begint grauwe erwten te lepelen, ondertussen met de vrije hand een vinkje zittend voor elke tien erwten.)
Juf Visser: dit heb ik nog nooit meegemaakt, prachtig. (Fluisterend tegen heit): Wie heeft dit bedacht? En ze leren gelijk tellen.
Mem (tegen bakker Beerstra): twee tarwe, een halfje wit, twee pakjes roggebrood en kunt u aan het eind van de middag een oranjekoek bezorgen, de jongens zijn namelijk jarig.
Tjitske: De jongens spelen vals! Ik zag Klaas twee vinkjes zetten na één lepel….
Klaas: klopt, ik had daarvoor een streepje overgeslagen, trut.
Mem: Klaas!
Piet: als ik de erwten eerst prak, dan kan ik veel sneller eten….
(Folkert en Klaas kijken belangstellend toe.)
Beppe:(verlaat de tafel en sloft naar de gang): Even pisje.
Mem: Tjitske, breng jij beppe zo meteen even wat toiletpapier?
Juf Visser (kijkt niet begrijpend): Uh?
Mem: Ja, beppe is soms in de war en dan duwt ze zomaar een hele rol toiletpapier in de w.c. De kinderen brengen haar dan wat toiletpapier, zodoende. De kinderen houden beppe om de beurt wat in de gaten.
Juf Visser (kijkt wat ongemakkelijk rond): Okee.

(Dit ritueel gat zo’n vijftien minuten door. Er is veel geroezemoes. Soms een uitroep als er een pot zilveruitjes omvalt of als de opscheplepel van de appelmoes te hard in de kom wordt teruggezet en de appelmoes hoog opspat. Beppe keert weer terug aan tafel, bakker Beerstra is vertrokken en oom Jaap krijgt, ondanks zijn verwoede pogingen bij de juf geen poot aan de grond.)

(De telefoon gaat over, heit knikt naar Jelske, die naar het toestel rent).
Jelske: Met accountantskantoor Van der Meulen (Jelske kijkt naar heit, die zijn pink opsteekt): Nee, die is er niet, om half drie is mijn vader weer op het kantoor.
Heit (wat verontschuldigend tegen de juf): Ach, dit is eigenlijk niet liegen. Ze bellen wel weer. Mijn pink betekent nee en als ik zin en tijd heb, dan steek ik mijn duim op voor een ja. Weet u trouwens dat dit jaar de regeling voor buitengewone lasten is versoepeld, ook voor ambtenaren? U kunt nog tot eind december…
Mem: Anne!
Heit: lekker, hè, die spekjes, die kocht ik van boer Benedictus, een halve koe in de vriezer is voordelig hoor, scheelt heel wat. Zo koop ik binnenkort 50 kg scharretjes van Vishandel Spijkerboer, en..
(Buiten, op straat naast het bushokje, verzamelen zich een stuk of vijf jongens, die een slow handclap doen en luid scanderen: Voet-Bal-Len!)
Mem: Laatste ronde, de jongens moeten naar school. Neem de voetbal maar mee. En na schooltijd mogen jullie ieder drie kameraden meenemen.

Heit: Het is tien voor één, de briefjes inleveren bij Piet.
Piet (staat alvast op): Ik ga de standen wel even in het kantoor uitrekenen, dan kan Willem het nog controleren. Vanavond volgt de uitslag.
Heit: Ho ho, eerst nog lezen. Tjitske is aan de beurt. (Tegen Jacob die al met de kinderbijbel aan komt zetten): Jacob mag morgen weer uit de kinderbijbel lezen. (Tegen de juf fluisterend en tegelijk knipogend): Nou ja, lezen, Jacob doet alsof hij leest. Hij heeft de verhalen onthouden en vertelt ze na vanuit zijn geheugen, je hoort geen verschil met lezen. Vier jaar!
Tjitske vol trots: weer verder bij Nico de Mus?
Heit: Nicodémus, weet je nog, ja ga daar maar verder in Johannes 19.
(De stilte keert terug en Tjitske leest serieus en kraakhelder het Bijbelfragment).
(Na afloop daarvan stormen beide jarige jongens van tafel nog voordat heit ’Sssttt’ als beginteken voor het gebedsprevelementje heeft kunnen laten horen)
Heit: Nou ja, ze zijn jarig hè….

Catechisatie

‘Doordat je de voorhuid over de eikel trekt en het dan weer snel terug schuift, ontstaat een prettig gevoel. Als je dat lang en snel genoeg volhoudt, ontstaat een ontlading, ook wel orgasme of klaarkomen genoemd. Maar als je besneden bent, is er wat van de voorhuid, zie plaatje 6c in § 4, weggesneden en als dat rafelig is afgewerkt, wordt aftrekken lastig, maar het kan nog wel hoor. De chirurg of vroeger de medicijnman, neemt de penis in zijn linkerhand, de zuster of dorpsoudste schuift de voorhuid iets op en knip, met de schaar of een scherpe steen wordt een stukje van de voorhuid weggesneden.’ Klas 1g van het Oostergo Lyceum in Dokkum luistert ademloos naar hun biologieleraar, meneer Germs, voor de Kollumers Harley-Frits. Meneer Germs vervolgt zijn route over lastig masturberen na de besnijdenis met informatie over de heilzame werking van vaseline of uierzalf die, mits niet te uitbundig aangewend, uitkomst biedt. De meisjes in de klas kijken met bewondering naar de jongens, die, zonder uitzondering, hun friemelende handen heel ver in de diepe broekzakken hebben verstopt. Meisjesbesnijdenissen werden nog niet genoemd in het biologieboek. En hup, daar gaat meneer Germs al weer verder met ejaculatio praecox en geslachtsziekten van a tot z in § 5.

De meesten van ons gingen vanaf hun twaalfde, net na de lagere school en na de laatste keer zondagsschool naar catechisatie. Op dinsdagavond zeven uur tot net voor achten in de consistoriekamer, achter de hervormde Maartenskerk aan de Voorstraat. Waar het precies goed voor was, wisten we niet. Onze ouders stelden er prijs op en het duurde maar zes maanden per jaar. Uiteindelijk, als je niet oppaste, leidde het tot belijdeniscathechisatie, maar zover is het niet gekomen. Dominee Dijkmeijer en zijn opvolger dominee Breeuwsma hadden de taak ons bij te praten over de Heidelbergse catechismus en gewoon over bijbelse en kerkelijke aangelegenheden. In feite was catechisatie een vervolg van de jongelingenvereniging. Dat was een club, vroeg in de avond, waar je, begeleid door vlotte vaders die ook voetbalden, kon knutselen, waar je uitbundig sinterklaas vierde en bij je kameraden een muis als cadeau bestelde en waar je leerde roken. Eenmaal per jaar gingen we met de jongelingenvereniging op kamp naar Ameland of Sellingen om kennis te maken met seksboekjes als Candy en Chick. De leiders van de jongelingenvereniging, naast voetballende vaders, vaak meesters van de lagere school, hadden, in samenspraak met enkele ouders, aangedrongen op een meer moderne aanpak van de catechisatie. Dat leidde ertoe dat we altijd vragen mochten stellen over dingen die ons bezig hielden. Vooral veel discussiëren over levensvragen was de bedoeling, dat zou de geesten scherpen. Vol vuur spraken we over Israel en kibboetsen; waarom god het beloofde land in zo’n dorre streek had gepland en niet in noordoost-Friesland; wat het verschil was tussen gereformeerd en christelijk gereformeerd; of je zwemmend in de Dode Zee niet op onsportieve manier aan je zwemdiploma kwam; waarom wel een gebod: eert uw vader en uw moeder, maar niet: eert uw kinderen; waarom in de bijbel, het boek van liefde, toch zoveel wordt gemoord, afgeslacht, gespietst, verbrijzeld, met de pest geslagen; of tongzoenen ook onkuis was; of het niet jaren zou duren als de ark van Noach echt met van alle dieren een tweetal gevuld werd; of Johnson een oorlogsmoordenaar genoemd mocht worden, rector Heukels en leraar Engels, meneer Van de Peppel van het Christelijk Lyceum in Dokkum hadden er immers schande van gesproken; of twee keer masturberen per dag was toegestaan; of er voor die arme katholieken een speciaal kamertje was aan de rand van de hemel omdat zij immers de brede weg bewandelden met die on-Bijbelse Mariaverering, een paus als opvolger van Petrus, en, het moest niet gekker worden, plaatsvervanger van JC, en dan ook nog allerlei gesneden beelden aanbaden; en hoe het toch kwam dat er, volgens de leraar maatschappijleer, geen grote Nederlandse schrijvers waren die zich christelijk noemden, tenminste volgens een radioreportage van de V.P.R.O.?

Op de fiets terug van Dokkum naar Kollum hadden we het besproken. Wietse, Andries, Anton uit Veenklooster, Johannes uit Westergeest, Rudi, Folkert en ik waren het erover eens. We zouden die suffe catechisatielessen wel eens opschudden en dominees kennis van besnijdenis testen. De meiden, inclusief Atsje, over wie ik later nog een gedicht zou schrijven, lieten we buiten het complot.

‘Dominee, in de bijbel staat dat jongens en mannen werden besneden, maar wat is dat eigenlijk? Bent u ook besneden? Waarom worden wij niet besneden? Worden vrouwen ook besneden? Is de bijslaap na besnijdenis nog wel lekker? Als je besneden bent en een kapotje gebruikt, voel je dan nog wel wat? De dominee begroef zijn handen diep in zijn broekzakken.