28 x Andalusië; 1 – 7 TORREMOLINOS

Martes trece febrero. In het Centro Cultural Pablo Ruiz Picasso te Torremolinos worden cursussen gegeven: Frans, Engels, Chinees, fotografie, kantklossen, yoga en schilderen. Er zijn cursusruimtes, een auditorium, expositiezaal, uitzicht op zee en een cafetaria. Op vrijdagavond bezoeken we een jazzy concert: romantische, klassieke jazz. Gratis. Het kwartet heeft meer dan genoeg power en kwaliteit om de aangrenzende carnavalsvoorbereiding te overstemmen. Torremolinos is een mooie vakantiebestemming, vooral, of misschien uitsluitend, in het voorseizoen. Sinds eind vorige eeuw is het losgeweekt van Malaga en een zelfstandige gemeente. Het telt ruim 70.000 inwoners. Veel Nederlanders hebben de ‘frites van Piet’-reflex bij het horen van de Spaanse naam voor Torenmolen.

Miércoles catorce febrero. Voor een roodgeaderde smient bezoeke men Schier, Rügen of Engelands zuidkust. Wil je behalve vogels spotten ook genieten van wat cultuur, een prettig klimaat, relaxte terrasjes, heerlijke vis, dan is de kust van de provincie Malaga misschien iets. Palmbomen op het -schone- strand, een schitterende promenade Paseo Marítimo, onderdeel van het 180 km lange Kustpad, schoon zwemwater: deze ideale combi bestaat. Torremolinos ligt aan de Costa del Sol, een van de eerste populaire zonbestemmingen voor veel Nederlanders. Voor ons is februari in Spanje voorjaar; voor Spanjaarden is het nog winter. Moet ons vliegtuig op Schiphol nog ontijsd worden, vijf uur later smeer ik me in de zon op het strand in met factor 30.

Jueves quince febrero. Spanje is een relatief goedkoop vakantieland, maar wat betekent dat concreet? Wij huren een auto gedurende 28 dagen voor € 128,-, inclusief een basisverzekering, maar met een hoog eigen risico. Een glas bier en tapas (een schaaltje garnalen) kost € 1,- Een volledige maaltijd met gegrilde sardienen, gemengde sla, brood en een flesje mineraalwater € 10,-. Supermarkten hebben een met Nederland vergelijkbaar prijspeil. Culturele activiteiten zijn goedkoop. Een klassiek concert in het Auditoria ‘Principe de Asturias’ doet € 8,-. Daartegenover staat dat je geen pijl kunt trekken op openingstijden. De botanische tuin is in februari open van 16.00 – 18.00 uur.

Viernes dieciséis febrero. Enkele belangrijke bouwwerken in Torremolinos zijn de Plaza de Toros en het gemeentehuis, respectievelijk rond en hoekig. Het gemeentehuis met zijn strakke vormen en moderne constructietechniek lijkt ontworpen volgens de lijnen van De Stijl. In Torremolinos zijn veel hotels, een oud centrum, vele playa’s en een drukke vissers- annex jachthaven. Opvallend is een op de stadskaart als ‘LGBTI-friendly area’ aangeduid gebied. Voor rolstoelers, scootmobielen en rollators zal niet elke straat of passage prettig zijn. Er zijn vele -soms autovrije – plaza’s en in het algemeen zijn de straten, op een enkele hondendrol na, schoon.

Sábado diecisiete febrero. Félipe & Tony zingen als de besten terwijl Jairo met de pet rond gaat. Het lijkt alsof ze met opzet af en toe een vals nootje produceren. Dat ontlokt het publiek een glimlach, wat weer leidt tot meer generositeit in de pet. Ze lichten hun presentatie toe in, voor muziekdocenten, redelijk goed Engels. De verhouding Spanje/Engels is een beetje als water/vetvlek: het werkt uiterst moeizaam. Net als in Italië, waar zich hetzelfde manco voordoet, schrijf ik dat deels toe aan de televisie: alles wordt nagesynchroniseerd. Niet voor niets staat Spanje op de 18e plaats in de English Proficiency Index en Nederland derde (en Italië 24e).

Domingo dieciocho febrero. De voor Burkina Faso kenmerkende lemen architectuur kom je tegen in Emmens WildLands, maar ook in Torremolinos’ Crocodile Park. Het ligt naast de botanische tuin, de gemeentelijke plantenkassen, Aqualand, tegen een dennenbos aan. Het schijnt dat je daar een jonge krok mag knuffelen. We vragen ons af waarom in de gemeentelijke plantenkassen geen werkgelegenheidsproject voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt is georganiseerd. Per slot van rekening kent Spanje (nog steeds) een hoge werkloosheid (in januari 2018 16,5 % tegenover 23,5 % in 2015). Onder jongeren lag het nog hoger: boven de 35 % in december 2017.

Lunes diecinueve febrero. We zien weinig blauw op straat. We lezen en merken niets van criminaliteit. Een juwelier stalt een display met ringen uitdagend buiten uit. In het gemeentehuis spreek ik een advocaat die papierwerk afhandelt. Ze vertelt dat het in Torremolinos meevalt met de kwade zaken. Een mevrouw op straat heeft hetzelfde verhaal. “Mijn ouders emigreerden zestig jaar geleden vanuit Denemarken naar hier. Misschien dat het bij de stranden voorkomt, maar we merken van criminaliteit niets.” De eigenaresse van ons appartement zegt: “Je hoeft de deur niet eens af te sluiten, want hier gebeurt nooit iets.” Deze verhalen zet ik af tegen de beveiligingsinstallaties bij huizen en winkels. Bijna alle ramen zijn voorzien van tralies. Om alle tuinen staan hoge hekwerken. Voordeuren, vaak dubbele, hebben doorgaans een drie- of vijfpuntssluiting.

Halahaixiang (vervolg van Golden Wings)


“Ik mag jullie een nadoodgesprek aanbieden,” zegt Sjaakje Oerdedam via de telefoon. Ze zit in haar Volkswagen Jetta hoor ik. Het open raampje maakt een gierend geluid als ze over de nieuwe brug over de Krûme Ie nabij Burgum rijdt. Mijn Samsung heeft daar moeite mee. Sjaakje is huisarts van mijn overleden oudste zus.
“Oudste zus had een overlijdensrisicoverzekering die was uitgebreid met een extra module. In die module zitten twee nadoodgesprekken met maximaal twee naaste familieleden.” De Jetta, aan het janken te horen een TSI hybride, heeft zijn laatste beurt gemist, de versnelling kraakt.
Ik weet alles van Jetta’s maar van nadoodgesprekken heb ik nog nooit gehoord.
“Goed, dat lijkt mij wel wat,” zeg ik. Ik zet mijn telefoon op de luidspreker en ga door met het afplakken van strakke lijnen op een vierkant klein doek.
“Omdat jij destijds uitweidde over mijn taak als huisarts, wil ik bij voorkeur jou als gesprekspartner,” zegt Sjaakje vriendelijk. Op een inpalmende toon, zal ik later denken en in mijn dagboek noteren. “Kom maar alleen. Met zijn tweeën praten is wel zo gemakkelijk.”
“Goed,” zeg ik. Wat zou ze willen? denk ik. Negenenveertig tubes acrylverf staan op de kop voor me klaar.
“Wacht, ik parkeer even op een uitwijkhaven. In de kleine letters lees ik dat de nadoodgesprekken op een locatie naar keuze van de nabestaanden mogen worden gehouden,” zegt Sjaakje. Ik hoor dat ze de knisperende polisbladen op haar knieën uitspreidt. Ik hoor nog iets in haar stem, maar kan het niet zo snel thuisbrengen.
“Dat wordt dan aan de oever van de Leijen,” zeg ik. “Daar kwam oudste zus graag.” Na even denken voeg ik eraan toe: “Zou je dan van tevoren even willen googelen op huisartsenij in Halahaixiang? Dat is in Noord-China, niet ver van Qiqihar.”
Sjaakje Oerdedam klinkt niet in het minst verbaasd als ze mijn niet alledaagse verzoek hoort.
“Goed,” antwoordt Sjaakje. “China is hot de laatste tijd. Mijn collega onderhield me laatst over taoïsme. Kennis daarvan zou in discussies belangrijk kunnen zijn. Iets over een strakke en een gebogen, mee verende arm.”

Sjaakje is niet gek, denk ik. Gelukkig maar. Er zit niet een sticker met een vis achter op haar Jetta. Vissenstickers zijn een teken gods en Jetta’s worden veel gereden door gelovigen. Huisartsen met een vis kun je beter mijden. Gelovige dokters vertrouw ik niet en ziekenhuizen met grote kruisen op de daken, als magere antennes uit de vorige eeuw, evenmin. Op Sicilië in de vakantie oefen ik dagelijks zinnen waarmee ik naar een niet-gelovige dokter vraag.

Als ik mijn sandalen uitschop zie ik brede bruine strepen als afgeplakte lijnen op een nieuw doek. Ik zit in een geometrische periode. Sjaakje is tegenover mij komen zitten. Ze draagt een driekwart broek en een te vaak gewassen T-shirt. Dat ze aan thaiboksen doet had ik niet verwacht.
“Vroeger was het kaatsen en nu thaiboks ik dus. Nog niet zo lang hoor.”
Ik kijk naar haar armen en probeer mij haar voor te stellen als krabi-krabong vechter. Of liever als een verre nazaat daarvan. Had Sjinkie Knegt niet ook Chinese voorouders? Ze zweet. Haar oksels tonen ronde vlekken als kringen op een te vaak gebruikt biervilt. Toch ruikt ze niet verkeerd.

“Waar wil je het over hebben?” vraagt Sjaakje geroutineerd. Zij heeft duidelijk vaker een nadoodgesprek gevoerd.
“De huisartsenij en hoe die in Nederland is georganiseerd,” antwoord ik. “De perversie van de stuksmethode.” Ik hoor dat ik plechtig klink. Ik heb nagedacht. Ik wil het gesprek ten volle benutten. Niet weer dat onbevredigende gevoel achteraf dat ik meer en anders had willen zeggen.
Ik zie dat Sjaakje mij bestuderend aankijkt. Haar rechterwenkbrauw wat opgetrokken als een jonge Weimaraner die in onbekend gebied komt. Ze leunt voorover in mijn richting. De strandparasol geeft haar een lichtoranje kleur als ranja dat met te veel water is aangelengd.
“Dus niet over de dood van oudste zus?” constateert zij vragend. Van een jonge Weimaraner verandert ze in een oude.
Ik ga door zonder te reageren.
“Ik zou willen dat huisartsen zich aan de eed van Hippocrates houden. Of aan de artseneed van het NAV of de KNMG. Dat zij zich preventief meer bekommeren om de gezondheid van patiënten,” zeg ik. “Dat ze niet alleen in actie komen als er patiënten naar hen toekomen. Dat ze niet per handeling betaald worden.” Mijn stem klinkt gejaagd, hoor ik.
“In Noord-China schijnt een gebied te zijn waar dokters worden afgerekend op het aantal gezonde namen in hun kaartenbak. In de buurt van Halahaixiang, om meer precies te zijn.”
“Maar ik heb een drukke praktijk,” antwoordt Sjaakje stoïcijns.
“Ja, klopt,” zeg ik. “Maar dat komt omdat jij alle patiënten zomaar toelaat op je spreekuur.”
“Moet ik ze dan voorselecteren?” vraagt Sjaakje enigszins ongerust. Ik zie haar denken. Ze kijkt naar een surfer in de verte die met moeite blijft staan.
Sjaakje bestelt een Leffe Blond. Ik zie kleine barstjes in haar lippen. Pier brengt de glazen. Als Sjaakje zich ongegeneerd uitrekt komt haar navel vrij. Pluisjesvrij, zie ik.
“Jazeker,” antwoord ik. ”Hoogopgeleide patiënten die langskomen met kwaaltjes van niks zou je moeten weren. Zou jouw beroepsgroep moeten weren,” voeg ik er formeel aan toe.
“Wat noem jij kwaaltjes van niks?”
“Nou, gekneusde ribben, kalknagels, hoofdpijn, wratjes, verstuikte enkel, griep. De tijd die je daarmee overhoudt besteed je aan echt zieke patiënten.”

Sjaakje kijkt bedachtzaam voorbij een groepje zwemmers verderop in de Leijen. Een schuimrubberen drijfstaaf steekt omhoog als de Labellostick naast de bierglazen. Ik voel dat Sjaakje welwillend wil zijn. Ze vindt het nochtans moeilijk. Ze kijkt op haar horloge. In gezelschap op je horloge kijken is als smakken aan tafel. Zou naast misofonie iets als misoscopie bestaan, vraag ik me snel af. Zou precies passen in de trend van de hedendaagse klusjespsychologie, overweeg ik. Ik concentreer me weer op Sjaakje als een puber op de Franse juf.
“En dan die anderhalf duizend overbodige medische handelingen,” vervolg ik. “Die nalaten levert veel tijdwinst op.”
“Dat was een onderzoek onder specialisten en niet onder huisartsen,” zegt Sjaakje.
Sjaakje kijkt naar de oude verfvlekken op mijn elleboog.
“Zullen we de volgende keer over oudste zus’ dood praten?” vraagt ze niet onvriendelijk, “als jij het goed vindt.”

Van Gogh Huis Drenthe, Veenoord/Nieuw-Amsterdam (€ 5,-)

Het Van Gogh Huis in Veenoord/Nieuw-Amsterdam is het enige openbaar toegankelijke pand in Nederland waar Vincent van Gogh woonde en werkte.

Drenthe is in de 19e eeuw een gewild oord onder kunstenaars. Maar wat zoeken behangschilders Egbert van Drielst, Hendrik Willem Mesdag, Marie Cremers, L. W. R. Wenckebach, Van de Sande Backhuyzen, Van Dulmen Krumpelman, Van Rappard, J. Bosboom en later Vincent van Gogh allemaal in Drenthe in de 19e eeuw? De levendige en vaak lyrische brieven van Van Gogh aan zijn lievelingsbroer Theo geven het antwoord. Ze lezen als een toeristische folder van Magisch Drenthe: men zoekt rust, natuur, ongereptheid, puurheid, kortom: schoonheid. En af en toe een prostituee voor de gezelligheid natuurlijk. Onder het mom van ‘een model inhuren’ was er veel mogelijk, ook in Veenoord. Van Gogh maakte ontdekkingstochten door de veengebieden en zijn doel was de gewone mens, de landarbeider, te schilderen. Maar het was voor de gesjeesde theologiestudent annex domineeszoon Van Gogh natuurlijk niet alle dagen feest in Drenthe. Met de trekschuit De Snikke was Vincent vanuit Hoogeveen neergestreken in Veenoord. Volgens museummedewerker Anne de Vries werd hij ternauwernood als gast geaccepteerd door hoteleigenaar Scholten. Ma Scholten laat hem binnen en Van Gogh krijgt een prachtig bovenkamertje. In dit nagemaakte hotelkamertje zouden zich enkele onbehandelde planken bevinden uit de periode dat Vincent van Gogh hier logeerde, aldus De Vries. Nog een overblijfsel uit de periode met de beroemde gast is een lampetset die via de kleindochter van mevr. Scholten boven water kwam. Geldgebrek, eenzaamheid, rusteloosheid en melancholie zouden Van Gogh na een maand of drie (andere bronnen spreken van twee) weer uit deze contreien hebben verdreven. De gezelligheid in het café op de begane grond was voor de kunstenaar of niet bereikbaar of niet genoeg. Vanuit Veenoord bezocht Van Gogh Zweeloo, waar Berlijner Max Liebermann, nog zo’n fervent Drentheganger, verbleef. Drenthe inspireerde Vincent, hij schreef er ruim twintig brieven en hij maakte er veertig kunstwerken. Dat Van Gogh een werkzaam leven leidde bewijzen de 1100 schetsen en studies, 900 olieverfschilderijen en aquarellen en de zowat 1000 brieven die hij naliet. Ook verhuizen vergde veel van zijn tijd. Na Groot-Zundert, Den Haag, Londen, Parijs, Ramsgate, Dordrecht, Amsterdam, Brussel, Hoogeveen strijkt Vincent neer in Veenoord/Nieuw-Amsterdam. Latere woonplaatsen zijn nog Nuenen, Antwerpen, Arles, en Auvers-sur-Oise.

Op de bovenverdieping van het Van Gogh Huis kijken we naar een film over de Drentse periode van Van Gogh, met Mike Reus in de rol van Vincent. De teksten komen allemaal uit zijn brieven. De nagemaakte hotelkamer, compleet met een schilderstafeltje,  geven een goede indruk van de toestand vroeger. Met een periscoop (!) kunt u op de zolder kijken waar oude spullen uit de tijd van Van Gogh zijn uitgestald.

Golden Wings

“Hebben jullie nog vragen?” Huisarts Sjaakje Oerdedam zegt het op een toon als wil zij een compliment ontvangen. Soms heb je dat. Na een ingewikkelde klus moet er worden nabesproken, het liefst met een positieve twist. De gedachten zijn al bij een glas fris.
Oudste zus zegt niets. Ze ligt al een half uur in de kist. Sjaakje Oerdedam had de dood vastgesteld, nadat wij oudste zus de dood hadden zien inglijden. Nu is uitvaartverzorgster Sjoerdsje Praam bezig oudste zus wat op te knappen. Vier broers en jongste zus voelen zich eendrachtig rot en opgelucht. Dood is nooit mooi. Maar nu het achter de rug is, is het goed. Ja toch?
Sjaakje kijkt ons aan. Als een organist trekt ze ‘luchtig register’ open.
“Als er geen vragen meer zijn, dan ga ik maar eens,” concludeert ze voorbarig. Ze verlangt hevig naar de stoel van haar Volkswagen Jetta. Raampje open en…

“Waarom,” zo begin ik aarzelend, terwijl ik Sjoerdsje Praam negeer en de zijkant van Sjaakjes streepjesonderboek bestudeer, streepjes die duidelijker en kleurrijker worden naarmate Sjaakje schever op de stoel gaat zitten en haar billen dus meer onder spanning komen te staan, “waarom heb jij oudste zus nooit op de gevaren van roken gewezen?” Streepjes overdwars maken breed, denk ik tussen de bedrijven door. Ze had beter verticale streepjes kunnen kiezen. Of een minder doorschijnende rok, dat leidt ook minder af.
Tweelingbroer schrikt. Ik zie dat hij denkt: ‘godver, waar gaat hij nu weer heen?’ Oudste broer kijkt vertrouwend toe. Jongste zus en twee jongere broers kijken vol rust naar buiten, ze denken aan zwemmen, vliegeren en hardlopen. Overbuurvrouw Geartsje Schoenema loopt voorbij. Geartsje twijfelt zichtbaar. Een knikje of de hand opsteken? Als compromis kijkt Geartsje naar de nu bijna onfatsoenlijk uitbundige hortensia’s.

Sjaakje laat de hengsels van de dokterstas los en kijkt mij aan. “Alle mensen hebben een eigen verantwoordelijkheid. Oudste zus kende de gevaren. Ik heb een drukke praktijk.” Ze verschuift ten teken dat de eindevaluatie voorbij is. Ze moet nog een rapport schrijven. Haar rok trekt een beetje op. Kniekousen dwingen mij te blijven kijken. De ene is wat afgezakt en laat een diep spoor na, net onder de knie. Ik zie een oud, geribbeld, bleek litteken op d’r knieschijf. Sjaakje heeft vroeger gekaatst, weet ik.
Ik denk aan school. Tegen vijven lonkt de buitenlucht. De belangrijkste vragen worden aan het eind van de vergadering gelost. Iedereen wil naar zijn fiets.
Ik had het oudste zus een keer gevraagd. “Is je huisarts wel eens bij je langs geweest? Heeft Sjaakje Oerdedam je gewaarschuwd voor longkanker?”

In Ureterp is een huisarts die het dorp rookvrij wil maken. Ook een vrouw natuurlijk. Sommige dokters hebben goede initiatieven. Op de televisie komen twee felle kankerspecialisten voorbij die sigarettenfabrikanten de maat nemen. ‘Verdomme, ze gaan ze aanklagen,’ hoop ik hardop als ik zit te kijken. Sportverenigingen willen rookvrije kantines. Ziekenhuizen bepleiten asbakloze ingangen. Scholen combineren de strijd tegen de krimp met die tegen de sigaret.
Huisartsen hebben het druk. Dat weet ik wel. Mijn eigen huisarts had mij acht vrijdagochtenden laten terugkomen om mijn bloeddruk te laten meten door een physician’s assistant. “Het ziet er nu goed uit, maar kom toch nog maar een keer terug. Het is een momentopname.”

“Oudste zus heeft gymnasium gedaan. Daarna nog twee masters. Zij kende de gevaren van roken.”
Sjaakje staat nu naast haar stoel. De oude caféstoel heeft een scheur in de zitting. De stroeve metalen veer kan je behoorlijk raken, weet ik. Als de punt van de veer tussen je billen komt, ben je zuur. Vertel mij wat.
Als Sjaakje haar tas pakt, zie ik een streep blote rug. Een verschoten hemd kruipt naar boven als een schaduwstreep in de middagzon. De stoelleuning tekent lichte contouren op haar vel als een tatoeëerder hulplijntjes voor golden wings.

The American Dream, Amerikaans realisme 1945 – 2017 in Assen (en Emden)

De dubbeltentoonstelling is een prachtig voorbeeld van internationale samenwerking door musea in de regio. Meer dan 200 kunstwerken zijn in beide musea te zien. Assen biedt 58 werken uit de periode 1945 – 1965 aangevuld met een handvol (super)recente werken en Emden zo’n 150 vanaf 1965. Verschillen in aanpak zijn er ook: in Assen is alles in één zaal geplaatst, in Duitsland worden meer ruimtes gebruikt. Als het druk is in Assen is het onmogelijk met enige afstand naar de werken te kijken. Iedereen vraagt zich af waarom in vredesnaam het balkon niet wordt gebruikt. Nu staan daar slechts fauteuils voor een handvol luisteraars. Er is een indrukwekkende, oneindig lijkende lijst sponsoren. Iedereen weet dat bij grensoverschrijdende projecten de subsidies over de plinten klotsen. Toch vraagt Assen kleingeestig nog € 2,- pp naast de museumkaart. Waarin een klein museum groot en dus weer klein kan zijn. Assen presenteert een piepklein informatieboekje (met soms één woord als toelichting (bijv. ‘Zeefdruk’ bij een Roy Lichtenstein)). 

Emden is royaler met een groot boekje met veel meer info en nuttige fotografie als illustratiemateriaal. Okee, okee, genoeg, maar wat een prachtexposities. Naast beeldende kunst is er info over politiek en muziek uit die tijd.
Na de grote overzichtstentoonstelling van Hopper in 2004 in Keulen wil ik weer echte Hoppers zien. Hopper was een veelschilder. Hij maakte meer dan 3000 werken, waarvan er nu (zegge en schrijve) twee in Assen te zien zijn: ‘New York Restaurant’ en ‘Morning Sun’, respectievelijk geplaatst onder het thema Stad en Mens. Andere subtitels in Assen zijn: Verhaal, Stilleven en Platteland. Ik kies de invalshoek van het verhaal.

Hoppers Morning Sun (1952) toont een vrouw op een bed zittend en kijkend naar een huizenblok met op de achtergrond een waterreservoir. Twee elementen domineren: de vrouw en de mooie groenige lichtbaan die achter haar op de muur wordt geprojecteerd. Wat haar interesseert of obsedeert, waar ze naar kijkt, zeg het maar. Ze poseert overduidelijk. Opvallend zijn haar vlekkerige huid op de bovenarmen, haar forse bovenbenen, witte voorhoofd, en haar ogen, bestaande uit donkere driehoekjes. Haar mondspieren lijken strak. We lezen dat het om Hoppers vrouw gaat die haar man te verstaan heeft gegeven niet langer van modellen gebruik te maken maar dat hij haar moet schilderen. Een eenzame vrouw, denk ik, als ik haar bekijk. ‘Verdomme, waarom moest dat raam zo nodig open,’ denkt ze. ‘Straks zal Ed wel weer zeggen dat het alleen om het licht om de muur ging. Wat gaat hij met mijn okselhaar doen en mijn artrosevinger? Als dit maar goed gaat.’

Iedereen die in een kerktoren wel eens de vlag heeft moeten hijsen kent Toll Rope (1951) van Andrew Wyeth. Je opent een piepende en krakende deur en je beklimt een wenteltrap. Na vijftig treden beginnen de houten ladders. Sommige staan vast, een enkele wiebelt op een te smal plankier en alle zijn door houtwormen bezocht als bejaarden door in hun hoofden borende kwade dromen. Een muf ruikend henneptouw biedt houvast bij paniekaanvallen. Boven je kiert een baan licht en zijn duiven, rustgevend als altijd, hoorbaar. De wind suist om de taps toelopende torenspits. Bij elke stap dwarrelt stof op. Je verbaast je telkens weer over de ingenieuze pengatverbindingen die de balken spijkervrij aan elkaar kluisteren. Hier en daar een krijtstreep als een spoor van je voorganger, een halve eeuw geleden.


Van The Lake in Central Park (2017) van Stone Roberts is de verf nauwelijks droog. Een maand of vier voor deze tentoonstelling rondde Roberts dit prachtige verhaalschilderij af. Een propvol meertje in Central Park (NY) met tientallen bootjes op een kleine oppervlakte. Waar je kijkt zie je precies geschilderde mensen die het naar de zin hebben in Central Park. Er worden selfies geschoten als buksen op de kermis en men heeft oog voor elkaar. Aan de rand van het water is een overvol terras. Zat je buurman erbij, je zou hem herkennen. Rechtsboven, achteraan ontwaar ik een minder vrolijk tafereel. Een bruid houdt haar linkerhand vertwijfeld voor haar gezicht, terwijl ze belt met de onzichtbare telefoon in haar rechterhand. De bruidegom is niet komen opdagen. Het prijskaartje zit nog aan de zoom van de witte trouwjurk. Ze wordt straal voorbijgelopen door een kanoër. ‘Als ik haar ga helpen is mijn hele middag naar de knoppen,’ denkt hij, ‘doorlopen dus. Ik doe net alsof ik haar niet zie.’ 

Seis oere tús, van Nynke Laverman, een vertaling

link seis oere thús

Ik hoor de tekst ‘Seis oere thús’ van Nynke Laverman bij de start van Leeuwarden Culturele Hoofdstad 2018 en ik krijg spontaan kippenvel als schilderinspiratie bij het zien van werk van Gerhard Richter. Met een zeer prettig gevoel val ik terug in mijn Friese jeugd. ‘Seis oere thús’ hoort in het rijtje ouderlijke frasen als: Hannen waskje (was je je handen even?), dikke tút (je hebt een dikke zoen verdiend), net gûle (niet huilen, man), húswurk dien? (heb je je huiswerk af?) klompen út (doe je klompen eerst even uit), krijst een ryksdaalder (je hebt een rijksdaalder verdiend), earst nei fraechlearen (eerst naar catehisatie, hoor); in slokje? (kan ik je iets te drinken aanbieden?)? ferske leard? (heb je je (psalm)versje geleerd?) trochspiele! (doorspoelen!) hast een sloefke yn’e bûse? (heb je wel een condoom bij je?)

Seis oere thús is een onalledaagse liedtekst. De tekst rijmt niet, de zinnen lijken op het eerste gezicht verbinding te missen en er is originele beeldspraak: ‘Met gisteren achterop heb je altijd tegenwind.’ De melodie vergt meer van mijn geheugen dan prettig voor mij is, maar het refrein nestelt snel op je harde schijf als een foto van Carola Schouten, Pia Dijkstra, Silvana Simons, Agnes Kant of Silvia Witteman.

SEIS OERE THÚS
Kom dyn nêst út jonge / It nêst waarm fan ferline / Skuor iepen de gerdinen / Spring derút de dei is nij / Hearst de klokken / De takomst ropt om dy / Mei juster achterop / Hast altyd tsjin ’e wyn yn / Doar dysels opnij te finen / Flean dyn eigen skaad foarby / En fluitsje / Fluitsje dy wer nij / En de klokken se sjonge / Se sjonge foar ús /
Seis oere thús / Seis oere thús / En de klokken se sjonge / Allinne foar ús / Flean de wrâld yn myn jonge / Seis oere thús / De fearten fol mei âlde kij / Dy’t oeral wat fan fine / Lit de sinne foar dy skine / Hear de fûgels, do bist frij / Fiel de grûn fiel dy bûn / Foar altyd ferbûn oan dy / En de klokken se sjonge / Se sjonge foar ús / Seis oere thús / Seis oere thús / En de klokken se sjonge / Allinne foar ús / Flean de wrâld yn myn jonge / Fertel my watsto net witst / En ik folgje en ik folgje / Ferjit fan wa’sto der ien bist / Want ik ken dy / Nim my mei yn dyn dreamen / Nei wêrsto noch net bist / Set dyn tosken yn in nije tiid / Set dyn tosken yn in nije tiid / Koor: En de klokken sjonge foar ús / Seis oere thús / Seis oere thús / Set dyn tosken yn in nije tiid / Lead: Op lange skonken skiednis stiest / De bonken fan wa’st juster wiest / Mar de kleuren binn’ ferwosken / Set dyn tosken yn in nije tiid / Set dyn tosken yn in nije tiid / Fertel my wa’sto hjoed bist / En ik sis dy dat it goed is / Datst my allang yn ’t bloed sitst / Datst my allang yn ’t bloed sitst / Ik wol witte wat dyn dream is / Wa’st allegear noch mear bist / Ast al it âlde stean litst / Ast al it âlde stean litst / Om te fleanen om te fleanen om te fleanen

ZES UUR THUIS
Kom je nest uit jongen / Het warme nest uit het verleden / Scheur de gordijnen open / Spring eruit, de dag is nieuw / Je hoort de klokken / De toekomst roept je / Met gisteren achterop / Heb je altijd tegenwind / Durf jezelf opnieuw te vinden / Vlieg je eigen schaduw voorbij / En fluit / Fluit je weer nieuw / En de klokken zij zingen / Ze zingen voor ons / Zes uur thuis / Zes uur thuis / En de klokken, zij zingen / Alleen voor ons / Vlieg de wereld in mijn jongen / Zes uur thuis / De vaarten vol met oude koeien / Die overal iets van vinden / Laat de zon voor je schijnen / Hoor de vogels, jij bent vrij / Voel de grond, voel je gebonden / Voor altijd gebonden aan jou / En de klokken, zij zingen / Zij zingen voor ons / Zes uur thuis / Zes uur thuis / En de klokken, zij zingen / Alleen voor ons / Vlieg de wereld in mijn jongen / Vertel mij wat jij niet weet / En ik volg en ik volg / Vergeet van wie je er een bent / Want ik ken jou / Neem mij mee in je dromen / Naar waar je nog niet bent / Zet je tanden in nieuwe tijd / Zet je tanden in nieuwe tijd / Koor: En de klokken zingen voor ons / Zes uur thuis / Zes uur thuis / Zet je tanden in nieuwe tijd / Lead: Op lange benen geschiedenis sta je / De botten van wie je gisteren was / Maar de kleuren zijn verschoten / Zet je tanden in nieuwe tijd / Zet je tanden in nieuwe tijd / Vertel mij wie jij vandaag bent / En ik zeg je dat het goed is / Dat jij mij al lang in het bloed zit / Dat jij mij al lang in het bloed zit / Ik wil weten wat je droom is / Wie jij allemaal nog meer bent / Als je al het oude laat staan / Als je al het oude laat staan / Om te vliegen om te vliegen om te vliegen

 Nynke Laverman

Dieren en dingen, kijk en doe tentoonstelling CBK Emmen (27 jan – 2 apr 2018); gratis

Vooral de zin ‘bij grote belangstelling mag er maximaal één begeleider per kind meekomen,’ triggerde. Grootspraak of realiteit? Kinderen meeslepen naar het museum, is dat verantwoord? (*) Bestaat kunst voor kinderen? ‘De tentoonstelling is speciaal voor jong en oud’ gaat de folder ronkend verder. Dat lijkt me net zo paradoxaal als de NTR-slogan ‘speciaal voor iedereen’. De aanmoedigingen ‘spannende kruisingen, veel te ontdekken en zelf te doen’ trekken ons over de streep. We krijgen geen spijt…

‘Wat een mooie tentoonstelling!’ is de eerste reactie in het gastenboek. Carolien Adriaansche, Jennifer Koning, Erica Scheper en Myrte van Dijk zorgen voor verbazing, verwondering, inspiratie en bewondering.

Marieke Meijerink houdt de openingstoespraak. Zij praat ons vlotjes bij over de vier exposanten. Dat de expo voor kinderen is betekent niet dat het kinderachtig is. De dierenwereld en alledaagse voorwerpen spelen een grote rol. Er zijn grote en kleine objecten van beton, gips en aan elkaar geplakte teenslippers die ooit ergens aanspoelden en liever in het CBK Emmen dan in de plastic soep terechtkwamen. Carolien Adriaansche toont gerecyclede spullen: vindingrijk en grappig bewerkt en geassembleerd. Jennifer Koning presenteert realistisch en impressionistisch geschilderde (huis)dierenportretten.

Herkenbaar maar nergens gewoontjes. Bij Erica Scheper geen overbekende soepblikken, maar precies geschilderde melkpakken, een pakje boter en een opgepompt brandalarm. De filosofische achtergrond bij haar werk: waarom wordt het ene voorwerp wel en het andere niet geschilderd en zo tot kunst verheven? Van Myrte van Dijk zien we kleine en grote betonnen en gipsen dieren die ondanks het formaat speels en licht blijven; ze mogen aangeraakt worden. In het bedrijf van de gebroeders Ninaber worden op elkaar gelijmde teenslippers tot kunstige, veelkleurige dieren gefixt.

Alle voorwerpen die niet achter gele strepen staan opgesteld mogen worden betast. Waren in het CBK informatiestickers nog wel eens onleesbaar voor bezoekers, nu is alles op kinderooghoogte geplaatst, compleet met vragen die verder kijken en zoeken bevorderen. Zijn er helemaal geen minpunten dan? Het is allemaal erg braaf. Opwinding, schrik, schokken en ergernis ontbreken. De ervaring dat gegeneerde ouders, tantes en ooms je hoogrood van bepaalde kunstwerken willen weghouden, ga je hier niet krijgen.

Na de openingshandeling, het lint wordt door een junior doorgeknipt, is het tijd voor jeugdtheater van ‘De Toren van Geluid’. Twee theaterdieren, muzikaal & vocaal sterke jonge kerels, kluisteren een dertig zeer jonge kinderen, en minstens evenveel (groot)ouders aan hun spel met de dieren muis, vos en tijger. Met flair en kunde bespelen ze unieke muziekinstrumenten en het piepjonge publiek als Beethoven zijn klavier. De iets oudere kinderen, vanaf ongeveer zeven jaar, blijven op veilige afstand. Van alle zijden opperste concentratie. Het plezier spat eraf als verfspetters op een doek.

 

(*) Onderzoek leert dat wanneer kinderen in de jeugd worden meegenomen/meegesleept naar musea, er een grote kans is dat ze later uit zichzelf musea gaan bezoeken.

De Ploeg 6: Start jubileumjaar De Ploeg 100 (Veenkoloniaal Museum Veendam, 21 januari 2018; 14.00 uur) zonder tantes en ooms

De aankondiging belooft een uitbundige viering. De woorden feestelijk en gedenkwaardig komen voorbij en we gaan glazen heffen. Met de jongste Ploegvriend in ons gezelschap gaan we eropaf.

Voorzitter Willem Corsius spreekt de ivoren feestrede uit. 100 jaar Groninger Kunstkring De Ploeg. Slingers in de statige feestzaal in het Veenkoloniaal Museum te Veendam, de vroegere leraarskamer van de R.H.B.S. Als de eerste mixed-colour-tulips in een Keukenhofveld, versieren zes kleurige ballonnen bijna pointillistisch de lessenaar.

Corsius richt zich tot de aanwezige Ploegleden en Ploegvrienden. Hij dankt het museum met de woorden: “Hier zijn we welkom.” Ik ga even voorbij aan het polyinterpretabele van deze zin, het is per slot van rekening feest. Hij bedankt het bestuur voor de werklust en inzet. Hij droomt even weg naar vorig jaar toen het bestuur bestond uit drie vrouwen.  Uit de woorden ‘het heeft erom gespannen’, ‘kantje boord’ en ‘met de hakken over de sloot’ duidt Corsius aan dat het niet altijd feest is geweest. Vergeleken met landelijk bekende kunstenaarsverenigingen als het Haagse Pulchri en het hoofdstedelijke Arti et Amicitiae, verenigingen die honderden leden tellen, is De Ploeg een kleine club. Niet alle tweeëntwintig Ploegleden zijn op het feest aanwezig, ik mis een handvol.

Honderd jaar geleden verzuchtte Johan Dijkstra: “Als we eens vijfentwintig werkende leden hadden…” Na een jaar waren het er dertig en telde de vereniging vijftig donateurs. Vijfentwintig à dertig leden is altijd het gemiddelde geweest. Bij een hoger aantal leidde het vaak tot splitsingen, als bij protestantse kerken in de bible belt. Bij de oprichting waren jonge kunstenaars betrokken: Altink, Dijkstra, Wiegers, Reinders en Benes waren gemiddeld dertig jaar (*). Bij de oprichting kwamen diverse mogelijke verenigingsnamen voorbij: De Beweging, Blauwborgje, Iris, Kunst Adelt, Groninger Kunstkring, De Groningers, De Noorderlingen, Hooger Arbeid en meer. Men wilde per se niet een naam met het woord ‘schilders’ erin; ook musici, dichters en schrijvers waren welkom. De Ploeg telde ooit een componist.

In mei verschijnt een jubileumboek over het reilen en zeilen, over stuwingen en splitsingen in de vereniging. Het huidige functioneren van de vereniging wijkt niet heel veel af van het vroegere. Nog steeds gaat het om samen exposeren en samen ideeën uitwisselen. En misschien is dat ook genoeg. Denk niet dat vroeger alles trager verliep. Integendeel: nu is er een zeker zes weken durende ballotageprocedure voor nieuwe leden, vroeger was het een kwestie van ‘voorhangen’ in een kunstzaaltje en dan werd er hoofdelijk gestemd. Afhankelijk van de aanwezigen werd het een ja of nee.

Het bestuur heeft lang nagedacht over een jubileumgeschenk voor de leden en de vrienden. Altink had in het verleden gesproken over het omwoelen van de bodem om zo tot ontginning, tot de vruchtbare grond te geraken. Maar ja, de Groninger grond is al genoeg in beweging. Er wordt iets gevonden, een superleuk en origineel gadget dat voor kleine omwentelingen en beroering zorgt: een r.v.s. roerstokje door Reinier van den Berg gemaakt in een gelimiteerde oplage van 100 exx. voor Ploegleden en -vrienden. En dan is het tijd voor bubbels, bitterballen en Borealis, een, volgens hun zegsman, nuljarig kwartet koperblazers. Vier schuiftrombonen zetten het op de statige museumtrap op een spelen…. Ze openen met klassieke pop: ‘Scarborough Fair’Het wordt dan wel geen hossende polonaise, maar een lichtkens wiegen, een minieme heupswing, een schoenvol vibrerende tenen, die voorzichtig pompom tikkend de maat volgen, dat zeker en vast. Het eeuwfeest kan beginnen. En zoals op elke verjaardag enkele tandeloze tuberculeuze ooms en tantes het jarige neefje vergeten en pas op komen dagen als ze hardhandig in de zij worden gepord en hun rollator met de neus in de juiste richting wordt klaargezet, doen we het deze keer zonder Hendrik, Ebrien, Jaap, Fleur, Sipke, René en Mariëtta (**).

(*)de gemiddelde leeftijd van de huidige Ploegleden is zestig+

(**) Vandaag geen jubelende toespraken van (kunsten)bobo’s. Zeker vijf kunstpausen en twee regiobestuurders schitteren door afwezigheid:  museumdirecteur Hendrik Hachmer , Veendams wethouder van kunsten Jaap Velema, namens de Groninger Kunstraad Ebrien den Engelsman , de gedeputeerde voor cultuur Fleur Gräper, Veendams burgemeester Sipke Swierstra, Ploegconservator van het Groninger Museum Mariëtta Jansen, commissaris des konings René Paas.

De Ploeg 5: taxatie Ploegwerk door Richard ter Borg; zondag 21 januari 2018, Veenkoloniaal Museum Veendam

Als we op zondagmiddag 21 januari het plein oversteken naar het Veenkoloniaal Museum in Veendam zien we auto’s voorrijden. Ze stoppen als Ubertaxi’s voor de museumdeur. Mensen stappen behoedzaam uit en torsen grote Lidl-zakken mee. “Boordevol Ploegkunst,” hoor ik iemand zeggen. Een half uur vervroegd vanwege de grote aanmelding, begint Richard ter Borg kunstwerken van Ploegleden te taxeren. Rijp en groen, oud en nieuw, alles mag worden ingebracht. Op grote schaal wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt, meer dan honderd mensen komen langs. In een museumzaal zitten mensen te wachten.

Ik spreek een vriendelijk echtpaar dat relaxed op hun beurt wacht met een grote lijst voor zich, ingepakt in een wit laken van het logeerbed. Veel meer dan dat het een werk van Werkman is, kom ik niet te weten. Dat het niet een olieverfschilderij is, wil de meneer nog wel kwijt. Als bij griepvaccinaties bij de huisarts wordt af en toe een achternaam opgeroepen en dan tijgt men naar voren.Achter een tafel zit een secretaresse die streept en schrijft en turft en afvinkt dat het een lust is en de kunstdragers, met of zonder boodschappentassen, naar Ter Borg dirigeert.

Anders dan bij Kunst en Kitsch zit Ter Borg niet achter een tafel met een ronddraaiend plateau, maar staat hij in een hoek. Gedoseerd docerend spreekt hij de mensen toe over invloeden, periodes in de kunsten, gebruikte technieken, onleesbare signaturen, al dan niet gelukte herstelpogingen en meer. Ik spreek een vrolijke jongeman die zijn beurt afwacht. “Mijn vader is klusjesman en bij een klus wilde de huiseigenaar een schilderij weggooien. Mijn vader zei dat hij het wel wilde hebben. Het is een veelkleurig werk, een echte Arie Zuidersma. Ik ben best benieuwd wat de taxatie zal zijn.” Later zie ik de jongeman weer, buiten terwijl hij het parkeerplein oversteekt. “En, hoe ging het?” vraag ik hem. “Niet slecht, het werd op zo’n € 600,- tot € 800 getaxeerd.”

 

 

Nieuwsgierig geworden door de naam van een oud-plaatsgenoot (Zuidersma was een Emmenaar) google ik thuis de naam Arie Zuidersma (1925 – 2014). In een krantenartikel wordt hij ‘de laatste schilder van de oude Groninger Ploeg’ genoemd. ’Oké,’ denk ik, en verder? Ik word nieuwsgieriger en leer dat hij ongeveer tien jaar Ploeglid is geweest en dat Klompien belangrijk is geweest voor zijn ontwikkeling als schilder. Na tien jaar keerde hij de Ploeg weer de rug toe. Ik lees, terwijl mijn ogen steeds groter worden, dat een schilderij van Zuidersma bij Korst Van der Hoeff in Den Bosch was geveild. Het werk dat werd geschat op € 300,- tot € 400,- werd verkocht voor € 2790,-, mind you: het zevenvoudige, oftewel, om in bitcoincijfers te blijven: een stijging van 600%. Hopelijk leest de jongen dit.

 

De Ploeg 4: Hendrik Werkman The next Call / Alexandra Berends / 21 januari 2018 / Museum Brands Nieuw Dordrecht € 5,- (1 consumptie gratis). Luisteraars: 50

Zondagmorgen, het is hartje winter. Als een vetlaagje op een groentesoep dat door opwarming vloeibaar wordt, zo smelt de zon een lichte rijp tot waterdruppels die onregelmatig van boomtakken vallen als de tikken uit een oud uurwerk. Op naar een van de twee interessantste musea van (Zuidoost-) Drenthe: Museum Collectie Brands*. Wat was die Brands een verzamelaar! Het museum bergt 70.000 voorwerpen, waaronder 50.000 boeken. Terwijl De Ploeg vanmiddag de feestelijke start beleeft van het ivoren jubileumjaar, staat in Nieuw-Dordrecht een lezing van Alexandra Berends over het tijdschrift The Next Call van Hendrik Werkman op het programma. Berends is 21 jaar (!) en studeert kunstgeschiedenis. Ze is als werkstudent medewerker bij Collectie Brands. Haar vervolgtraject is architectuur. Op de tafels en aan de muur Werkmans Chassidische Legenden.

In twee keer een half uur vertelt Alexandra Berends in het auditorium van Museum Brands over het kleinschalige Kunsttijdschrift The Next Call. Werkman was wel van de tijdschriften. Voor The Next Call (1923 – 1926) maakte hij Blad voor de Kunst (vanaf 1921) en later, in de jaren dertig Pierement. Van 41 – 44 werkte Werkman intensief mee aan Uitgeverscollectief De Blauwe Schuit, goed voor ca. veertig uitgaven. Werkman was een veelzijdig mens: (boek)drukker, typograaf, fotograaf, schrijver, uitgever: in alles beeldend kunstenaar. Op zijn hoogtepunt had hij twintig medewerkers in dienst. Werkman was lid van kunstenaarsvereniging De Ploeg en hij maakte affiches, uitnodigingen en catalogi voor De Ploeg. In 1941 verschenen de Chassidische Legenden, twintig zeer mooie ‘druksels’. In 1945 werd hij gearresteerd en gefusilleerd in Bakkeveen.

Werkman sprak van druksels in plaats van uitgaven. De eerste twee nummers van The Next Call verschenen in 1923, in 1924 verschenen vier nummers, en 1925 één en in1926 nog twee. Er werd veel in rood en zwart gewerkt en minder in geel. Je ziet geometrische figuren, letters, enkele veiligheidsspelden en een grote variatie in (letter)tekens. The Next Call bevat teksten in het Nederlands, Duits, Frans en Engels. Aan de inhoud kan je goed zien dat Werkman werd beïnvloed door Russische constructivisten, het dadaïsme, Bauhaus en De Stijl. Werkman vond dat De Ploeg te weinig verjeugdigde. Te veel portretten, te veel stadsaanzichten en landschappen en weinig vernieuwing. Sommige teksten zijn dadaïstisch/absurdistisch**. Met The Next Call (van 1923 – 1926) had hij een internationale uitstraling voor ogen. Er verschenen (slechts) negen druksels, elk in een oplage van dertig. Museum Collectie Brands beschikt over een oorspronkelijk exemplaar van The Next Call en Pierement.                                                                                                                                                                                                                                 

Berends gaat dieper in op het meest interessante nummer van The Next Call, namelijk nummer zeven. Uitgevouwen lees je vier teksten over serienummers A, B, C en D: vier menstypen, zeg maar de braven, de slechteriken, de onaangepasten en de geciviliseerden***. Nummer zeven toont ook een kunstwerk dat gebaseerd zou zijn op de plattegrond van het Bauhaus. Via H. J. Prakke, die aan de basis stond van het Drents Genootschap kwam Brands aan de bijzondere uitgaven.

Na beantwoording van enkele vragen sluit Alexandra Berends binnen de aangekondigde tijd de lezing af. De via een beamer geprojecteerde illustraties bij het verhaal vormden een welkome toelichting. Als ik naar huis rijd tel ik jonge berkenbomen; ik stop bij het veelbelovende getal eenentwintig.

(*Een tweede Zuidoost-Drents prachtmuseum is Thijnhof in Coevorden).

(**”Als antwoord op den vraag van H.H. Redakteuren en Journalisten of de sokken door den heer Theo van Doesburg op de DADA Soireéés in Holland gedragen WI T  W A R E N kunnen wij mededeelen dat thans als zeker kan worden vastgesteld dat DEZE SOKKEN NIET WIT WAREN maar …. (enzovoort)).

(***In de huidige tijd zouden de teksten moeiteloos in te passen zijn in de programma’s van Arjen Lubach).