Expositie Ruud Venekamp in het CBK te Emmen (vanaf 23 juni 2018)

Zonder titel

Bij Ruud Venekamp lever je, zegt de folder, de betekenis van het werk in voor de verf, het doek, de vorm, de geur (sic!). De toon is gezet. Dat belooft wat. Als je zijn werk ziet, nog steeds dixit de folder, springen geel, blauw, roze en groen in het oog. Tentoonstellingsmaker en CBK-medewerker Joost Slijpen noemt het een vrolijke tentoonstelling. De fikse ruimte vraagt om veel of groot werk. Het woord goed hoor ik niet. Venekamps werk is moeilijk in een kader te vatten. Slijpen noemt hem een schilder-schilder met een onderzoekende toets, die zoekt naar vorm en inhoud. Eens kijken wat de reclametekst gaat betekenen als je over literatuur spreekt: let bij het nieuwste boek van Middendorp niet op de inhoud, maar op het formaat, de kaft, de bladspiegel en de geur.

Hoogleraar Rosemarie Buikema opent de expo met een hyperkorte analyse. Zij haalt de inmiddels in de psychiatrie in onbruik geraakte Freud erbij om het kleurgebruik van Venekamp te duiden. Toeschouwers zouden getriggerd worden door het kleurgebruik, op zoek naar wat erachter zit. Letterlijk achter de verflagen, want hier en daar kieren zachte roze tinten onder de harde gelen vandaan. De ogen worden getrokken door een detail en vanuit dat punctum wordt er verder gekeken. Kunst raakt een snaar, iets waar je geen contact mee hebt of zelfs hebt verstopt. Bij aanraking kan het tot ontroering leiden.

Nootmuskaatplantage

Helaas duurt Buikema’s toespraak slechts vijf minuten en dat stelt me teleur. Echt, ik had op een stevig openingsverhaal gerekend. Ik word niet ontroerd door Venekamps werk. Een goede toelichting trekt mensen soms over de streep. Ik zie veel grote doeken, duur ook (ongeveer tussen de 3,5 en 4,8K) waarop gelen, groenen en rozen domineren. Bij de meeste van zijn werken zou het niet opvallen indien ze gekanteld gepresenteerd zouden worden. Ik zie botanische figuren: takken, bomen en varens, die soms op slordige afdrukken lijken. Veel schilderijen hebben een soort kaderlijnen aan de randen. Soms herken ik heel brede kwaststreken, als van een blokkwast.

Venekamp was student en is nu docent aan de kunstacademie Minerva in Groningen. (Vanwege de eenzijdig op abstracte kunst gerichte opleiding, werd in 2005 als tegenhanger de klassieke academie opgericht). Venekamps invloed op kunststudenten is aanzienlijk. Na zijn studie ontving hij beurzen en stipendia met een deel waarvan hij inspiratieopwekkende, verre reizen bekostigde. Zijn werk wordt aangekocht door particulieren, musea en (grote) bedrijven.

Waarom doet zijn schilderwerk mij niets? Ik mis een reflectie op de wereld rondom mij. Ik zie (soms haastig geschilderde) schilderijen, decoraties, kleurrijke, te dure, abstracte illustraties. Als positieve emoties pas na extra info kunnen worden opgewekt, ontbreekt er iets in het werk zelf. Deze kunst heeft een gedegen hoorcollege, zowel over de maakgeschiedenis als over psychiatrische zijpaden nodig om de smaak te ontsluiten, maar het werk zelf of de maker geeft de toelichting niet.

Als ik de aanwezige wethouder vraag naar het decoratieve gehalte van Venekamps kunst, wordt hij onrustig en haalt Slijpen erbij. Liever spreekt hij over de weldadigheid van het CBK, welks doel tweeledig is: educatief en kunst ontsluitend.

De Plantage; detail

Even terug naar professor Buikema. Ik herken in haar de literatuurvorser die een mooi verhaal wil vertellen. Je peutert aan de oppervlakte en dan zie je dat het erachter gebeurt. Het eigen thema van de kunst confronteert en roept nieuwe vragen op. Het aan Freud ontleende begrip Deckerinnerung wordt erbij gehaald. Herinneringen uit de jeugd zouden zijn toegedekt en door eraan te peuteren weer naar boven kunnen komen. Een interessante zienswijze, temeer daar Freud in de psychiatrie al decennia bij het grofvuil is gezet. Jammer dat de klok hier haar grootste vijand is. De patriarchale beknotting ervaar ik bijna als een belediging van het publiek.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Museum Møhlmann Appingedam Duizend Moderne Miniaturen € 6,- (museumkaart ‡ geldig)

1000 kunstwerken van 123 kunstenaars (ruim 70 mannen en ruim 50 vrouwen) zijn uitgestald in een prachtig particulier museum in Appingedam, misschien wel het mooiste onafhankelijke museum in Noord-Nederland. De muren en wanden hangen vol, er is redelijk wat publiek, maar nooit krijg je het gevoel dat het te vol is. Museum Møhlmann flikt het maar weer. Zoals Rob Møhlmann het zelf ooit flikte (tussen 1982 en 1993) om 124 schilderijen te maken in de Canto-serie, waarbij op elk schilderij het blikje van het merk Canto centraal staat. Permanent te zien in dit museum.

Peperkamp, 6 werken, waaronder Puck en Belle

Misschien had Møhlmann het aantal inzendingen per kunstenaar moeten beperken, misschien ook niet. Duizend miniaturen zijn te zien. De maximale afmeting is 14 bij 14. 123 kunstenaars hebben werk ingezonden: figuratief, realistisch werk. Het kleine formaat voorkomt te hoge prijzen, al is € 1.600,- voor een klein werk van Hofman veel geld. De ondergrens ligt ergens bij € 60,- voor een werk van De Smidt. Wat een techniek, wat een vernuft, wat een verscheidenheid. Sommige werken zijn zo klein dat de aanwezige vergrootglazen goede diensten bewijzen. De gemiddelde leeftijd van de kunstenaars is (schat ik) 60+. Dat is ook te zien. Veel portretten, bloemen, dieren (heel veel vogels natuurlijk), schelpen, peulvruchten en veel natuur. Pečenica heeft maar liefst 100 werkjes (voor zover ik me kan herinneren alle groenige landschappen in de scraperboardtechniek)

H.T.G. Wolters – Spitsmuis

ingezonden. Hier vechten de typeringen seriematige productie en oorspronkelijk werk een robbertje. 100 werken in dezelfde trant maakt de expositie niet sprankelender. In andere kunsten (muziek, literatuur) bonzen jongeren op de deur, maar hier begint de jeugd bij 30. Slechts 11 kunstenaars uit de jaren 80 en 70, de rest is allemaal ouder. Dat wreekt zich in de thematiek. De emoties zijn braaf, doorleefd en gemoedelijk, het woord ouwelijk klinkt te negatief. Weinig oppositie, boosheid, geilheid, humor, opstandigheid, gedurfdheid. Hier en daar zijn de handen van oude meesters meer dan zichtbaar,

een landschap van Verkerk

ook letterlijk de handen van docenten aan de (klassieke) academie (Van Loon) en handen van museumdirecteuren (Thijn, Møhlmann, Horneman – Ottens). Naast lithografieën en scraperboardtechniek zie ik aquarel of olieverf op paneel, koper, camembertdoosjes, doek, leisteen, karton, hout, schelpen, metaal, marmer, muizenval, gips, en dan nog driedimensionaal werk in brons, keramiek, terracotta, Belgisch hardsteen, marmer en wie weet nog meer. Ik mis het werk van twee Groninger kunstenaars die al langer klein werk maken: Gommer en Jonkman.

Wat is me bijgebleven? ‘Jongen’ van Hage, ‘Pioen’ van Van der Winkel, ‘La douce France’ van Van der Vegt, de dubbele landschappen van Verkerk, Van der Wals door merg en been gaande Groningse permafrostlandschappen, ‘Zoetigheid op kruishoogte’ van Pol, Peperkamps ‘Puck’en ‘Belle’, het kleine en fijne precisiewerk van Koetse, ‘Muis op duimstok’ van Wolters, en natuurlijk het bekende tekenwerk van Woldhek. Maar de kroon spannen Elias met ‘Bert’, Snijders met ‘Vrouw Hakkers’ en het indringende portret van een vrouw van Renting. Bij deze drie zie ik de menselijke vertwijfeling, de hapering van het leven, het ongepolijst-markante van de imperfectie, kortom de herkenbare mens.

Pol Zoetigheid op kruishoogte

Binnenkort in dit museum: De Vrouwelijke Toets, met louter vrouwelijke kunstenaars

Erwin Wiersinga, orgelconcert Coevorden 30 mei 2018, € 9,-

Een terugblik op het concert van Wiersinga, volgens mijn standaardformule: A = { C(³)M(²) . S<p.e[fd]>} -> 510, waarbij w = aantal woorden, S = sfeer, bestaande uit de componenten publieke belangstelling (p), faits divers (fd) en entourage (e), vermenigvuldigd met de zwaarder wegende componenten Concert (C) en Muziek (M): een artikel (A).

In de week dat er in Groningen een cd verschijnt met de liedjes van Ede Staal, gespeeld op een kerkorgel, dat Nanne van der Werff het atheïstische requiem Un requiem Athée van Onfray op muziek zet, komt eredivisionist en international Erwin Wiersinga in Coevorden spelen op het Van den Berg en Wendt-orgel in de NH kerk. Wiersinga is orgeldocent in Berlijn en titulair organist op het barokorgel in de Martinikerk en huisorganist in Roden. Vanavond is het zweten voor hem. Overdag is het bijna 30⁰ en de afkoeling is minimaal.

Ongelovige orgelmuziekliefhebbers zijn als antikapitalisten die plaatjes van bankbiljetten sparen. Ze voelen zich aangetrokken maar ze begrijpen het niet altijd. Maar het proces van doorgronden is begonnen. In de orgelmuziek heb je van alles rondlopen. Ik spits mijn oren en luister. Vanavond hoor ik van de Feike-Asma-speler en de Nederland-Zingt-organist. Ik ken al de autodidactische kerkorganist, idem met enkele jaren muziekschool of een al dan niet afgeronde conservatoriumopleiding met een bachelor of mastertitel. Ze houden elkaar wel aardig in de gaten.

Af en toe als ik in een kerk kom en het orgel bekijk of beluister en omhoog kijk naar de eeuwige afbladderende of juist poetste, sekseloze bazuinspelers, denk ik aan een citaat van wijlen Harry Kuitert die zei dat alles van boven bedacht wordt door beneden. Kijk, now we’re talking, denk ik dan. 

Ruim veertig luisteraars zitten verspreid in de kerk. Er worden opnames gemaakt. Om in de stemming te komen luisteren we naar Bach, who else. Natuurlijk denk ik bij Bach ook aan de pruik, de rode konen en de getuite mond.  Maar Bach is ‘beyond images’. Alleen wat je hoort telt. Het ‘Komm, Gott, Schöpfer, Heiliger Geist’ bereidt ons voor op een uurtje 18e en 19e eeuwse classics. Wat een mooi begin, lekker kort, dansend bijna. De Fuga in d BWV 539 is bijkans nog lichter en luchtiger, oorspronkelijk voor viool, maar who cares. De mix adagio/vivace-andante/un poco allegro klinkt als een onrustige besluiteloze stoofschotel maar wordt het niet. Wiersinga stoomt Bachs Sonate in e BWV 528 weloverwogen en rustig gaar. Dan iets van Boehm, het Vater Unser im Himmelreich, een in één woord prachtige aria.

Terug naar Bach met het ‘Fruhlingspraelidium’ en de door Wieringa bewerkte Variaties in cis van Schumann. Na de orgelsonates van Medelssohn Bartoldy naar Bachvereerder Boely met Bin ich gleich von dir gewichen, waarin, hoe kan het anders, Bach doorklinkt. Na afloop probeer ik Wiersinga uit te horen over aanstormende, jonge talenten die (dixit Wiersinga)’Hun talenten verkloten en blijven hangen als Feike Asma’s.’ En dan de vraag over het Coevorder orgel. Hij schaart het onder de tien beste in Drenthe. “Ik ben wel nieuwsgierig welke collega het bij de beste drie indeelde. Het is maar net waarmee je het vergelijkt. Het is een instrument uit de jaren 70, wat schel.”

De Ploeg 8; (****)Jubileumtentoonstelling De Ploeg in Pictura Groningen (13 mei- 24 juni)

Alkema XL 1 (inkt op papier 125 x 195 cm)

Het is een chiasme: terwijl de oude Ploeg met oud, gekend en herkenbaar werk resideert en exposeert in de moderne zalen van het Groninger Museum, komt de springlevende Ploeg met nieuw en bij vlagen modernistisch werk bijeen in het antieke Pictura.  De jubileumexpositie is meer dan geslaagd: veel nieuw werk, heel veel uitgesproken mooi, interessant en aantrekkelijk.

Het is en blijft een prachtige locatie, het statige, oude pand van Pictura aan de Walburgstraat. Een wirwar aan zaaltjes, op- en afstapjes, trappen met tapijten, nauwe gangen en dan boven een soort walhalla, een grote, luchtige en lichte ruimte. Het wijd open raam en het plafond van zondoorlatende platen spotten met alle museumwetten van beheersing van licht en lucht. Je waant je meer in een plantenkas dan in een museum waar de luchtwaarden permanent worden gemonitord. De locatie ademt de sfeer van voor de oorlog. De Ploeg is thuis in de oude doos waar ze groot werd.

Van der Sleen De aanroeping harsolieverf op paneel, 50 x 60 cm)

Er zijn toespraakjes van een Picturamedewerker, wethouder Ron de Raak en Ploegvoorzitter Corsius. De historische band tussen de Ploeg en Pictura wordt gememoreerd. Vanaf het allereerste begin kennen zij elkaar en de verkering is nooit uitgegaan. De wethouder vat de relatie tussen de Ploeg en de stad Groningen samen. Aan de getoonde kunst en haar makers waagt hij zich niet. Ondertussen worden in het publiek de eerste waaiers gevouwen. Woorden als fantastisch, springlevend en roemrucht komen voorbij. Maar toch. Zou er in de relatie iets zijn misgegaan? Het lijkt erop dat de Ploeg wraak neemt door de wethouder bij de onthulling van een fotodoek niet een soepel open glijdend lusje te laten aantrekken maar een knoop die steeds strakker gaat zitten, als een verkeerd geknoopte schoenveter in een molière. Beleefd volgt het publiek het ongemakkelijke gespartel met de touwen.

Corsius, Geertjes en De Raak

Corsius memoreert het ontstaan van het boek en zegt iets over de vorm en inhoud. Cornelius en Geertjes lezen fragmenten voor uit de notulen van de vereniging. Geertjes tovert de lach op gezichten van haar toeschouwers door met een ouderwetse polygoonstem de historiciteit en authenticiteit te benadrukken. Net voordat de eerste gasten flauwvallen wordt er als openingsact een foto ontrold die het begin en het nu markeert van de Ploeg. De muziek zet in, er ontstaat een run op de drankjes en we maken een ronde.

Vooraf enige informatie: 21 van de 22 Ploegleden tonen samen bijna honderd werken met een gemiddelde prijs van ruim € 1.000. De prijzen variëren van € 69,95 (Jonkman) tot € 4.750,- (Van der Sleen) met dien verstande dat er ook werk is dat niet te koop is (Gommer, Hagenaars, Van den Berg) of waarvan de prijs nader overeen te komen is (Hagenaars). Er is ook klein werk (ik leg de grens bij max 0,10 m²), van Alkema, Cornelius, Corsius, Gommer, De Groot, Jonkman en Schreuder. Driedimensionaal werk presenteren Van den Berg, Corsius en Hagenaars. De bronzen en bladgouden man van Hagenaars staat pontificaal centraal in een kamer. Van den Berg heeft zijn succesformule, de roerstokjes, in een halovorm op een sokkel geplaatst en Corsius presenteert met een schetsboek een ode aan Werkman.

Meest opvallend vind ik de monumentale ‘XL 1’ en ‘XL 3’ (inkt op papier) van Alkema: ik fantaseer dat de looplijnen van miljoenen babymieren, uiteraard symbool voor over de aardbol zwervende mensenstromen, minutieus zijn gevolgd en opgetekend. Zoals in het voetbal de aanvoerder vaak de boel aanjaagt, is het Ploegvoorzitter Corsius die met expliciet nieuw werk komt. Acht schitterende ‘Nouveau Lisa’s’ (DigiGrafiek), fotografische vormen in ‘Stad en Ommeland’ (piëzografie op doek) en dan ‘Natuurlijk, zonder titel’, een gefotografeerde vrouwenrug met twee doorschijnende bladeren waarvan de nerven als aderen zichtbaar zijn en uitlopen naar bovenaan, naar het zedige begin van een bilspleet. De raak geschilderde cactussen met bijen resp. een vogel van Jonkman maken me vrolijk, net als haar ‘Zomer met passie’ dat doet en het humoristische (of dieptragische?) ‘Verdwaald’ van Dijkstra.

Marten van Holten ‘een wandeling op Schier’ (acryl op linnen, 150 x 100 cm)

Van Holten blijft ijzersterk met zijn waddenwerken, de landschappelijke lijnen worden haast geometrische vormen. Met mijn neus op de doeken bestudeer ik zijn techniek van ‘dijkjes’ schilderen, waartegen de volgende kleur wordt gevlijd. Van den Berg komt met drie mannenfiguren die uitgezaagd zijn in multiplex en van aanstekelijke kleuren zijn voorzien. Ik herken zijn werk uit duizenden en dat heeft hij gemeen met de vervreemdende verkeerslocaties van Gommer, het magisch realisme van Busman en misschien de bepaald niet alledaagse in olieverf vastgelegde meiden van Benniks. Van Benniks zie ik ‘Wegdromen in water’, waarvan ik enkele jaren geleden het ontwikkelingsproces kon volgen. Gijs van der Sleen, die werkt met zijn eigen harsolieverf, toont zijn precieze technische vaardigheid met ‘De Aanroeping’, ‘Portret Marieke’ en ‘Gereedschap van de Scheepstimmerman’. Kracht, Klaveringa, Velthoen, Van der Woude en Van der Wal laten zich inspireren door wat er in Noord-

Busman Vals Licht (56 x 38,5 cm)

Nederland buiten te zien is: Wadden, dorpen, pleinen, sluizen, groen en parken. En dan is er nog meer ….

 

(****) Toneel in de tuin; twee eenakters in de achtertuin van Hilhorst/De Weerd, Beilen, 11 mei 2018

Een mooie lenteavond, een gezellige besloten stadstuin in Beilen, gedreven acteurs van De Lege Ruimte, dertig toeschouwers en een entr’acte van een dichter in wording (zagen we hier de toekomstige stadsdichter van Zwolle?): voldoende ingrediënten voor een prachtavond. Gezien: twee eenakters: ‘Kamerslag’ van Jos Visscher en ‘Naar Moskou’, fragmenten (uit De Kersentuin, De meeuw, Drie Zusters en Oom Wanja) van Tsjechov. Goed gezelschap dus. Het publiek zit op twee meter afstand van de spelers. Tuintegels als podium, een gestapeld muurtje van gebroken tegels, een sering en leibomen het decor.

[ Kamerslag: auteur Jos Visscher; spelers: Aly Kampinga als Rosalie, Esther Wybenga als Adelheid, Johan Hilhorst als Johan, Tjeerd Hilhorst als Frits; regie: Suzanne Groote en Sonja Speelman ]

Johan Hilhorst en Esther Wybenga

De klassieke thematiek van Kamerslag resoneert in de uitdossing. Zwarttinten overheersen bij Rosalie, Adelheid en Johan. Frits, de jongste speler draagt een t-shirt met de onheilspellende woorden Rode Kruis: hij is dan ook de enige die, ten gevolge van fataal hyperventileren, het loodje legt, terwijl de anderen blijven redekavelen. Een hoorbaar tikkende metronoom, een symbolische tijdbom, verbeeldt de oorlog in de verte. Nooit zag ik in zo korte tijd alle motieven uit het echte leven voorbijkomen: leven en dood, een kolossale, alles overwoekerende haat, liefde, bedrog, verraad, overspel. En als de emoties te hoog oplopen is daar de troostrijke fles. We zien een snelkookpan van emoties, er wordt geroerd, gestampt en gemixt.

v.l.n.r. Johan Hilhorst, Aly Kampinga, Tjeerd Hilhorst en Esther Wybenga

Het gevoel ongelukkig te zijn ten gevolge van het verbod te haten loopt naadloos over in de onkunde tot liefhebben. Je begrijpt dat het publiek zijn hersens mag gebruiken; toneel is er niet om mensen te pleasen. Ik hoor prachtige oneliners. Met ‘er komt herfst,’ wordt de naderende oorlog ingeluid. Geneuzel over seizoenen, wie kent dat niet, verhult de onmacht te praten over wat ertoe doet. Bij te veel opwinding zien en horen we bij Erik onheilspellende hijggeluiden die voorbij onschuldig hyperventileren gaan en je weet: die maakt het niet lang meer. Geconcentreerd en gedreven wordt er gespeeld. Serieus ook. Het spel wordt geregeld onderbroken door pijnlijke pauzes die het diepe conflict tussen beide ouders, die krampachtig de schijn ophouden des te scherper en schrijnender maken. Relaties schuren, haken, wringen en wrijven als klittenband tegen grofkorrelig schuurpapier.  Het loopt uit op hartgrondig vloeken van de vader die zijn vrouw verwijt door haar gedrag impotent te zijn geworden. Misère en rampspoed te over dus, als suiker en zout in hedendaags voedsel.

In de pauze leest dichter/acteur/leraar Tjeerd Hilhorst voor uit eigen werk.

[ Naar Moskou: auteur Tsjechov; spelers: Sonja Speelman, Suzanne Groote en Aly Kampinga; regie: Jos Visscher ]

v.l.n.r. Sonja Speelman, Suzanne Groote en Aly Kampinga

Naar Moskou. De vier Tsjechov-fragmenten doen hun best een geheel te worden. Het cement vormen drie vrouwen die acteren met een naturel, flair en inzet alsof ze met het acteergen geboren zijn. Wat ook verbindend werkt zijn de vier à capella gezongen Beatles-songs. De toeschouwers zijn zozeer bezig met gebiologeerd toekijken, dat ze vergeten mee te zingen. De Tsjechov-teksten vormen een soort collage en dan ligt het gevaar van fragmentarisme op de loer. Maar dankzij de spelers blijft of wordt het een eenheid.

v.l.n.r. Suzanne Groote, Aly Kampinga en Sonja Speelman

Tegelijkertijd is het een ode aan Tsjechov.  Het stuk wordt nergens zwaar of dramatisch, terwijl de onderwerpen daarnaar hunkeren. Per slot van rekening staat Tsjechov niet bekend als lachebek. Nadrukkelijk wordt de moraal van arbeidzaamheid bezongen. Met vrolijke gezichten worden diepmenselijke gevoelens en levensvragen verbeeld. De toeschouwers worden op het verkeerde been gezet. Nergens om me heen zie ik de uitgesproken vrolijkheid van bijvoorbeeld Sonja Speelman. Koninklijk lachend paradeert ze statig door het publiek dat aan haar lippen hangt. Prachtig die expressieve gelaatsuitdrukkingen van Aly Kampinga en die vastbesloten tred en onstuitbare woordenstroom van Suzanne Groote. ‘Dat je maar beter een paard kan zijn dan een jonge vrouw,’ klinkt humoristisch, maar de ondertoon is dat niet. ‘Laten we dan maar wat filosoferen,’ klinkt

v.l.n.r. Sonja Speelman, Aly Kampinga en Suzanne Groote

het, als de zinloosheid van het heden en het verleden is gepasseerd. Wat het doel en de zin van geluk in het leven is en hoe dat er over een miljoen jaar uitziet?

 

acryl op mdf-paneel; 20 x 20; in particuliere collectie te Amsterdam

 

acryl op 16 mdf-paneeltjes op mdf-plaat; 50 x 50 cm; in particuliere collectie te Tilburg

 

 

12 2017; acryl op canvas
30 x 30 cm; € 30,-

De Ploeg 7; expo in Kloostermuseum St Bernardushof Aduard “Steentil”

Johan Dijkstra schilderde in 1924 een stenen brug, die hier steentil wordt genoemd. In Dijkstra’s tijd bestond de brug nog uit twee delen, de echte en de zgn. ‘aanbrug’. Zes Ploegleden lieten zich inspireren door Dijkstra’s aquarel, zegt de begeleidende tekst. Dus niet door de echte brug, concludeer ik. In dit = mijn zevende blogtekst over De Ploeg, ga ik verder in mijn pogingen te ontrafelen, te analyseren wat De Ploeg inhoudt. Museummedewerker Hans de Boer, die ooit samenwerkte met Bé Kracht in de tijd dat zij op de reclameafdeling van V & D arbeidden, is vrij stellig wanneer hij spreekt van “… de echte Ploeg en de huidige Ploeg.” Ik frons mijn wenkbrauwen bij het woord ‘echte’. De Boer: “Johan Dijkstra is met deze aquarel zeer herkenbaar als Ploeg-kunstenaar, dit is typisch het Groninger landschap.” Enthousiast wijst Hans de Boer ons de weg naar de echte steentil bij Dorkwerd. Er vaart, hoe bestaat het, net een bootje onderdoor met de naam Steentil. 

Wat gebeurt er, wat krijg je wanneer zes Ploegkunstenaars een plompe stenen boogbrug bij Aduard vastleggen? Hoe zwaar en indringend is Johan Dijkstra’s invloed? Gaan ze hem naschilderen, beentje lichten of proberen ze hem te overtreffen? Bij geen van de zes wordt Dijkstra’s kleurenexplosie gehaald. Bij Kracht zie ik fijne blauwen en paarsen. Bij Schreuder ontwaar ik diep roze in het steen van de brug, een kleur die in de wolken na-echoot. Van der Wal en Klaveringa houden zich in met kleur. Bij Klaveringa en Van den Berg zie ik een andere positie dan die van de foto (en het origineel?).

Thomas Dijkstra Steentil

Thomas Dijkstra, de jongste, centreert de brug, vervaagt de zijkanten en zuigt de kijker mee onder de brug door. Van der Wal kiest eigenwijs voor een ander jaargetijde. Duidelijk wordt dat hier niets wordt opgeschud, omgeploegd. Geen ontremde, dwarse, wilde gekkigheid. Ik zie een voortgang in de traditie. Alle zes lijken verknocht met het Groninger landschap zoals de oudjes dat waren en allezes produceren in een niet al te groot formaat een herkenbare brug. Van de zeven werken is er één niet met de kwast tot stand gebracht. De technieken zijn: olieverf, pastel, gemengde techniek, aquarel en houtsnede. Woonde ik naast de brug, ik kocht een afbeelding. Of ik de hoofdprijs zou willen betalen, mwaaah. De prijzen variëren van € 175,- tot € 800,-. Het komt me voor dat de meest arbeidsintensieve het goedkoopst is. Ik zie nog geen rode stippen.

Klaveringa Steentil

Bé Kracht pastel € 175 / Thomas Dijkstra olieverf € 650 / Geert schreuder olieverf € 800 / Reinier van den Berg houtsnede € 195 / Joke Klaveringa aquarel I en II per stuk € 375 / Aly van der Wal gemengde techniek € 550. Van Van den Berg en Schreuder ligt er een folder.

Geert Schreuder Steentil

Het Requiem van Duruflé, Herdenkingsconcert Coevorden 3 mei 2018; € 15,-

Herdenkingen van de bevrijding, festivals op 5 mei, twee minuten stilte, een sliert aan verzetsfilms op 4 en 5 mei, artikelen in de krant over hoe weinig Nederlanders verzet pleegden, vlaggen half- en heelstok, stramme oud-militairen die zowat bezwijken onder de medaillelast, dreigende rustverstoring op de Dam en herdenkingsconcerten. Nederland herdenkt wat af.

Met steigerpalen is een heuse tribune in de NH kerk in Coevorden gebouwd, niet voor het publiek maar voor het koor, het Concertkoor Drenthe. Daarvoor zit het Concertorkest Drenthe. Samen zo’n 70 personen. Tel daarbij op de crew en de vaste groupies en je komt op circa 80 personen, net iets minder dan het karig toegestroomde publiek.

Ik laat de econoom in mij (die in het programmaboekje allang geconstateerd heeft dat de Gemeente Coevorden smadelijk ontbreekt in de rij sponsoren) even rusten en geniet van wat ik zie en hoor: het Requiem van Duruflé. Maar voordat het begint vertelt Johan Stoffels van het Vier Mei Comité over Willem Mantel, een Coevordense verzetsstrijder die, evenals Stoffels’ vader, aan het eind van W.O.II werd gefusilleerd.

Wat bezielt een honderd toeschouwers om op krap geplaatste kerkstoelen te komen genieten van mooi gezongen onverstaanbare teksten op prachtige, doch volgens mijn luistermaat, zware muziek? Van de combinatie orgelspel, orkest en koor, die allemaal, beurtelings apart en dan weer gezamenlijk hun kunsten vertonen, daarbij aangestuurd door chef, menner, ploegleider, manager, aanvoerder, coach, dirigent Pruiksma.

dirigent Hoite Pruiksma in actie

Dat de koorstart wat aarzelend is, soit. Vanaf het Kyrie wordt er vrijuit gezongen. Kristusziele, wat klinkt dat mooi. Kippenvel als je vanuit de verte het orgel erbij hoort komen. Organist Erwin Wiersinga wordt geflankeerd door maar liefst twee registranten, nou, dan gebeurt er wel wat. De overgangen van orgel naar snaren is vaak ontroerend. Ik probeer mijn ongerustheid dat het misgaat te onderdrukken. Het gaat om rust, rust, rust. Dat je van de teksten hooguit een woord of flard verstaat is niet erg. De bijgeleverde vertalingen in het programmaboekje zijn zo mogelijk even ongrijpbaar. Bariton Martijn Sanders heeft een moment of fame wanneer hij de kalkranden van de muren zingt, wat een power, de rieten stoelzittingen spannen tot het uiterste. En dan mezzosopraan Netty Otter die vanaf de kraak het Pie Jesu zingt, daarbij beschenen door de zon die als een volgspot op een evenement haar uitlicht. Over lux aeterna gesproken.

mezzosopraan Netty Otter

Kijkend naar de musici vraag ik me af hoe het komt dat de verjonging in het orkest wel doorzet, maar in het koor niet? Luister eens naar de trompettisten die, bwam, spot on, invallen met het orgel. Loepzuiver, dynamisch en harmonieus tot op het bot. Als Wiersinga aan het eind enkele soli speelt, litanies van Jehan Alain, zie ik dat veel zangers even hun ogen sluiten. Nu al een power-nap? Nee man, een genotsmomentje. Tijd voor contemplatie. Goed idee, denk ik. Ik droom even weg naar het drama van Stoffels’ vader, mijn eigen ouders, de gifgasaanval in Syrië, het koor dat lekker losging in het In Paradisum, stofbanen die een obsessief-compulsief spel spelen met de net ontstoken kroonluchters en spinnetjes op de armen van de kandelaars, enkele vuige aardse genietingen, de to-do-lijst op mijn schrijftafel, jeuk aan mijn scheenbeen, de Spaanse imperativos irregulares en de datum 30 mei, wanneer Wiersinga hier weer het stof van de vloerplanken en de steren van de hemel komt spelen. Chapeau en Nederlandse Bach Academie bedankt! Volgend jaar naar het Requiem Cherubini van Luigi Cherubini.

Mano Bouzamour ‘De belofte van Pisa’

Het zit er allemaal in: analfabete ouders, een zoon die voor zijn moeder tolkt bij de dokter en vrijdagse haatpreken. Een overval op een AH-filiaal <met een bijl>, straatschoffies die met vijfhonderdeurobiljetten ijsjes kopen bij de Italiaan, naïeve politie en effectieve arrestatieteams. Rukken met links, onzekerheid over de techniek van vingeren en niet kunnen bidden met een stijve pik. Examenfraude, een overval op een geldtransport met een uzi en een granaatwerper, smerige sanitaire omstandigheden in de moskee van de lulkoekimam (sic!) en een in merkkleding helende Algerijnse kapper. Fietsters die met “Karren, kut,” worden begroet, zenuwachtig getrek aan achterstevoren gedragen rode Lacoste-petjes, ‘het zijn toch allemaal N.S.B.-ers’ als het over leraren gaat en Marokkaanse opa’s die aan polygamie, schotels en loeiharde Koranzenders doen. Op de achterflap staat dat ‘De belofte van Pisa’ is gebaseerd op de auteurs eigen leven. Marokkaanse moeders zijn kort, allemachtig dik en gehoofddoekt. Zusjes werken bij de A H hebben donkerbruine ogen en zijn ondeugend en meisjeskamers ruiken naar lavendel. Kortom: De Belofte van Pisa is een aaneenschakeling van stereotypen, clichés en plattitudes; als je ze allemaal aan elkaar rijgt door de eikels van de besneden hoofdstedelijke straatschoffies, dan heb je een groezelig doch lang lint, Van De Pijp naar de Arena en weer terug. Het boek heet een schelmenroman en doet erg denken aan Eus van Akyol.

Er is ook een andere kant in de roman. Die maakt het redelijk leesbaar voor een zonovergoten middag. De hoofdpersoon is een door geschiedenis en oorlogsverhalen geobsedeerde hard studerende leerling op het Hervormd Lyceum Zuid. Ook de liefde voor muziek komt, soms geforceerd, bovendrijven. De halfdove hoofdpersoon en zijn broer spelen piano op een g e s t o l e n vleugel.  De ik-persoon is liefhebber van gregoriaanse koormuziek en van Bach en hij en zijn broer spelen Canto Ostinato van Simeon Holt. Verdomd nog aan toe, hoe enkele eenvoudig (doch zeer ongeloofwaardig) uitgewerkte elementen een boek draaglijk kunnen maken. Ik zou zeggen: Lezen en vergelijken met ‘Eus van Özcan Akyol. En als je durft met ‘Je denkt dat het komt’ van Meindert Talma. Een mooier sfeerbeeld van Turkse, Marokkaanse en Friese invloeden is ondenkbaar.

 

Uit zicht, CBK Emmen 14 april t/m 17 juni

Joyce Zwerver Slanted (metaal en transparant folie)

Als tentoonstellingmaker weet je dat bezoekers gillend wegrennen als ze het woord installatie horen. Toch durft Joost Slijpen van het CBK in Emmen het aan: Joyce Zwerver heeft speciaal voor het CBK in de kleine zaal een installatie gefixt. We zien een stuk of 5 à 6 kubusachtige constructies, ongeveer 2 x 2 x 2 meter, met smalle, witte, kunststof ribben die zijn bespannen met transparante huishoudfolie. Je kunt er omheen lopen. Afhankelijk van de hoeveelheid folie die is gebruikt kun je er eenvoudig doorheen kijken. Je zou er een speciaal gevoel bij kunnen krijgen, ik waan me in een plantenkas die na een storm provisorisch is hersteld.

Dankzij de expositie Uit Zicht, waarvan de opening door vijf handenvol bezoekers werd getrotseerd, ga ik een weekend tegemoet met meer vragen dan antwoorden. Als het CBK Met Uit Zicht bezoekers wil tergen, dan is de missie geslaagd. De begeleidende teksten stellen het incasseringsvermogen van kijkers op de proef, met archaïsche zinnen als: ‘Verf is geen middel om iets uit te beelden, maar verf is meer een doel op zich. Het poëtische werk vertraagt de blik van de toeschouwer. De toeschouwer wordt ook geprikkeld om ook naar zichzelf te kijken.’ Heb je in je verleden veel naar Koot en Bie gekeken, dan tovert je geheugen de typetjes tevoorschijn als dia’s op een klassiek projectorscherm, als verfspatten op een stofjas, als scherven op een museummuur.

Malou Cohen Sticky landscapes (kauwgum van de straat, metaal)

Ik probeer de diepere bedoeling van deze expo te begrijpen en meteen de erbij horende vragen te beantwoorden, wat kunst is, hoe duur kunstwerken mogen zijn, waarom in deze winkel geen prijzen te zien zijn, waarom schoonheid zijn plaats aan uitdaging heeft moeten afstaan, hoe het komt dat iemand gevonden scherven in een cultuurtempel als kunst durft te afficheren, waarom komen er weinig mensen bij de opening en meer. Joost Slijpen durft het aan in Zuidoost-Drenthe. Nog geen half jaar in dienst en hij exposeert spraakmakende, prikkelende kunst. Om met Malou Cohen te beginnen: deze jonge kunstenaar steekt kauwgum met een plamuurmes van de straat, plakt dat op een metalen plaatje en het CBK hangt het aan de muur en vraagt er € 280,- voor. Hetzelfde gebeurt met veelkleurige proppen op straat gevonden papier en platgereden ijzer. Het kleurige scherfje keramiek (€ 30,-) is van een ongekende kleurenpracht, dat dan weer wel. Om kijkers niet te provoceren hangen er geen prijskaartjes bij de voorwerpen, maar is er een lijst die opvraagbaar is.

Malou Cohen Come Back (papier van de straat)

Ik heb me weleens bevraagd of fotografie tot kunst gerekend moet worden. Stel je dezelfde vraag eens bij breiwerken die door een breimachine worden geproduceerd. Of kunstig op een draaiplateau gedraaide potten en vazen. Of op rommelmarkten ingekochte geborduurde werkjes die vervolgens achterstevoren naast elkaar worden gehangen naast een prijskaartje van, zeg maar € 17.500,-. Aan de fotografie van Berndnaut Smilde gingen zoveel artistieke en handvaardige handelingen vooraf dat daarover geen onzekerheid hoeft te bestaan.

Berndnaut Smilde

Het antwoord op de vraag wat kunst is hangt nauw samen met de vragen of het een allerindividueelste expressie is van een allerindividueelst gevoel, waar het wordt tentoongesteld, wat de waarde is, wie het heeft gemaakt, of het niveau van kunstnijverheid wordt overstegen en of het door kunstduiders wordt besnuffeld, beschreven, besproken en vooral: serieus genomen. Of er veel publiek komt kijken is niet zo belangrijk. In de zolderzaal van het CBK, de B-zaal, staat werk van wel honderd noordelijke keramisten. De waarde ervan fluctueert van € 12,50 – € 1.650,-. Van sommige stukken keramiek vraag ik me af of ze niet een verdieping lager, in de A-zaal dus, hadden moeten staan (en omgekeerd vraag ik me bij sommige stukken in de A-zaal af of ze niet naast de kapstok bij de receptie hadden gemoeten).

Naast de neiging publiek uit te dagen constateer ik een zekere luiheid bij het CBK. Zij provoceert trouwe bezoekers door binnen enkele jaren ouwe koeken op te dienen: de gefotografeerde wolken van Smilde (€ 7.500,-) zagen we hier eerder. Waarom dan nu weer in vredesnaam? Het blijven natuurlijk intrigerende werken: op meer dan ingenieuze wijze worden rookwolken in ruimtes met water bij elkaar gehouden en dan snel gefotografeerd, prachtig afgedrukt en aangeboden. De oplage is, vertelt Smilde, vijf of zes stuks. De laatste tijd is hij geobsedeerd door regenbogen, die op de kop, met een puntige driehoeksvorm worden afgebeeld in bebouwde landschappen.

Van Matthew Allen zijn niet zeer uitgesproken canvassen te zien ( à € 1.700,- ’t stuk) met kunstig gepolijst grafiet. En van Martijn Schuppers werken uit de periode 2015 – 2017: acryl, alkyd en olie op polyester canvassen (tussen € 9.000,- en € 12.000,-). Bij Schuppers zou, aldus de zalvende begeleidende tekst, verf meer een doel dan een middel zijn (sic!).

Voor de trouwe bezoeker resteert de intrigerende vraag wat deze vijf kunstenaars in Emmen bij elkaar brengt.