
Zonder titel
Bij Ruud Venekamp lever je, zegt de folder, de betekenis van het werk in voor de verf, het doek, de vorm, de geur (sic!). De toon is gezet. Dat belooft wat. Als je zijn werk ziet, nog steeds dixit de folder, springen geel, blauw, roze en groen in het oog. Tentoonstellingsmaker en CBK-medewerker Joost Slijpen noemt het een vrolijke tentoonstelling. De fikse ruimte vraagt om veel of groot werk. Het woord goed hoor ik niet. Venekamps werk is moeilijk in een kader te vatten. Slijpen noemt hem een schilder-schilder met een onderzoekende toets, die zoekt naar vorm en inhoud. Eens kijken wat de reclametekst gaat betekenen als je over literatuur spreekt: let bij het nieuwste boek van Middendorp niet op de inhoud, maar op het formaat, de kaft, de bladspiegel en de geur.
Hoogleraar Rosemarie Buikema opent de expo met een hyperkorte analyse. Zij haalt de inmiddels in de psychiatrie in onbruik geraakte Freud erbij om het kleurgebruik van Venekamp te duiden. Toeschouwers zouden getriggerd worden door het kleurgebruik, op zoek naar wat erachter zit. Letterlijk achter de verflagen, want hier en daar kieren zachte roze tinten onder de harde gelen vandaan. De ogen worden getrokken door een detail en vanuit dat punctum wordt er verder gekeken. Kunst raakt een snaar, iets waar je geen contact mee hebt of zelfs hebt verstopt. Bij aanraking kan het tot ontroering leiden.

Nootmuskaatplantage
Helaas duurt Buikema’s toespraak slechts vijf minuten en dat stelt me teleur. Echt, ik had op een stevig openingsverhaal gerekend. Ik word niet ontroerd door Venekamps werk. Een goede toelichting trekt mensen soms over de streep. Ik zie veel grote doeken, duur ook (ongeveer tussen de 3,5 en 4,8K) waarop gelen, groenen en rozen domineren. Bij de meeste van zijn werken zou het niet opvallen indien ze gekanteld gepresenteerd zouden worden. Ik zie botanische figuren: takken, bomen en varens, die soms op slordige afdrukken lijken. Veel schilderijen hebben een soort kaderlijnen aan de randen. Soms herken ik heel brede kwaststreken, als van een blokkwast.
Venekamp was student en is nu docent aan de kunstacademie Minerva in Groningen. (Vanwege de eenzijdig op abstracte kunst gerichte opleiding, werd in 2005 als tegenhanger de klassieke academie opgericht). Venekamps invloed op kunststudenten is aanzienlijk. Na zijn studie ontving hij beurzen en stipendia met een deel waarvan hij inspiratieopwekkende, verre reizen bekostigde. Zijn werk wordt aangekocht door particulieren, musea en (grote) bedrijven.
Waarom doet zijn schilderwerk mij niets? Ik mis een reflectie op de wereld rondom mij. Ik zie (soms haastig geschilderde) schilderijen, decoraties, kleurrijke, te dure, abstracte illustraties. Als positieve emoties pas na extra info kunnen worden opgewekt, ontbreekt er iets in het werk zelf. Deze kunst heeft een gedegen hoorcollege, zowel over de maakgeschiedenis als over psychiatrische zijpaden nodig om de smaak te ontsluiten, maar het werk zelf of de maker geeft de toelichting niet.
Als ik de aanwezige wethouder vraag naar het decoratieve gehalte van Venekamps kunst, wordt hij onrustig en haalt Slijpen erbij. Liever spreekt hij over de weldadigheid van het CBK, welks doel tweeledig is: educatief en kunst ontsluitend.

De Plantage; detail
Even terug naar professor Buikema. Ik herken in haar de literatuurvorser die een mooi verhaal wil vertellen. Je peutert aan de oppervlakte en dan zie je dat het erachter gebeurt. Het eigen thema van de kunst confronteert en roept nieuwe vragen op. Het aan Freud ontleende begrip Deckerinnerung wordt erbij gehaald. Herinneringen uit de jeugd zouden zijn toegedekt en door eraan te peuteren weer naar boven kunnen komen. Een interessante zienswijze, temeer daar Freud in de psychiatrie al decennia bij het grofvuil is gezet. Jammer dat de klok hier haar grootste vijand is. De patriarchale beknotting ervaar ik bijna als een belediging van het publiek.

























Johan Dijkstra schilderde in 1924 een stenen brug, die hier steentil wordt genoemd. In Dijkstra’s tijd bestond de brug nog uit twee delen, de echte en de zgn. ‘aanbrug’. Zes Ploegleden lieten zich inspireren door Dijkstra’s aquarel, zegt de begeleidende tekst. Dus niet door de echte brug, concludeer ik. In dit = mijn zevende blogtekst over De Ploeg, ga ik verder in mijn pogingen te ontrafelen, te analyseren wat De Ploeg inhoudt. Museummedewerker Hans de Boer, die ooit samenwerkte met Bé Kracht in de tijd dat zij op de reclameafdeling van V & D arbeidden, is vrij stellig wanneer hij spreekt van “… de echte Ploeg en de huidige Ploeg.” Ik frons mijn wenkbrauwen bij het woord ‘echte’. De Boer: “Johan Dijkstra is met deze aquarel zeer herkenbaar als Ploeg-kunstenaar, dit is typisch het Groninger landschap.” Enthousiast wijst Hans de Boer ons de weg naar de echte steentil bij Dorkwerd. Er vaart, hoe bestaat het, net een bootje onderdoor met de naam Steentil. 







Het zit er allemaal in: analfabete ouders, een zoon die voor zijn moeder tolkt bij de dokter en vrijdagse haatpreken. Een overval op een AH-filiaal <met een bijl>, straatschoffies die met vijfhonderdeurobiljetten ijsjes kopen bij de Italiaan, naïeve politie en effectieve arrestatieteams. Rukken met links, onzekerheid over de techniek van vingeren en niet kunnen bidden met een stijve pik. Examenfraude, een overval op een geldtransport met een uzi en een granaatwerper, smerige sanitaire omstandigheden in de moskee van de lulkoekimam (sic!) en een in merkkleding helende Algerijnse kapper. Fietsters die met “Karren, kut,” worden begroet, zenuwachtig getrek aan achterstevoren gedragen rode Lacoste-petjes, ‘het zijn toch allemaal N.S.B.-ers’ als het over leraren gaat en Marokkaanse opa’s die aan polygamie, schotels en loeiharde Koranzenders doen. Op de achterflap staat dat ‘De belofte van Pisa’ is gebaseerd op de auteurs eigen leven. Marokkaanse moeders zijn kort, allemachtig dik en gehoofddoekt. Zusjes werken bij de A H hebben donkerbruine ogen en zijn ondeugend en meisjeskamers ruiken naar lavendel. Kortom: De Belofte van Pisa is een aaneenschakeling van stereotypen, clichés en plattitudes; als je ze allemaal aan elkaar rijgt door de eikels van de besneden hoofdstedelijke straatschoffies, dan heb je een groezelig doch lang lint, Van De Pijp naar de Arena en weer terug. Het boek heet een schelmenroman en doet erg denken aan Eus van Akyol.



