Sjoerdsje Beintema

2003. Bredevoort was een rustplaats op onze tocht van Eijsden naar Sleen. Toen Maarten en ik door het centrum fietsten, herkende ik een auto uit mijn jeugd, een VW kever. Ik zag onmiddellijk dat het een 1100 was met ovale achterruit, daardoor ook wel ‘ovaaltje’ genoemd. Een gerestaureerd exemplaar, geen roest aan de voor mij zichtbare treeplank. Ook zag ik dat er iets met de chauffeur aan de hand was. De witte Volkswagen stond slordig geparkeerd op de stoep. Alsof kermismannen, die verderop bezig waren, hem hadden geduwd en hem daar hadden laten staan. Uit mijn ooghoeken zag ik dat de bestuurder morsdood was. Althans ik hoopte vurig dat hij dood was. Een lange, dikke, sliert glinsterend snot hing naar beneden als een gerafeld stuk elastiek. Ondanks dat hij dood was, zat de man rechtop. Dit type VW stond bekend om de goede bestuurderszit, herinnerde ik me. Bij mij thuis, vroeger, reed mem in de kever. Hij schakelde gemakkelijk en je zat altijd goed. Heit voelde meer voor de wat wegglijdende zit op de rode bank in de Zephyr.

Het voorhoofd van de dode man rustte op de bovenste rand van het stuur. Een grote, natte, vlek in zijn kruis. Ik besefte dat als ik maar een gering levensteken zag, ik in actie moest komen. Op de b.h.v.-cursus had ik niet voor niets alles over een stabiele zijligging geleerd en over hoe te reanimeren. Je mocht, als de situatie erom vroeg, eerst de mond schoonmaken voordat je met mond-op-mond-beademing begon. De b.h.v.-instructrice, Sjoerdsje Beintema, kon beeldend vertellen over braaksel op de lippen van mensen die onwel waren geworden en beademd dienden te worden. In die tijd waren er nog niet van die kunststof kapjes. ‘Maarten, fiets maar even alleen door, ik kom zo bij je, hier is iets aan de hand,’zei ik tegen Maarten. Hij begreep me en vroeg niet waarom. Ik smeet mijn fiets tegen een boom en rende naar de VW. Het hoofd was al iets verder weggezakt, de neus raakte de chromen beugel van de claxon die in dit type kevers diagonaal, als ware het een bliksemschicht, op het stuur was gemonteerd. De aanraking was echter zo licht dat de toeter niet klonk. In de kattenbak een grote pluchen hond met droeve ogen. Dat er een mevrouw uit het tehuis was komen lopen, merkte ik nu pas op. ‘Laat mij maar,’ zei ze monter en ze opende de autodeur. Wist zij al van de dode man? Had zij zijn dood voorzien? Hij zal zich niet goed hebben gevoeld en op weg zijn geweest naar de medische zorg van het tehuis, concludeerde ik snel. Misschien had hij zich telefonisch aangekondigd? ‘Bedankt,’ zei ze vriendelijk, ‘gaat u maar gerust verder.’ Ze glimlachte als iemand die dagelijks dode mannen uit VW-kevers verwijderde en handelde professioneel. Verderop zag ik Maarten naar me kijken. ‘Kom je nog?’ riep hij, ongeduldig, we zouden gaan zwemmen, weet je wel?’

Het was bloedheet. Zo warm dat de Nijmeegse wandelvierdaags de routes had ingekort. ‘Echte bikkels geven niet snel op,’ hield ik Maarten voor, ‘fietsen kan altijd, kijk maar naar de Tour de France, daar korten ze etappes ook niet in als de zon schijnt.’ Vooral veel drinken en goed eten. Toen al wist ik dat wilskracht een spier was die je kon trainen. Met gemak fietsten we de 380 kilometers van Eijsden naar Sleen in vier dagen. Op dikke-banden-fietsen.

Vooral die lange taaie, speekselsliert, bleef lang in mijn gedachten hangen. En als ik die verwijderd had, waarmee trouwens, had ik de oude man dan wel durven beademen? Als het Sjoerdsje Beintema was geweest wel. Dan had ik met een doordacht gebaar het beetje snot weggeveegd met mijn zakdoek, had ik haar neergevlijd onder de boom, naast mijn fiets en dan had ik haar weer tot leven gewekt. Ze zou hebben gelachen om de korreltjes van haar lipstick in mijn mondhoeken en verdwaasd hebben rondgekeken.
Maarten kon zwemmen als de beste. Met zijn drie of vier zwemdiploma’s hoefde ik hem niet steeds in de gaten te houden, dat deden een stuk of vier vakantie vierende meiden wel. Langzaam dutte ik wat weg op mijn handdoek op de zonneweide. De eigenaresse van het Vrienden-van-de-fiets-logeeradres, probeerde mij op mijn gemak te stellen. Natuurlijk was ik weer over de dode man begonnen. De dode man plakte aan mij als kauwgum onder een schoen.

Witte

Ik zat op zijn rug, net onder de schouderbladen en duwde zijn mond met kracht in een rulle molshoop. Moest hij ook maar niet zo schreeuwen en spartelen. Folkert zat achter mij, op zijn bovenbenen en hield zijn voeten en handen in bedwang. Witte probeerde zijn hoofd te draaien. Ik voelde dat zijn verzet wegebde. Hij hoestte en spuwde natte modder uit. Oké, dacht ik, goed, ademen moet, en duwde nu zijn rechteroor in de rulle grond van de molshoop, zodat zijn mond vrijkwam. Er ontstond een kuiltje onder zijn hoofd. Twee pissebedden glipten weg, zag ik uit mijn ooghoeken. Maar pissebedden vertonen zich toch nooit in zonlicht, dacht ik. Ik had wel eens een tegel opgelicht en me verbaasd over de levendigheid van deze diertjes en dat terwijl ze onder een platte steen zaten. ‘Genoeg,’ fluisterde Folkert, ‘ik hoor de fluit van meester Van der Heide al.’ Aan het begin van de ochtend en de middag moesten de klassen zich in rijen voor de schooldeur opstellen. Als kleine militairtjes wachtten we op het fluitsein ‘binnenkomen’. ‘Ho ho,’antwoordde ik, ‘de andere wang moet ook nog even. ’Ik verslapte mijn greep om het hoofd van Witte en draaide het, zodat nu het linkeroor naar de weggekropen mol kon luisteren. Witte keerde mij zijn andere wang toe, bijna uit zichzelf. Ik begreep hem wel, hij verdiende nu eenmaal straf, dat zag hij nu ook zelf in. Zijn tranen mengden zich met de kluitjes grond tot een bruine pap. Ik zag een worm en pakte die. Het uiteinde van de worm duwde ik tegen Witte’s mond. Hij wilde niet proeven. Dat begreep ik ook. Ik voelde me sterk, de rollen waren nu omgedraaid. De helft van een tweeling zijn leverde nu iets op. Pure kracht. Samen waren we hem verreweg de baas. Mem zou het niet goed vinden, natuurlijk, wraak was niets voor haar, maar mem was er niet bij. Mems hulp, Annie, dacht er gelukkig anders over, zij was meer van oog om oog en tand om tand. Folkert trok me weg en Witte ging er vandoor. ‘Rotzak, verrekkeling!’ riep ik hem na. ‘Zeg maar tegen de meester dat ik eraan kom,’ zei ik tegen Folkert, ‘ik moet eerst mijn handen nog wassen.’ Folkert rende naar school. Ik voelde dat mijn armen en handen beefden. Ook mijn bovenbenen trilden. Ik ging tegen de muur van het bushokje zitten en voelde mijn spieren ontspannen. Of het niet te hevig was geweest voor Witte vroeg ik me nu af. Waar de bus altijd stil stond waren de straatstenen verzakt en ontstonden waterplassen met blauwgroene cirkeltjes van weggelekte olie. Ik boog me voorover en waste mijn handen en knieën. Mijn zakdoek werd handdoek. Spijt had ik niet, maar ik voelde me wel bezorgd. Of schuldig. Ik dacht na over het verschil tussen spijt en schuld. Met zijn tweeën tegen één, was natuurlijk niet goed. Maar Witte was zeker drie jaar ouder dan wij, hij zat al in de tweede of derde van de ambachtsschool en wij in de zesde van de lagere school. Had hij me maar niet moeten uitschelden elke dag als hij mij zag.

De grensrechter bij Friese Boys C2 – Kollum C2 had wit haar. Hij was een jaar of vijftien, maar groot, je gaf hem gemakkelijk zestien als je hem zag staan. Folkert was spil en ik keeper. Ik droeg een oude trui en voetbalschoenen die te groot waren. De punten had ik met schapenwol gevuld. Vaak verloren wij van Friese Boys uit Zwagerveen, zoals we ook verloren van WTOC uit Oudwoude. Viod uit Driesum en De Lauwers uit Warfstermolen konden we wel hebben. Maar deze keer stonden we toch op winst tegen de Boys. De grensrechter had wild gevlagd op het moment dat ik de bal opraapte bij de achterlijn. Iedereen zag dat het geen doelpunt was en de scheidsrechter had het vlagsignaal genegeerd. Onze trainerleider, Jan Boer, had er iets van gezegd, grensrechters van veertien, vijftien waren niet toegestaan. Hij mocht dan een goede A-speler zijn, maar dat maakte je nog niet een goede grensrechter. Kon ik het helpen dat hij door de mand viel?

Elke keer als hij me in Kollum zag, riep hij me na. Hij schold me uit voor kievit, strontkeeper, klootzak, snotneus. Dat schelden was niet het ergste, maar wel zijn dreigende houding als hij mijn kant op fietste. Als ik hem zag, dook ik weg. Ik verstopte me achter een heg of deed alsof ik post bezorgde en daarom naar de voordeur liep van willekeurig welk huis ik maar passeerde. Daardoor kwam ik geregeld iets te laat op school. Als ik op zaterdag voor heit post bezorgde in de streek rond Zwagerbosch, Triemen, Zwaagwesteinde, Veenklooster en Zandbulten, dan keek ik extra goed om me heen. Ik wist dat hij hier ergens moest wonen.
Ik kneep hem, maar dat kon je niet bang noemen. In gedachten noemde ik hem Witte. Ik nam me voor hem eens samen met Folkert te pakken.

Evoluon

Oh, wat had ik graag Franse les gehad van juffrouw Stroom. Onze leraar Frans, meneer Jongkind, had een klapvoet. Bij proefwerken en schriftelijke overhoringen hoorde je hem aankomen. Niet dat het mij iets uitmaakte, ik was goed in Frans. Per les rookte hij drie sigaretten in een sigarettenpijpje. Zijn lokaal was naast dat van zijn collega’s Frans, mevrouw Snoeck en mevrouw Stroom. Van deze twee was juffrouw Stroom het aantrekkelijkst. Ze was niet zo groot, kleiner dan ik. In de pauzes gingen er verhalen over haar. Iets met mannen en escort. Ze woonde in Groningen. Vanuit Dokkum gezien was Groningen een wereldstad. In het fietsenhok vertelde Geert Ozinga dat hij juffrouw Stroom een keer mooi tuk had gehad. Geert Ozinga woonde in Metslawier. Hij reed op een groene Zündapp, met voetversnelling. Hij bond zijn schooltas vast met rafelig pakjestouw.

‘Op het schoolfeest had Stroom een leren broek aan,’ vertelde Geert. ‘Ik stond naast haar toen ik vijf bier bestelde.’ Omdat Geert een luide stem had, had zich inmiddels een groep vijfdeklassers verzameld, uitsluitend jongens natuurlijk. ‘Ik zeg, biertje juffie?’ Geerts stem klonk opeens naar. Ik keek om me heen en wilde niet meer naar hem luisteren. In zijn mondhoek zag ik kleine rode, vochtige blaasjes, die me aan de psoriasisarmen van tante Teatske deden denken. Geert ging verder: ‘Mooie broek hebt u aan, maar, eh, hebt u ook leren pijpen?’ Gelach en gegier. Sommigen beukten met hun zware schoenen op de vloer van de fietsenkelder. ‘Leren pijpen,’ herhaalde iemand onnodig hard.

Juffrouw Stroom zat schuin voor mij in de bus, haar stoel was iets lager geplaatst. Ik zat achter de chauffeur. Mijn ogen werden naar haar toe gezogen, alsof het buiten mijzelf om gebeurde. Achter haar hoge, openstaande, kraag zag ik een gouden kettinkje dat voor de helft in een allerliefst nekplooitje verdween. Twee paar lange, losse, haren vormden een kunstig lijnenspel op haar smalle schouders. Een klein en hard, zwart, stukje mascara klonterde enkele haartjes samen in haar linker wimper. Een wolk parfum omhulde haar als een halo om de maan in het aardrijkskundeboek. Zij wilde een filtersigaret opsteken, maar gebaarde dat ze geen aansteker had. De chauffeur bood haar brutaal zijn sigaret aan. Zijn toetervormige, zelf gerolde, sigaret, waarvan de met zijn speeksel dichtgelikte plakrand viezig bruin kleurde, als vochtkringen in een te lang gebruikte zakdoek, deed zijn werk. Haar lipstick tekende een plakkerige rode vlek op het filter, een beetje als slecht waskrijt op glad tekenpapier. Juffrouw Stroom had donker, halflang haar en volle, roodgestifte, lippen. Alleen van dichtbij zag je verticale breuklijntjes in de lipstick, maar die deerden mij niet. Ze inhaleerde de rook diep, zodat het even duurde voordat de rook, bijna een massieve, lichtblauwe, kolom, via haar mond en neusgaten tegelijk, de voorruit van de Scania-bus bereikte. Het leek alsof de rook tegen de ruit bleef plakken. Strakke, glimmende, laarzen tot net boven de knie. Als ze stond, juffrouw Stroom stond altijd met iets gebogen knieën, vormden de bovenkanten van de laarzen een openstaand, bijna uitnodigend, driehoekje. Een brede riem met een glimmende gesp zat losjes om haar middel. De bovenste rand van de gesp raakt bijna haar borsten. Soms rekte zij zich uit en dan kroop haar trui iets omhoog, wat gelukkig onopgemerkt bleef. Met tegenzin boog ze zich naar voren om de mompelende chauffeur te kunnen verstaan en ik zag een kanten strook van haar fuchsiaroze bh over haar bleke huid. Ik moest aan de zuurstoksmaak denken van vroegere kinderfeestjes. Als de chauffeur zichzelf verduidelijkte, keek hij te lang haar kant op. Haar linkervoet tikte onophoudelijk met de topveertigmuziek mee. Af en toe legde ze haar gelaarsde rechtervoet op de dashboardrand.

We waren op weg naar de paddestoel. Het Evoluon in Eindhoven. Alle leerlingen uit klassen één tot en met drie en uit de hogere klassen iedereen die natuur- en of scheikunde in het pakket had, moesten mee. Ik zat in twee atheneum van het Oostergo en wist al dat ik nooit wis- schei-of natuurkunde zou kiezen. Dit was mijn eerste museumbezoek buiten Friesland. Zonde van het geld, vond ik, maar mijn vader had zonder protesteren de extra kosten voor dit nutteloze uitje betaald. Als het voor school was, was het altijd okee. In Veenklooster waren we weleens in It Lytse Slot geweest en in Vogelsangh State, een soort filialen van het Fries Museum. Bij het uitstappen werden de leerlingen geteld. Juffrouw Stroom werd geholpen door Bangsma. Bangsma gaf geschiedenis, zijn bijnaam De Leipe. Van hem werd verteld dat meisjes die wat met de knieën wiebelden en als ze durfden, licht spreidden, wanneer ze werden overhoord, altijd op een voldoende konden rekenen. Geert Ozinga zou in plaats van overhoring zeggen: ‘Een beste beurt krijgen van Bangsma.’ Het geschiedenislokaal had de vorm van een theater, de stoelenrijen liepen op naar achteren. De meeste meisjes kregen een plaats in het midden van het lokaal, tegenover de lessenaar van Bangsma.

Het Evoluon stelde in mijn ogen niet veel voor. Veel onbegrijpelijke techniek en geen schilderijen, geen fotografie. Het leek wel een betonnen bijkantoor van Philips. Ik was dertien, misschien veertien en voelde me teleurgesteld. Met Arnold, Bennie en Rudy gingen we de stad in. Bennie had iets gehoord over het Baekelandplein, de rosse buurt van Eindhoven. Het was niet erg moeilijk het museum ongezien te verlaten. Wel werden we gezien door de buschauffeur die, de benen gespreid en brutaal de Eindhovense wereld inkijkend, zat te roken op de stoel van juffrouw Stroom.

Floris

Alle meisjes hadden zich opgedoft. Ik zag lijnen en blosjes en kleuren die je in Kollum niet veel zag. Nagellak, oogschaduw, lipstick, alles van drogisterij Olij aan de Voorstraat. Op de toonbank stond een kartonnen display met drie kleuren van Starlet Fever. Als Olij niet keek had ik uit nieuwsgierigheid wel eens zo’n staafje in de hand genomen, de dop eraf gedraaid, zodat je zo’n zachte, vochtige, felrode kop tergend traag naar buiten kon schuiven en weer terug. Snel even een veeg op je hand maken. Ik geloof dat buurmeisje Ruurdje Bosma, bakkersdochter Anneke Boersma en Louw Beerstra’s zus Meike al een minirok droegen, en Anneke en Hanneke Heins natuurlijk, de oudste dochter van slager Zeldenrust zeker niet. Mijn zusters waarschijnlijk ook niet, maar ja, die waren pas zestien en zeventien en ik hield hen natuurlijk minder in het oog dan Ruurdje en Anneke. Ik zat in de derde en had al begrepen dat je vanaf klas vier moest lezen voor de lijst. Iets eerder daarmee beginnen kon geen kwaad, Duits was niet mijn sterkste taal en van broer Piet had ik gehoord dat alles van Zuckmayer op de lijst mocht.

Al weken hingen aanplakbiljetten op publicatieborden. In het dorpshuis, bij de bank, in Pro Rege, in de bibliotheek zelfs twee. Ik had er één meegenomen voor meneer Eising, mijn leraar Duits. ‘Ah, Carl Zuckmayer, toll,’ had Eising gezegd, met die overdreven neiging vooral de r aan het eind van de naam niet uit te spreken. Ongeveer een kwart van de tekst op de affiche werd in beslag genomen door de elf letters van de bekende toneelspeler. En hij had niet eens de hoofdrol. Natuurlijk kenden we hem. Maar dan als Floris. Maar misschien vonden we Floris’ kameraad, de geheimzinnige Sindala, nog interessanter. In het najaar van 1969 werd er over weinig anders gesproken dan de nieuwe jeugdserie Floris. We floten mee met de tune. Op de openbare lagere school hadden ze speciale Florisdagen, maar ja, die hadden tijd over, die hoefden ook geen psalmversjes te leren. Mijn moeder vond dat die Rutger Hauer brutaal de wereld in keek. Oom Jaap wist dat hij niet eens kon voetballen.

Er was geen echt theater in Kollum, maar wel een feestzaal met een podium in hotel-restaurant De Roskam van Bonne Hof. Bonne Hof was met zijn eigen merk berenburg hofleverancier geworden. Ik meen dat bij het bezoek van koningin Juliana de w.c. in de ambachtsschool werd ontsmet met een liter jenever van Bonne Hof. In de voetbalkantine werd hier schande van gesproken. Sindsdien sierde een kroontje zijn bedrijfsnaam. Omdat het gemeentebestuur allerlei cultuurdragers in Friesland subsidieerde, kwamen die ook in het dorp spelen. Zo speelde het Frysk orkest in de gereformeerde kerk en kwam toneelgezelschap De Drachtster Compagnie in de tot theater omgetoverde bovenzaal van Bonne Hof. Je hoefde dus niet naar het theater toe, het theater kwam vanzelf bij jou langs. Deze keer met Der Hauptmann von Köpenick van Carl Zuckmayer.

Floris hadden wij gezien bij Vrouw Bosma. In 1969 hadden wij thuis nog geen t.v. Bij de familie Bosma zag ik ook Pipo, Bonanza, Ja zuster nee zuster en, per ongeluk, Hoepla. Nadat Phil Bloom de krant voor haar blote borsten wegdeed, moest de televisie gelijk uit. Ik vond Ruurdje Bosma en Anneke Boersma leuker dan Phil Bloom. Ik denk dat mijn ouders wel een televisie konden betalen, maar ze dachten dat boeken lezen en naar de radio luisteren beter was voor kinderen. Of er ook een religieuze component meespeelde, dacht ik niet, want zowel heit als mem waren meer van de vrijzinnige kant. Kon je ook nog eens een keer een kerkdienst skippen en op zondagmiddag met het hele gezin in de Zephyr op familiebezoek in Meppel gaan. Naar toneel gaan was een ongewone gebeurtenis. Als wij duidelijk konden maken dat het voor school was, vergoedde heit de onkosten zonder discussie.

En nu, in 1971, kwam Floris dus naar Kollum, vermomd als toneelspeler. Der Hauptmann von Köpenick van Zuckmayer zou ik in klas vier gaan lezen. Ik hield van lezen. De periode van Peerke en zijn kameraden, Alleen op de wereld, Robinson Crusoe, Dik Trom, De smokkelaars van de schans, Reis door de nacht, De hooiplukker van Lochem, Pietje Bell, alle delen van de Kameleon, Arendsoog, Hotse Hiddes, dat soort, die periode lag achter me. Het werd nu lezen voor de lijst. Ik had net geleerd dat je ook toneelstukken kon lezen. Jelske en Piet zeiden dat ze het boek niet meer hoefden te lezen. Even de inhoud nazoeken in uittrekselboek Der rote Faden en klaar.

Er speelde ook een acteur uit de buurt mee: Peter Tuinman uit Twijzel. Mijn moeder was wel fan van Tuinman. Die had zo’n mooie stem. Die mooie stem heeft hij nu nog, hoor ik, als ik verzekeringreclame op t.v. beluister. Als Rutger Hauer ten tonele verscheen steeg de spanning in De Roskam. Het werd dan muisstil. Geen kuchje. Geen geschuif met asbak of glas. Je hoorde alleen het knisperende geluid van een haperend t.l.-buisje in de verlichting van het bordje nooduitgang. Sommige meisjes hadden hun armen in een omgekeerde V-vorm onder hun hoofd. Alsof hun kin op de vuisten uitrustte. Rutger Hauer liep altijd heel aanstellerig met zijn bekken naar voren gekanteld. Alle meisjes zuchtten hoorbaar. Ruurdje Bosma streek haar haren almaar achterover. De zaal was half gevuld. Er waren veel scholieren die in Dokkum naar school gingen. Ik had gehoopt dat meneer Eising ook zou komen.

In de pauze van het stuk verzamelden de meiden zich in de gang van hotel De Roskam. Kamer twaalf was ingericht als kleedkamer. De hotelkamers hadden niet een eigen badkamer en toilet. Daarvan waren er twee op de gang. Rutger Hauer ging in de pauze, die een half uur duurde, twee keer naar het toilet. Hij passeerde dan een haag van opgewonden meisjes. Ruurdje Bosma maakte zich zo lang mogelijk. De Kollumer meiden vielen zowat in katzwijm. Overal zag je uitgelopen make-up. Scarlet Fever, dacht ik, en ik moest aan de winkel van Olij denken. De jongens hadden zich verzameld voor het podium en rookten uit alle macht. Wat verbeeldde die Hauer zich wel.

Na de pauze waren veel meisjes op de voorste rijen gaan zitten. Wij moesten wat verder naar achteren. De pauze was voorbij en de zaallichten doofden. Toneelspots floepten aan. Wie ermee begonnen was, dat weet ik niet. Maar ineens klonk achter in de zaal zacht de begintune van Floris. De een neuriede, een ander floot zacht en er werd gedrumd op dikke verwarmingsbuizen. Een asbakje klepperde goed mee in de maat. Het begon heel zacht, maar zwol allengs aan. Soms hoorde je een duidelijk pa-pa-pa-paaa! Rutger Hauer keek bozig. Ik begreep ineens wat mem had bedoeld met dat brutale van hem. Gek, maar dit was de laatste keer dat de Drachtster Compagnie optrad in De Roskam.

Nieuwe broer

In november 1962 wordt Jacob geboren, kind nummer zes in ons gezin. Folkert en ik zitten in klas één van de lagere school. Juffrouw Kuperus vindt het maar een raar verhaal, nog een kindje erbij. Mem ligt in het ziekenhuis in Leeuwarden en Annie bestiert het huishouden. Af en toe krijgt ze hulp. Als ús lytse, neie broerke er eindelijk is, mogen we een keer mee op ziekenbezoek. Daar hadden we de hele week al naar uitgekeken. Heit schept op tegen iedereen die het wil horen en ook iedereen die er niet zoveel mee heeft, dat Jacob een leaf mantsje is en bij de geboorte bijna tien pond woog. Nog lang niet zo zwaar als de tweeling natuurlijk, maar niet bepaald een kleintje. Slager De Vries is net zo opgetogen als wij en bakker Beerstra, die drie keer in de week bij ons aan de zijdeur komt met brood, fluit extra hard als hij door de straat fietst. Heit zou niet naar de kerk gaan en wij hadden vrij van zondagsschool, want we zouden al vroeg vertrekken. Folkert en ik hebben op school voor mem een tekening gemaakt en voor Jacob nemen we twee cadeautjes mee: een uitgeblazen ganzenei en, in een papieren zakje, een pluk schapenwol. Dat kan hij later gebruiken om de punten van de voetbalschoenen mee op te vullen. Hij krijgt natuurlijk onze voetbalschoenen, net als wij de voetbalschoenen, met spijkertjes onder de noppen, van Piet en oom Jaap kregen.

Heit start de witte zes cilinder Ford Zephyr, gekocht van Taeke Postma uit Garijp, en wij nemen naast hem plaats op de rode bank. De kokosmat is versleten en de asbak zit vol met sigarenstompen. Heit steekt een Ritmeester op en deze keer krijgt Folkert het bandje. Op de achterbank Jelske, Piet en Tjitske. Jelske speelt dromerig met de witgele uiteinden van d’r petticoat, Piet leert onderweg een psalmvers voor maandagmorgen op school en Tjitske doet nog voor Veenklooster het raampje naar beneden want zij kan weer eens niet tegen de sigarenrook. En dat terwijl heit het kleine driehoekige raampje al open had geduwd met zijn pink. Ter hoogte van Twijzelerheide, hoogstens Twijzel, stoppen we, want Jelske moet nodig plassen, ‘pisje’ zoals wij zeggen. Omdat zij het niet naast de auto in de berm durft te doen, rijdt heit geroutineerd een boerenerf op. Een beetje extra gas als hij de bocht neemt, zodat de modder meters hoog opspat. Aan het Wyldpaed wonen allemaal klanten van hem. Door het raampje begint hij een praatje met een boer over de vee- en melkprijzen, let op ze gaan weer stijgen, terwijl Tjitske Jelske vergezelt naar de stal.

In Hardegarijp begint de snelweg en heit laat de snelheidsmeter, die bij stilstand al dertig aangeeft, beheerst klimmen tot 180. De wind suist en giert door alle geopende raampjes, as vliegt vrolijk in het rond, de zes cilinders genieten net als de inzittenden en jammer genoeg doemen de contouren van Leeuwarden met de Bonifatiuskerk al te snel op. Heit helpt andere auto’s op te schieten. Als ze niet snel genoeg aan de kant gaan, knippert hij vriendelijk met de grote lampen. Dat helpt, ook overdag. De klinkers op de Leeuwarder grachten maken een mooi geluid en overstemmen Piet die psalm 150 vers 7 neuriet. Neuriën helpt als je psalmversjes moet leren, dat weten we allemaal. Op vlijt en gedrag was een zevenmin genoeg maar met minder dan een tien op psalmversjes hoeven we niet thuis aan te komen. Ach, onder het eten wordt er ook om gelachen, steeds vaker de laatste tijd. Het remmen voor de stoplichten bij de Oldehove klinkt als muziek.

Bij het ziekenhuis, gelukkig niet het roomse, want daar was pake Diekstra nog zieker uitgekomen dan hij er binnen was gebracht, parkeert heit de auto in het grind. Bij de portier krijgen we te horen dat Folkert en ik te jong zijn, we mogen niet mee. Jelske, Piet en Tjitske mogen om de beurt om de deur gluren, heit mag naar binnen. ‘Net gûle jongens, boartsje mar mei de stientjsje hjir.’ Folkert en ik maken fanatiek snelwegpatronen in de kiezels van de parking. Onze schoenen zijn auto’s en onze nieuwe kniekousen, die mem nog op de bazar in Pro Rege, naast Bethesda, had gekocht, met veel te strakke elastieken in de boorden, worden zwart, en niemand ziet onze tranen.

De Heiltje

Waarom lag hij daar? Elk najaar opnieuw, aan het Raadhuisplein tegenover het postkantoor en de pastorie van dominee Mout? De Heiltje was een oud pulpschip, maar in Kollum werd toch geen pulp verladen? Of toch? Dat moest dan overdag gebeuren als wij naar school gingen. Meester Dijkstra had ons verteld dat pulp een bijproduct was in de suikerindustrie, dat als veevoer werd verkocht. In Hoogkerk was een suikerfabriek.

Als De Heiltje aan de kade lag, gingen we kijken. Moesten we kijken. Pulpschepen, lijkauto’s, kermiswagens, fruitvervoerders, melkwagens, ambulances, vuilniswagens, konden op onze warme belangstelling rekenen. We werden ernaartoe getrokken als ouderlingen naar een avondmaalsdienst. Zonder dat iemand het vertelde, wisten we dat ze er was. We voelden het, net zoals we voelden wanneer het knikkerseizoen aanbrak of het seizoen om rozenbottels te gaan gooien naar de openbaren.

Het was na schooltijd, zowat tegen vieren. Het schemerde nog niet echt, maar helder was het ook niet meer. ‘Kom, zei Folkert,’we gaan naar het schip.’Het was druk aan de kade. Er was slechts plaats voor één schuit. Een half gezonken roeiboot was tot spanen gedrukt. Ik zag een dode vis tussen de wal en het schip drijven. Het buikgedeelte opgeblazen. Verderop, richting de Voorstraatbrug, kleurige kringen van olieresten, half vergane kartonnen dozen, drie lekke ballen, rotte slakroppen en nog wat rotzooi. Politie Groen en mevrouw Mout stonden samen te praten en hielden de belangstellenden in de gaten.

Het voorwiel van Folkerts fiets stak al over de walkant. Iemand duwde tegen mijn rug, ik raakte Folkerts spatbord en daar ging hij: met fiets en al te water. Het spatbord haakte nog even vergeefs achter de kaderand. Folkert ging direct kopje onder in het donkere water. Ik vond het niks, meestal deden we alles samen. Ik zag zijn handen wild om zich heen tasten. Een hand kneep in de dode vis. Ik begreep heel goed dat ik hem nu niet kon vragen om de vissenschedel te bewaren voor onze geheime verzameling dierenschedels. Het was er diep, diep genoeg voor schepen als de Heiltje om aan te leggen. Er ontstond een plotselinge drukte. Er werd ineens druk geroepen en geschreeuwd. De schipper gaf zijn hondje een schop en hij spuugde over de reling. ‘Godverdomme,’ hoorde ik. ‘Bliksem nog aan toe.’ Folkerts hoofd kwam boven. Hij proestte uit alle macht en zoog hoorbaar lucht naar binnen. Het watertrappelen hadden we al gehad in zwembad Het Paradyske. Folkert kon veel beter zwemmen dan ik. Waterplanten in zijn haar. Ik hoorde hem slikken en spugen en angstige geluiden maken. Ik begreep het niet. Mevrouw Mout en politie Groen kwamen aangerend. Slager Zeldenrust en bakker Boersma hielden een autoped, een step, achterstevoren en probeerden die aan Folkert aan te reiken als een soort reddingsboei. ‘Pak ‘m dan toch, jong.’ Bijna raakten zij ook te water. ‘Verdomde idioten!’schold de schipper. Zijn vrouw stak haar hoofd om het deurtje van de kajuit, haar haren in een ruige streng. In haar mondhoek een sigaret. Zij kwam me bekend voor. Ik dacht aan heit en mem. Maar goed dat zij dit niet zagen. De schipperszoon pakte een polsstok en plantte die woest in het water. Waar was Folkert nu? Waarom pakte hij de polsstok niet vast? Dat zou alles een stuk eenvoudiger maken. Ik hoorde de kerkklok vijf slaan, we hadden niet heel veel tijd meer, om half zes gingen we eten. Een lampion dreef voorbij, maar elf november leek verder weg dan ooit. De dode vis was nergens te bekennen. Zou hij dan toch de kop eraf hebben geknepen? Iemand parkeerde zijn auto zo dat de lichten over het zwarte water schenen. Nu zag je nog minder. ‘Klootzak, doe die lichten uit!’schreeuwde de schipper. Alles wat onder de lichtstralen was, leek nu pikdonker. Weer hoorden we geproest en gespartel. Dichter bij de kaderand nu. Fokke de Vries ging op zijn buik liggen en strekte zijn handen uit naar waar hij Folkert meende te hebben gezien. Zijn witte overhemd schuurde over de straatstenen. Ineens had hij beet. Hij hengelde Folkert uit het water als een verzopen kat. Folkert proestte en hijgde tegelijkertijd. Iemand hengelde Folkerts fietsje uit het drabbige water. Met de fietsen aan de hand zijn we naar huis gerend.

Folkert ging met mem onder de douche en werd met een kruik in bed gestopt. Toen mem terug was, deed ik aan tafel het verhaal uit de doeken. In geuren en kleuren vertelde ik wat was gebeurd. Normaal gesproken had ik nooit zo lang de onverdeelde aandacht, maar dit was een uitzondering. Beppe keek onaangedaan rond en lepelde de pap op. Niemand hoorde nu haar tanden over de lepel krassen en schuren. Ze keek in de verte. ‘Dan ga ik straks nog even naar Fokke de Vries toe, om hem te bedanken,’zei heit. ‘Maar wat zal ik voor hem meenemen?’ ‘Vijfentwintig gulden, zou dat genoeg zijn?’ ‘Maar je kunt een mensenleven toch niet in guldens uitdrukken?’ vroeg iemand. Vier kinderen, oom Jaap, heit en mem, mems hulp in de huishouding Annie, iedereen discussieerde er flink op los. Er kwam van alles voorbij: een dag of een weekend lang de zes cilinder Zodiac gebruiken, een abonnement op het zwembad, een pen met inscriptie, een medaille van zilver, een kampioensbeker, een oorkonde, een oranjekoek van bakker Riemersma, twee panklare kippen van poelier Visser, drie pond karbonades, het werd een vrolijke bespreking. Beppe glimlachte maar wat, het ging allemaal langs haar heen, wist zij wat de waarde van dit kleinkind was? Het werd afgemaakt op een slof sigaretten. Heit kocht de Ritmeesters en de Golden Fictions groot in, dan had je de meeste korting. Met een slof sigaretten bedankte heit diezelfde avond nog de mensenredder.

De schreeuwende vrouw

Van onze verslaggever. Een kenniscafé was er al in Emmen. En vanaf nu, 18 september 2015, dus ook een cultureel café. De deuren van de bieb staan wijd open. Ik bedwing de lust naar binnen te fietsen. Gastvrouw/presentator Ellen Veenema verwelkomt bezoekers. Leuk, denk ik, zo kan het dus ook. Zeker zestig (laat ik voorzichtig schatten) mensen hebben gehoor gegeven aan de oproep via het filmhuis, de bibliotheek en enkele kranten. Even rond kijken. Niet alleen grijze kuiven deze keer, ik zie ook jongeren. Minimaal vier scribenten van het Dagblad van het Noorden. Drie van de vier hebben vanavond een klus. Nou, dat kan een mooi krantenstuk opleveren. Verder cultuurliefhebbers, waaronder maar liefst zeven (ex)gemeentedichters. De hoofdact is een interview met Zuidhorner Vierkant, directeur van Atlas. De door een redactiegroep voorbereide vragen geven Vierkant de gelegenheid iets van zijn culturele voorkeuren te tonen. Dat lukt prima: Bach, Debussy en Mulisch komen voorbij, maar ook voor mij onbekende muziekmakers. Met de cultuur zit het wel goed, denk ik. De vragen blijven leuk en vriendelijk en braaf. Het wordt dan ook een leuk interview. Maar ook een goed interview? Een heikel onderwerp blijft onbesproken. Krantenlezers weten dat Vierkant bij Martiniplaza is weggebonjourd omdat hij niet duidelijk was met cijfers. Theaterdirecteuren hoeven geen econoom of cijferfetisjist te zijn, maar onduidelijk en obscuur met getalletjes, mwaaah. Hoe kijkt hij er zelf op terug, vraag je je dan af en je hoopt dat hij de gelegenheid krijgt dingen op te helderen, te verduidelijken; iedereen verdient een tweede kans. Dat gebeurt helaas niet. Waarom blijft dit onbesproken? Het grote giswerk begint nu pas. Hoe was de benoemingsprocedure? Waren er meer kandidaten? Is Vierkant wel de eerste keus van Emmen? Was hij een koopje, het resultaat van intergemeentelijke handjeklap? Was het vermijden van de vraag naar het hoe en waarom van Vierkants vertrek uit Groningen een voorwaarde voor deelname aan ‘De schreeuwende vrouw’? Thuis word ik nieuwsgierig. Even googelen levert op dat Vierkant een exploitatietekort van bijna een miljoen voor de gemeente had verzwegen. Verzwijgers hebben iets tegen transparantie. In de culturele hoek wordt vaker gegoocheld met cijfers. Bezoekerscijfers, inkomsten, worden al te riant voorgesteld. Het was voor Vierkant goed geweest zijn kant van het verhaal te laten horen. Met een schone lei te kunnen beginnen in Emmen. Nu blijven de vragen knagen.

Na de pauze Bert Kampings mooie, eigenzinnige, stem en gitaar, een overactieve automatische deur, een bak nootjes op een stoel, Gerwin Groote die zijn column daadkrachtig met Shakespeare begint, een vrolijk rammelende trolley met lege flessen. Hé, ik zie een banier waarop vijf van de zes woorden goed gespeld zijn. Dan een discussie. Er wordt door een viertal deelnemers uit de theaterwereld (d’Ancona, Kluivers, Wink, Wortmann) gesproken over theater en het culturele klimaat in Zuidoost-Drenthe. Een mooi gesprek. De vrouwen doen het weer eens stukken beter dan de mannen. Kluivers ontvangt zelfs langdurig applaus. Soms neemt d’Ancona de rol van gespreksleider over. Waarom precies was er geen plaats voor Kluivers in het nieuwe Atlas-team? Samen omzetcijfers aanleveren is gemakkelijker dan het in je eentje moeten doen. Hoe komt het dat het Noord-Nederlands Toneel zo weinig publiek trekt? Waar ligt de grens voor het openhouden van subsidiestromen bij door het publiek genegeerde voorstellingen? ‘Als ik persoonlijk geraakt word,’ hoor ik, ‘dan is het, ook bij maar honderd bezoekers, goed.’ Mmmm. De happy few is al snel persoonlijk geraakt. Hoe komt het dat Shakespeare in Diever tweeëntwintig uitverkochte voorstellingen heeft? Waarom trekt het Aol Volk twaalf keer meer publiek in Emmen dan het NNT? Iemand spreekt serieus over een gebrek aan interactie tussen het publiek en acteurs. Werd er soms in slaap gevallen, gegaapt, niet of te zacht of op het verkeerde moment geklapt, gefloten, met witte zakdoekjes gewuifd, boe geroepen, met beugelflessen of tomaten gegooid? En ligt dat dan aan het publiek of aan de theatermakers? Daar heb je iets, denk ik. Wanneer theatermensen verwachten dat het publiek meer dient te interacteren ontstaat er al te gauw een curieus verwachtingspatroon waaraan moeilijk valt te voldoen.
Ik vergat een vrijwillige bijdrage te geven, realiseer ik me als ik met de fiets voor een stoplicht sta. Maar ja, entree betalen voor een café is nog niet mijn ding. Ik vertrek met meer vragen dan antwoorden en dat bevalt me.

Diversen

Het was in de tijd dat personeelsvergaderingen genotuleerd werden in een gemarmerd schrift. In lokalen en de leraarskamer werd volop gerookt. Over personeelsuitjes werd vier keer plenair vergaderd. Aan het begin van de personeelsvergadering werden de notulen voorgelezen. Er dreigde een schriftelijke herstemming over het reisdoel. Het werd een diner-dansant te Haren. Ik was drieëntwintig en van de generatie die zich er op liet voorstaan niet te kunnen dansen. Stijldansen. En van diner-dansants had ik geen weet. Toch ging ik, single met een extreem hoge hormonenhuishouding, mee. Ik wilde alles meemaken en enkele vrouwen van collega’s vond ik ronduit leuk. Op twee na waren alle collega’s getrouwd. Deze twee collega-singles lieten de beker van het diner-dansant aan zich voorbij gaan.

In de bus stond de muziek op tien. Luide gesprekken over voetbaluitslagen, Kruisinga, de onbetrouwbare Van Agt, de neutronenbom, de vakbond en een mogelijke fusie met een andere MAVO. De collega Frans wilde ons doen geloven dat multipropriété de voorloper was van timesharing. Als de roostermaker even met de chauffeur stond te praten hoorde ik geweeklaag over roosters. Veel vrouwen keken naar het voorbij vliedende landschap en zuchtten onophoudelijk, praatten met andere vrouwen over de overgang terwijl ze in de spiegelende ruit hun haren schikten. Mannen droegen terlenkabroeken, vaak met minimaal één uitgewreven vetvlekje, en een overhemd met een stropdas die uitkierde vanonder een spencer. Sommigen in pak. Vrouwen droegen rokken met een vest of jurken, een enkele een broekpak. Velen hadden een plastic tasje bij zich. Ik droeg een wijde rode trui en een verschoten spijkerbroek. Mijn lange haren gekortwiekt tot op de kraag. Af en toe kwam er een vrouwelijke collega of een vrouw van een collega naast me zitten. Waar ik vandaan kwam, of de flat beviel, wat ik van gewest tot Gewest vond en of ik Bibebs laatste interview had gelezen. Ik voelde me een vreemde eend, licht exotisch. Maar de plaats naast mij bleef zelden lang onbezet. Prettig, maar toch een beetje raar.

In een zaaltje, waarin alles crèmekleurig was, stonden lange tafels opgesteld. De helft van de zaal een dansvloer. Ik wilde net met de directeur in discussie gaan omdat hij om ‘even stilte alstublieft’ had gevraagd aan het begin van de maaltijd. En dat op een openbare school. Alsof het was afgesproken kwamen de plastic tasjes tevoorschijn. Dansschoenen. Na de vermicellisoep vroeg Lonka mij ten dans. Nee zeggen werd niet op prijs gesteld merkte ik, want mijn stoelleuning werd al een kwartslag gedraaid. ‘Ik weet dat je niet kan dansen, maar volg mij maar.’ We verbleven meest aan de wat donkerder zijde van de zaal, het verst af van de eettafels. Grote vingerplanten zorgden voor een besloten, bijna intieme sfeer. Het bandje speelde bekende Nederlandstalige muziek, schlagers noemden we die. Wie niet danste, kletste of kaartte. Van kaarten hield ik niet en de gesprekken waren flauw. Lonka had lange benen. Ze korfbalde. ‘Dank je,’ zei ze, ‘straks nog een keer?’ ‘Tuurlijk,’ antwoordde ik.

Een stukje zult met brood was een tussengerecht. Ik at met smaak, want ik had altijd trek. Tussen twee gangen door kon ik net twee glazen bier drinken. Dansen maakte dorstig. ‘Kom je mee?’ vroeg Mette. ‘Mijn man zit toch maar te kaarten.’ Ik volgde haar over de Heugavelt-tegels naar de gladde vloer, de grens werd gemarkeerd door een metalen stripje. ‘Niet struikelen,’ hield ik mezelf voor. ‘Doe je hand maar iets lager,’ en vooral niet zwengelen met je linker hand, dat weet je toch?’ Mijn rechterhand deed wat ze mij vroeg. Mijn vingers betastten voorzichtig een dichte rits op haar rug. ‘Je walst al goed, hoor.’ Ze rook prima. Soms voelde ik haar bovenbeen, vooral net voor een complexe draai. Als ik kon, zocht ik vaker een hoek om nog een keer te draaien. Nog steeds bleven we wat uit het zicht, buiten de kijklijnen. Ik combineerde in mijn hoofd het ritme met de passen en probeerde niet hardop te tellen. Dat ik werd geleid, daarvan had ik geen idee. ‘Jij houdt zeker ook niet van toepen,’ hoorde ik.

Na elke gang werd er muziek gespeeld, gekaart en gedanst. In die tijd werden op de tafels de naambordjes verwisseld en kreeg iedereen een nieuwe plaats. Bo had de lijsten gemaakt, begreep ik. Ik kwam, realiseerde ik me achteraf, steeds naast iemand te zitten die me vervolgens ten dans vroeg. De derde gang was een stuk varkenshaas, gebakken aardappeltjes en sperziebonen omwikkeld met een stukje spek. Die nieuwe Franse cuisine sprak me wel aan. Van Louise, naast mij, nam ik wat vlees over. ‘Dan mag je straks met mij dansen,’en ze knipoogde. Louise droeg stiletto’s. Ze lachte schaterend, want deze betekenis kende ze nog niet. Bij deze dans werd ik een beetje van haar af geduwd en vervolgens naar haar toe getrokken. Soms botste ik licht tegen haar aan en moest ze mij opvangen. Dat kon ze goed. Haar hele lijf leek te veren. Zacht, maar toch stevig. Van de drie was zij de soepelste. Ik dacht dat het vanaf de zijlijn al een beetje vloeiend leek. Het rumoer in de kaartershoek zwol aan. Driekwart van de mannen kaartte. Ik zag veel koppels van dansende vrouwen. Nooit twee dansende mannen. Louise begon me dingen uit te leggen, lastige dansprincipes. Bij een nieuw nummer paste ik haar aanwijzingen toe. De wals was de gemakkelijkste en mijn onzekerheid ebde weg.

Na een kwartier klonk de gong alweer. Nu zat Bo naast mij. Bo droeg een rode jurk en halfhoge pumps. Haar man gaf een vak dat veel leerlingen moeilijk vonden. Hij keurde haar geen blik waardig. Het dessert bestond uit fruit en ijs dat op spiegels klaar stond. Veel mannen sloegen het over. Ik nam vooral veel van de aardbeien en stukken meloen. Het sap droop langs mijn polsen. Naast mij hoorde ik gesmak. ‘Wil je nog een stukje van mij?’ Bo wachtte mijn antwoord niet af. ‘Kom, we gaan,’zei ze zacht maar dwingend. Voorbij de plantenbakken zei ze: ‘Leg je hand maar onder mijn riem, dan beweeg je niet zo veel.’ De riem zat niet strak gelukkig. Iets lager en ik voelde haar linker bil. Als ik mijn hand wat bewoog, glimlachte ze. Bij elke draaiing schuurden haar bovenbenen tegen mij aan. Alsof het gewoon was, alsof het zo hoorde. Ze trok me veel strakker tegen zich aan dan de voorgaande vrouwen. Dansen begon echt leuk te worden.

Terug in de bus was de sfeer suf. Ik zag drie collega’s slapen. Bo zat nu links van mij. Haar man had een oude KampeerKampioen uit het tijdschriftennetje gevist en bestudeerde opstaptreetjes voor nieuwe caravans. Toen ze opstond om de chauffeur aanwijzingen te geven over de route, er moest iemand in Valthe worden afgezet, zag ik de lijst met de tafelschikking uit haar tas steken. Bij vier namen zag ik een asterisk en in de rubriek diversen een hoofdletter K. Daarnaast het woord ‘dansen’.

(Namen, ach, namen. Bo, Mette, Louise en Lonka zijn geënt op bestaande personages.)

1966

De mussen vielen van het dak. Heit zette de auto, een witte zes cilinder Zodiac met stuurversnelling, alvast klaar. Kleine roestvlekjes onder aan de portieren deerden de auto niet. Als heit boven de honderdzeventig reed, hoorden we wel eens het geratel van een losschietende wieldop, maar die had Taeke Postma uit Oudega wel op voorraad. ‘Geïmporteerd uit de Steets,’zei hij. Tjitske leegde de altijd overvolle asbak en zette de deuren van de auto open. De zon maakte de rode skailederen banken loeiwarm. Mem had een stuk of zes flessen ranja gemaakt, vooral niet te sterk want daar werd je misselijk van. Folkert en ik zaten tussen heit en mem in. Op de achterbank Piet, Jelske, Tjitske en de gast. In de kofferbak hadden gemakkelijk drie fietsen gepast, maar die lieten we deze keer thuis. Ik was tien en vond de gast wel interessant. Zij was al elf en kwam uit ’s Heer Arendskerke. Tjitske schreef al anderhalf jaar met haar. Via de zondagsschool kon je je opgeven voor een penvriend. ‘Penvrienden zijn vaak reislustig en als je je opgeeft om te gaan schrijven, kan je de logeerkamer wel klaarmaken,’ zei zondagsschoolmeester en ouderling Meindertsma altijd. Ze droeg een brilletje en was iets kleiner dan Tjitske. Je kon wel horen dat ze niet bij ons uit de buurt kwam. Folkert en ik moesten vaak lachen als ze iets zei. Soms begrepen we het maar half.

De rit naar Bakkeveen duurde een half uurtje. Net genoeg voor Jelske om misselijk te worden terwijl heit niet eens een Agio-bokje of een Ritmeester had aangestoken. Anders dan de vorige auto, een Zephyr, had deze een sigarenaansteker. Je drukte even op een zwarte knop en dan sprong de aansteker een halve centimeter naar buiten. De gloeiend hete kop was ideaal voor een sigaren rokende chauffeur. Probeer al sturend maar eens een lucifer aan te steken. Dat kon alleen maar als je in een dorp reed. Als heit te hard reed, zei mem: ‘Net sa hurd, Anne.’ Dat konden we wel dromen. Dat zei mem vaak al voordat we Buitenpost bereikten, nou ja, hoogstens Augustinusga. Jammer genoeg deed heit vaak direct wat mem hem vroeg.

‘Ik heb nog nooit van Bakkeveen gehoord,’ zei Mientje, want zo heette de gast. Nou ja, kenden wij soms alle Zeeuwse plaatsnamen? Wel de hoofdplaatsen natuurlijk, maar niet alle dorpen. Piet, die bijna naast haar zat, Jelske zat er nog tussenin, keurde haar geen blik waardig. Hij schreef nummerborden over in een klein opschrijfboekje. Als we bijna bij het eindpunt waren aangekomen vroeg heit hem alle getallen van de nummerborden bij elkaar op te tellen. Later mocht hij de telling met een telmachine van het kantoor controleren. Als Piet het goed had, glunderde hij van trots. De laatste tijd begon heit ook over procenten van dat totaal. Dat moest meester Dijkstra ons eerst nog maar eens uitleggen.
Folkert vertelde onderweg over auto’s waarin een radio zat ingebouwd. ‘Je kunt het zien aan een antenne,’ zei hij, ‘die kan zo lekker zwiepen.’ Heit ging er niet op in en vertelde van een klant uit Siegerswoude. ‘Die heeft een koe met 100.000 liter op de teller.’ Ik legde Mientje uit dat zo’n koe 100.000 liter melk had gegeven. Heit ging verder: ‘Die koe heeft een prachtige, volle, uier en vijf in plaats van vier spenen.’ Mientje keek zo vragend dat ik bang was uit te moeten leggen wat een uier was. Dan zou ze ook wel niet weten wat uiers wassen betekende, mijn werk bij boer Benedictus. Tjitske vroeg: ‘Wie is die Arend in ’s Heer Arendskerke? Een kerk die naar ene Arend is vernoemd?’ Volgens Jelske kon dat helemaal niet. ‘In de bijbel komt de naam Arend niet voor. Wel de vogel arend natuurlijk. In het Latijn is het aquila.’ ‘En wat is een koe in het Latijns?’ Ik wist dat Jelske kwaad werd als we Latijns zeiden.

Wij zwommen en groeven diepe sleuven in het zand. Mem zat onder een paraplu een toespraak voor de vrouwenvereniging voor te bereiden. Ondertussen hield ze ons in de gaten. Tjitske, Jelske en Mientje speelden met een lekke tennisbal. Tot onze verbazing droeg heit een blauwe zwembroek. We hadden hem nog nooit in een zwembroek gezien. Hij had hem alvast thuis aangetrokken. Zijn onderbroek zat in zijn broekzak. Mem had nieuw elastiek in zijn zwembroek gedaan. Verderop stond een ijscoverkoper met Friesche Koe-ijs. Als we zeurden om een ijsje ging het geheid niet door. Wij hadden een gat gegraven dat we vol lieten lopen met bruin, schuimend, water. Piet nam een aanloop als een verspringer en plonsde erin. Een mevrouw die naast ons zat, las de Drachtster Courant. Haar man las stukken voor uit de kerkbode. Na Piets sprong was hun lectuur doorweekt. Wij deden alsof er niets gebeurd was en heit wees mem op een parasol verderop. Wat overdreven, een paraplu op een stok vastgebonden was net zo doeltreffend en hoe vaak gebruikte je nou een parasol.

De meisjes kregen een stel jongens uit Marum in de gaten. Mientje was door het dolle heen. Een van de jongens droeg zo’n klein zwembroekje dat je bij de rand krullend schaamhaar zag. De jongens vloekten en tierden want de batterijen van de Grundig transistroradio waren eruit gevallen. Mientje had nog nooit gezwommen en nog nooit een badpak gedragen. Ze droeg een afdankertje van Jelske. Als ze uit het water kwam was het badpak zo zwaar geworden dat het een centimeter of tien was uitgerekt. ‘Zie je dat? Zij heeft haar onderbroek aangehouden onder het badpak,’ zei Folkert. Wij deden alsof we het niet hadden gezien. Heit zijn rug jeukte en mem wreef met zijn wollen sokken over de jeukende plek. Zonder dat hij het merkte deed ze wat zonnebrandcrème op de sok. Volgens mij was het zonnebloemolie of gesmolten frituurvet. Heit stak een sigaar op en peuterde velletjes en zandkorrels tussen zijn tenen vandaan. Hij wreef dan tussen zijn tenen en rook aan zijn vingers. We kregen ranja van mem. De ranja was al wat lauw geworden, maar dan kreeg je tenminste geen buikpijn. Ze schonk de ranja in plastic bekers. Eén van die bekers gebruikte heit vaak om zijn gebit in te weken als hij naar bed ging. Die beker pakte Mientje. ‘Lekker hoor,’zei ze. Mientje vertelde waarom zij thuis nooit zwommen. Dat mocht niet, vertelde ze. ‘Dat is de here niet welgevallig,’ zei ze. Ik begreep wat ze bedoelde maar kende het woord welgevallig nog niet. Ik begon Mientje wat minder leuk te vinden en ik gooide de tennisbal iets te hard in haar richting. Mientje had niet door dat de bal gevuld was met bruin zandwater. Je kon wel zien dat ze niet vaak in de zon zat. Ze was net zo wit als heit.

De meisjes verkleedden zich door een meegebracht laken om zich heen te wikkelen. Zo zag je niets. Piet, Folkert en ik gingen even naar de boskant. Mem hoefde zich niet te verkleden, ze sloeg de zandkorrels van haar rok. ‘Ik trakteer straks op een ijsje,’zei heit. En terwijl wij allemaal naar hem keken en dit heuglijke nieuws op ons lieten inwerken, liet hij zijn zwembroek zakken en stond daar poedelnaakt. Zijn harige apparaat wiebelde alle kanten op. Het nieuwe zwembroekelastiek was waarschijnlijk net iets te kort geweest en liet een rode striem achter op zijn buik. ‘Sjoukje, waar is de handdoek?’vroeg hij aan mem. Hij draaide zich enkele malen om. Eindelijk had hij een handdoek te pakken. Hij droogde zich omstandig af, waarbij hij de bilnaad en de huidplooien bij zijn apparaat niet vergat. Vervolgens trok hij zijn ruime, witte, onderbroek aan en een wit hemd met ribbeltjes. Hij liet dan zijn onderbroek wat zakken, trok het hemd strak naar beneden en trok dan de onderbroek weer flink omhoog, waarbij hij zijn heupen van links naar rechts en weer terug bewoog. Ik zag Mientje kijken. Wij renden zwijgend naar de ijscoman.

Nun danket alle Gott

Eenenvijftig was ik op de eerste schooldag. Mijn werkgever had gevraagd wie op een andere locatie zou willen werken. Waarom niet naar Oosterzwaag oftewel Eastersweach, bijna hartje Friesland? De Anne Wadman Skoalle Mienskip telde vijf locaties, waarvan Eastersweach de kleinste. Lekker uitbuiken in een echte dorpsschool, waar, zo fantaseerde ik, de conciërge je koffie bracht in het lokaal. Mijn voorganger, Beint Eigenman, had gezegd: ‘Jij past daar wel.’ Bij mijn kennismakingsbezoek: ‘De toetsen heb ik weggegooid, ik dacht, dan loop ik je niet voor de voeten.’ Sprakeloos was ik.

Ik kreeg de klassen één tot en met vier, de meeste op twee niveaus, een enkele klas zelfs op drie. Voor elke klas moest ik nieuwe toetsen maken: proefwerken en schriftelijke overhoringen en dan nog de extra toetsen voor schrijven, luisteren, lezen, enz. Om niet te spreken van tentamens. Locatie Eastersweach, dat vroeger Bjinse Jonkersma MAVO heette, was op sterven na dood geweest. Fuseren met, zeg maar overname door de Anne Wadman Skoalle Mienskip, betekende redding van een gewisse en langzame dood. Zelden vertoonde het woord fusie meer semantische verwantschap met het woord infuus, dan hier. Het schoolgebouw was oud. Gedateerd, noemde Antsje Fokkema, voorzitter van de medezeggenschapsraad, het. ‘Enkel glas is toch veel gezelliger,’ was een gevleugelde uitdrukking van conciërge Fûgeltsje Jongen. Druipende strepen op altijd natte ramen. Er was niemand die mooier kersttaferelen op de natte ramen kon tekenen dan zij. Antsje Fokkema had ooit eens voorstellen ingediend om het gebouw te ‘updaten’. Omdat mopperen in Eastersweach altijd goedmoedig bleef, haalden voorstellen tot verbeteren niets uit.

Klas 4b telde negenentwintig leerlingen. Woensdagmiddag het zevende en achtste uur hadden ze Engels. Directeur Iebeltsje Feringa vertelde me nog dat ik eventueel lastige leerlingen apart aan het werk mocht zetten in een aanpalend lokaal. Dat zou ik niet doen, want veel collega’s hadden de vreemde gewoonte om de lokaaldeuren open te zetten tijdens de lessen. Dat leidde tot een wonderlijke, bij vlagen surrealistische, kakofonie in de gangen. Waarschijnlijk om passanten te suggereren dat er wel gewerkt werd. Zelfs in vrije lokalen heerste geen rust om zelfstandig taken uit te kunnen voeren. Dat kwam ook door de dunne, ongeïsoleerde, wanden. Stond je een keer flink te plassen in het invalidentoilet, dat tevens dienst deed als personeelstoilet, dan hoorde je gegier van meisjesstemmen in het leerlingentoilet naast je.

Daar waren ze. Slechts vijf minuten te laat. In Eastersweach had men de schoolbel afgeschaft, want die bezorgde de leerlingen stress. Op deze wijze duurden pauzes twee keer langer dan normaal. De les voorafgaande aan de pauze was vijf minuten korter en de erop volgende les begon minimaal vijf minuten later. Er werd gefluisterd dat bepaalde collega’s al maanden waren gestopt met beginnen.

De eerste leerling, Romke Zwerus, liep naar het raam, opende het en spuugde eens lekker naar beneden. Wicher-Jaitse snoot zijn neus met het geluid van een uitlaatloze zandzuiger. Hoite Snitsma vertelde me dat hij van Engels niks begreep en dat zijn ouders het een onbelangrijk vak vonden. Die opmerking had de teamleider, Halbe Goslinga, eens de wenkbrauwen doen fronsen, tijdens een ouderavond over multimediale didaktiek, waarbij mevrouw Snitsma, men zei hier vrouw Snitsma, eens een boekje open had willen doen over het belang van het Fries in relatie tot het Engels. Halbertsje Oeversma legde een extra grote knoop in de voorpanden van d’r bloes, duwde de broeksband zo laag mogelijk, zodat haar navel eens lekker de ruimte kreeg en nieuwsgierig om zich heen keek. Dat haar borsten behoorlijk opbolden, doordat die in gevecht waren met de ongenadig naar beneden getrokken stof, stelde haar gerust. Menso Boskma stak zijn hand in zijn broek en legde zijn apparaat iets meer naar links, met de vrije rechterhand trok hij Wikke Vrooms string omhoog, waarop Wikke haar tas mikte op de wateremmer onder het bord zodat de juist passerende Tjibbe Wiersma opsprong en zijn hoofd bezeerde aan de vlijmscherpe bordrand. Van Menso werd tijdens een rapportenvergadering door collega Tonke Dragtstra verteld, dat hij de punten uit zijn broekzakken had geknipt, zodat hij meisjes die met hem op schoolavonden dansten gemakkelijk kon laten voelen waar die stevigheid die uit zijn broek opwelde, vandaan kwam. Tonke bezwoer ons dat ze dit van Menso’s stiefmoeder had gehoord, en nee, ze had geen geheimhouding hoeven te beloven. Uran Malkiç riep luid om hulp. Iedereen negeerde hem en Tjibbe depte met Wicher – Jaitse’s zakdoek de bloedsporen onder zijn rechter oog. Wisse bestudeerde zijn padvindersmes, mèt bloedgleuf, en wees ermee naar Duotsje, die Carola fluisterend een tampon aanreikte uit haar lunchbox.

‘Hi guys, welcome. My name is Mr Miller, Mr Nick Miller and I’m your new English teacher. Please take a seat, find a piece of paper and listen to the following recording. On the blackboard you will find twenty questions. Time starts running in fifteen seconds.’ If you’re Lucky this lesson will end in fifty minutes.

Sieds, Minke, Ealtsje, Bearn en Jildou zaten al klaar, tuk op proeftoetsen. Minke, met een glimlach van oor tot oor en ragfijne pluisjes in haar mohairtruitje. Minke was net voor mijn les in de weer geweest met lipstick. Scarlet Fever, las ik op een verpakking naast haar stoel. Haar stem was zacht als vloeipapier: ‘Thank you sir. New shoes? Jildou ging hier overheen met een gemeend klinkend, poeslief: ‘English is my favourite subject, sir, always has been.’ Een por van Minke deed haar zwijgen.

Ik startte de cassetterecorder, een nog goede Philips C68 in een zwarte skaihoes, met een tellermechanisme waarbij de 9 en de 0 niet van elkaar te onderscheiden waren. Het kijkglaasje boven de teller was, gek, enigszins beslagen. Een alles overheersende, gelukzalige, bloedstollende, rust trad in. Ik liep naar het raam en keek naar buiten. Ik peuterde velletjes van mijn duimnagelriemen en bestreed een lichte jeuk aan mijn schenen met de hak van mijn schoen, iets wat ik volgens collega verzorging Ruurdje Rompersma beter met uierzalf, dat was immers overal goed voor, kon bestrijden. Had zij immers niet een keer een rode vlek op haar rechter bil, zeg maar net onder de heup, met uierzalf genezen? En haar man had eens uitslag in zijn lies… Collega Gjalt Gaukema, zag ik door de halfbeslagen ramen, was weer eens te laat. Op het plein parkeerde Gjalt zijn oude tractor, een Deutz 3006. De groene verf vertoonde roestplekken. Aan de zwarte vlekken op de pleintegels zag je dat hij wat olie lekte. Gjalt had eens verteld dat de aftakas en de hef een beurt wel konden gebruiken.

Na twintig minuten drukte ik op de pauzeknop. ‘We will now have a short break. Please don’t talk, just relax and make sure you’re ready for part two. Go ahead.’ Ik drukte op de play-toets, negeerde drie opgestoken vingers en deed alsof ik ‘Mijn kut staat op springen,’ niet hoorde.
Lessen zeven en acht werden gedeeld door een pauze. De cassetterecorder en ik negeerden eendrachtig de niet-bestaande bel en vijf minuten na het pauzebegin liet ik klas 4b gaan en drukte hun op het hart om vooral op tijd terug te zijn, binnen 9 minuten en 45 seconden, sharp! voegde ik er nog even aan toe, voor de bespreking van de luisteroefening. Onhoorbaar luid neuriede ik ‘Nun danket alle Gott’ en ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder’ en al lucht dirigerend liep ik de trap af naar de leraarskamer.

In de pauze bestudeerde ik het gezicht van collega Hannes Aeikema voor wie mijn goede vriend Theodorus Simonides me had gewaarschuwd. Hannes had zich dermate misdragen tijdens een 10-minutengesprek op Theodorus’ school, het hoofdgebouw van de Anne Wadman Skoalle Mienskip dat Theodorus, de stress nog in zijn benen, na afloop van het gesprek zijn auto enthousiast tegen een betonblok reed.