De Ploeg 7; expo in Kloostermuseum St Bernardushof Aduard “Steentil”

Johan Dijkstra schilderde in 1924 een stenen brug, die hier steentil wordt genoemd. In Dijkstra’s tijd bestond de brug nog uit twee delen, de echte en de zgn. ‘aanbrug’. Zes Ploegleden lieten zich inspireren door Dijkstra’s aquarel, zegt de begeleidende tekst. Dus niet door de echte brug, concludeer ik. In dit = mijn zevende blogtekst over De Ploeg, ga ik verder in mijn pogingen te ontrafelen, te analyseren wat De Ploeg inhoudt. Museummedewerker Hans de Boer, die ooit samenwerkte met Bé Kracht in de tijd dat zij op de reclameafdeling van V & D arbeidden, is vrij stellig wanneer hij spreekt van “… de echte Ploeg en de huidige Ploeg.” Ik frons mijn wenkbrauwen bij het woord ‘echte’. De Boer: “Johan Dijkstra is met deze aquarel zeer herkenbaar als Ploeg-kunstenaar, dit is typisch het Groninger landschap.” Enthousiast wijst Hans de Boer ons de weg naar de echte steentil bij Dorkwerd. Er vaart, hoe bestaat het, net een bootje onderdoor met de naam Steentil. 

Wat gebeurt er, wat krijg je wanneer zes Ploegkunstenaars een plompe stenen boogbrug bij Aduard vastleggen? Hoe zwaar en indringend is Johan Dijkstra’s invloed? Gaan ze hem naschilderen, beentje lichten of proberen ze hem te overtreffen? Bij geen van de zes wordt Dijkstra’s kleurenexplosie gehaald. Bij Kracht zie ik fijne blauwen en paarsen. Bij Schreuder ontwaar ik diep roze in het steen van de brug, een kleur die in de wolken na-echoot. Van der Wal en Klaveringa houden zich in met kleur. Bij Klaveringa en Van den Berg zie ik een andere positie dan die van de foto (en het origineel?).

Thomas Dijkstra Steentil

Thomas Dijkstra, de jongste, centreert de brug, vervaagt de zijkanten en zuigt de kijker mee onder de brug door. Van der Wal kiest eigenwijs voor een ander jaargetijde. Duidelijk wordt dat hier niets wordt opgeschud, omgeploegd. Geen ontremde, dwarse, wilde gekkigheid. Ik zie een voortgang in de traditie. Alle zes lijken verknocht met het Groninger landschap zoals de oudjes dat waren en allezes produceren in een niet al te groot formaat een herkenbare brug. Van de zeven werken is er één niet met de kwast tot stand gebracht. De technieken zijn: olieverf, pastel, gemengde techniek, aquarel en houtsnede. Woonde ik naast de brug, ik kocht een afbeelding. Of ik de hoofdprijs zou willen betalen, mwaaah. De prijzen variëren van € 175,- tot € 800,-. Het komt me voor dat de meest arbeidsintensieve het goedkoopst is. Ik zie nog geen rode stippen.

Klaveringa Steentil

Bé Kracht pastel € 175 / Thomas Dijkstra olieverf € 650 / Geert schreuder olieverf € 800 / Reinier van den Berg houtsnede € 195 / Joke Klaveringa aquarel I en II per stuk € 375 / Aly van der Wal gemengde techniek € 550. Van Van den Berg en Schreuder ligt er een folder.

Geert Schreuder Steentil

Het Requiem van Duruflé, Herdenkingsconcert Coevorden 3 mei 2018; € 15,-

Herdenkingen van de bevrijding, festivals op 5 mei, twee minuten stilte, een sliert aan verzetsfilms op 4 en 5 mei, artikelen in de krant over hoe weinig Nederlanders verzet pleegden, vlaggen half- en heelstok, stramme oud-militairen die zowat bezwijken onder de medaillelast, dreigende rustverstoring op de Dam en herdenkingsconcerten. Nederland herdenkt wat af.

Met steigerpalen is een heuse tribune in de NH kerk in Coevorden gebouwd, niet voor het publiek maar voor het koor, het Concertkoor Drenthe. Daarvoor zit het Concertorkest Drenthe. Samen zo’n 70 personen. Tel daarbij op de crew en de vaste groupies en je komt op circa 80 personen, net iets minder dan het karig toegestroomde publiek.

Ik laat de econoom in mij (die in het programmaboekje allang geconstateerd heeft dat de Gemeente Coevorden smadelijk ontbreekt in de rij sponsoren) even rusten en geniet van wat ik zie en hoor: het Requiem van Duruflé. Maar voordat het begint vertelt Johan Stoffels van het Vier Mei Comité over Willem Mantel, een Coevordense verzetsstrijder die, evenals Stoffels’ vader, aan het eind van W.O.II werd gefusilleerd.

Wat bezielt een honderd toeschouwers om op krap geplaatste kerkstoelen te komen genieten van mooi gezongen onverstaanbare teksten op prachtige, doch volgens mijn luistermaat, zware muziek? Van de combinatie orgelspel, orkest en koor, die allemaal, beurtelings apart en dan weer gezamenlijk hun kunsten vertonen, daarbij aangestuurd door chef, menner, ploegleider, manager, aanvoerder, coach, dirigent Pruiksma.

dirigent Hoite Pruiksma in actie

Dat de koorstart wat aarzelend is, soit. Vanaf het Kyrie wordt er vrijuit gezongen. Kristusziele, wat klinkt dat mooi. Kippenvel als je vanuit de verte het orgel erbij hoort komen. Organist Erwin Wiersinga wordt geflankeerd door maar liefst twee registranten, nou, dan gebeurt er wel wat. De overgangen van orgel naar snaren is vaak ontroerend. Ik probeer mijn ongerustheid dat het misgaat te onderdrukken. Het gaat om rust, rust, rust. Dat je van de teksten hooguit een woord of flard verstaat is niet erg. De bijgeleverde vertalingen in het programmaboekje zijn zo mogelijk even ongrijpbaar. Bariton Martijn Sanders heeft een moment of fame wanneer hij de kalkranden van de muren zingt, wat een power, de rieten stoelzittingen spannen tot het uiterste. En dan mezzosopraan Netty Otter die vanaf de kraak het Pie Jesu zingt, daarbij beschenen door de zon die als een volgspot op een evenement haar uitlicht. Over lux aeterna gesproken.

mezzosopraan Netty Otter

Kijkend naar de musici vraag ik me af hoe het komt dat de verjonging in het orkest wel doorzet, maar in het koor niet? Luister eens naar de trompettisten die, bwam, spot on, invallen met het orgel. Loepzuiver, dynamisch en harmonieus tot op het bot. Als Wiersinga aan het eind enkele soli speelt, litanies van Jehan Alain, zie ik dat veel zangers even hun ogen sluiten. Nu al een power-nap? Nee man, een genotsmomentje. Tijd voor contemplatie. Goed idee, denk ik. Ik droom even weg naar het drama van Stoffels’ vader, mijn eigen ouders, de gifgasaanval in Syrië, het koor dat lekker losging in het In Paradisum, stofbanen die een obsessief-compulsief spel spelen met de net ontstoken kroonluchters en spinnetjes op de armen van de kandelaars, enkele vuige aardse genietingen, de to-do-lijst op mijn schrijftafel, jeuk aan mijn scheenbeen, de Spaanse imperativos irregulares en de datum 30 mei, wanneer Wiersinga hier weer het stof van de vloerplanken en de steren van de hemel komt spelen. Chapeau en Nederlandse Bach Academie bedankt! Volgend jaar naar het Requiem Cherubini van Luigi Cherubini.

Mano Bouzamour ‘De belofte van Pisa’

Het zit er allemaal in: analfabete ouders, een zoon die voor zijn moeder tolkt bij de dokter en vrijdagse haatpreken. Een overval op een AH-filiaal <met een bijl>, straatschoffies die met vijfhonderdeurobiljetten ijsjes kopen bij de Italiaan, naïeve politie en effectieve arrestatieteams. Rukken met links, onzekerheid over de techniek van vingeren en niet kunnen bidden met een stijve pik. Examenfraude, een overval op een geldtransport met een uzi en een granaatwerper, smerige sanitaire omstandigheden in de moskee van de lulkoekimam (sic!) en een in merkkleding helende Algerijnse kapper. Fietsters die met “Karren, kut,” worden begroet, zenuwachtig getrek aan achterstevoren gedragen rode Lacoste-petjes, ‘het zijn toch allemaal N.S.B.-ers’ als het over leraren gaat en Marokkaanse opa’s die aan polygamie, schotels en loeiharde Koranzenders doen. Op de achterflap staat dat ‘De belofte van Pisa’ is gebaseerd op de auteurs eigen leven. Marokkaanse moeders zijn kort, allemachtig dik en gehoofddoekt. Zusjes werken bij de A H hebben donkerbruine ogen en zijn ondeugend en meisjeskamers ruiken naar lavendel. Kortom: De Belofte van Pisa is een aaneenschakeling van stereotypen, clichés en plattitudes; als je ze allemaal aan elkaar rijgt door de eikels van de besneden hoofdstedelijke straatschoffies, dan heb je een groezelig doch lang lint, Van De Pijp naar de Arena en weer terug. Het boek heet een schelmenroman en doet erg denken aan Eus van Akyol.

Er is ook een andere kant in de roman. Die maakt het redelijk leesbaar voor een zonovergoten middag. De hoofdpersoon is een door geschiedenis en oorlogsverhalen geobsedeerde hard studerende leerling op het Hervormd Lyceum Zuid. Ook de liefde voor muziek komt, soms geforceerd, bovendrijven. De halfdove hoofdpersoon en zijn broer spelen piano op een g e s t o l e n vleugel.  De ik-persoon is liefhebber van gregoriaanse koormuziek en van Bach en hij en zijn broer spelen Canto Ostinato van Simeon Holt. Verdomd nog aan toe, hoe enkele eenvoudig (doch zeer ongeloofwaardig) uitgewerkte elementen een boek draaglijk kunnen maken. Ik zou zeggen: Lezen en vergelijken met ‘Eus van Özcan Akyol. En als je durft met ‘Je denkt dat het komt’ van Meindert Talma. Een mooier sfeerbeeld van Turkse, Marokkaanse en Friese invloeden is ondenkbaar.

 

Uit zicht, CBK Emmen 14 april t/m 17 juni

Joyce Zwerver Slanted (metaal en transparant folie)

Als tentoonstellingmaker weet je dat bezoekers gillend wegrennen als ze het woord installatie horen. Toch durft Joost Slijpen van het CBK in Emmen het aan: Joyce Zwerver heeft speciaal voor het CBK in de kleine zaal een installatie gefixt. We zien een stuk of 5 à 6 kubusachtige constructies, ongeveer 2 x 2 x 2 meter, met smalle, witte, kunststof ribben die zijn bespannen met transparante huishoudfolie. Je kunt er omheen lopen. Afhankelijk van de hoeveelheid folie die is gebruikt kun je er eenvoudig doorheen kijken. Je zou er een speciaal gevoel bij kunnen krijgen, ik waan me in een plantenkas die na een storm provisorisch is hersteld.

Dankzij de expositie Uit Zicht, waarvan de opening door vijf handenvol bezoekers werd getrotseerd, ga ik een weekend tegemoet met meer vragen dan antwoorden. Als het CBK Met Uit Zicht bezoekers wil tergen, dan is de missie geslaagd. De begeleidende teksten stellen het incasseringsvermogen van kijkers op de proef, met archaïsche zinnen als: ‘Verf is geen middel om iets uit te beelden, maar verf is meer een doel op zich. Het poëtische werk vertraagt de blik van de toeschouwer. De toeschouwer wordt ook geprikkeld om ook naar zichzelf te kijken.’ Heb je in je verleden veel naar Koot en Bie gekeken, dan tovert je geheugen de typetjes tevoorschijn als dia’s op een klassiek projectorscherm, als verfspatten op een stofjas, als scherven op een museummuur.

Malou Cohen Sticky landscapes (kauwgum van de straat, metaal)

Ik probeer de diepere bedoeling van deze expo te begrijpen en meteen de erbij horende vragen te beantwoorden, wat kunst is, hoe duur kunstwerken mogen zijn, waarom in deze winkel geen prijzen te zien zijn, waarom schoonheid zijn plaats aan uitdaging heeft moeten afstaan, hoe het komt dat iemand gevonden scherven in een cultuurtempel als kunst durft te afficheren, waarom komen er weinig mensen bij de opening en meer. Joost Slijpen durft het aan in Zuidoost-Drenthe. Nog geen half jaar in dienst en hij exposeert spraakmakende, prikkelende kunst. Om met Malou Cohen te beginnen: deze jonge kunstenaar steekt kauwgum met een plamuurmes van de straat, plakt dat op een metalen plaatje en het CBK hangt het aan de muur en vraagt er € 280,- voor. Hetzelfde gebeurt met veelkleurige proppen op straat gevonden papier en platgereden ijzer. Het kleurige scherfje keramiek (€ 30,-) is van een ongekende kleurenpracht, dat dan weer wel. Om kijkers niet te provoceren hangen er geen prijskaartjes bij de voorwerpen, maar is er een lijst die opvraagbaar is.

Malou Cohen Come Back (papier van de straat)

Ik heb me weleens bevraagd of fotografie tot kunst gerekend moet worden. Stel je dezelfde vraag eens bij breiwerken die door een breimachine worden geproduceerd. Of kunstig op een draaiplateau gedraaide potten en vazen. Of op rommelmarkten ingekochte geborduurde werkjes die vervolgens achterstevoren naast elkaar worden gehangen naast een prijskaartje van, zeg maar € 17.500,-. Aan de fotografie van Berndnaut Smilde gingen zoveel artistieke en handvaardige handelingen vooraf dat daarover geen onzekerheid hoeft te bestaan.

Berndnaut Smilde

Het antwoord op de vraag wat kunst is hangt nauw samen met de vragen of het een allerindividueelste expressie is van een allerindividueelst gevoel, waar het wordt tentoongesteld, wat de waarde is, wie het heeft gemaakt, of het niveau van kunstnijverheid wordt overstegen en of het door kunstduiders wordt besnuffeld, beschreven, besproken en vooral: serieus genomen. Of er veel publiek komt kijken is niet zo belangrijk. In de zolderzaal van het CBK, de B-zaal, staat werk van wel honderd noordelijke keramisten. De waarde ervan fluctueert van € 12,50 – € 1.650,-. Van sommige stukken keramiek vraag ik me af of ze niet een verdieping lager, in de A-zaal dus, hadden moeten staan (en omgekeerd vraag ik me bij sommige stukken in de A-zaal af of ze niet naast de kapstok bij de receptie hadden gemoeten).

Naast de neiging publiek uit te dagen constateer ik een zekere luiheid bij het CBK. Zij provoceert trouwe bezoekers door binnen enkele jaren ouwe koeken op te dienen: de gefotografeerde wolken van Smilde (€ 7.500,-) zagen we hier eerder. Waarom dan nu weer in vredesnaam? Het blijven natuurlijk intrigerende werken: op meer dan ingenieuze wijze worden rookwolken in ruimtes met water bij elkaar gehouden en dan snel gefotografeerd, prachtig afgedrukt en aangeboden. De oplage is, vertelt Smilde, vijf of zes stuks. De laatste tijd is hij geobsedeerd door regenbogen, die op de kop, met een puntige driehoeksvorm worden afgebeeld in bebouwde landschappen.

Van Matthew Allen zijn niet zeer uitgesproken canvassen te zien ( à € 1.700,- ’t stuk) met kunstig gepolijst grafiet. En van Martijn Schuppers werken uit de periode 2015 – 2017: acryl, alkyd en olie op polyester canvassen (tussen € 9.000,- en € 12.000,-). Bij Schuppers zou, aldus de zalvende begeleidende tekst, verf meer een doel dan een middel zijn (sic!).

Voor de trouwe bezoeker resteert de intrigerende vraag wat deze vijf kunstenaars in Emmen bij elkaar brengt.

 

Identitijd, 7 feb – 8 april in CBK Emmen

De tentoonstelling ‘Identitijd’ toont werk van zo’n honderd kunstenaars uit Drenthe en Overijssel. De term grensoverschrijdend betekent hier dus provinciegrensoverschrijdend. Als ik verder lees, kom ik erachter dat in Emmen enkel Drentse kunstenaars grensoverschrijdend exposeren, dus meer een vorm van gemeentegrensoverschrijdend. De kunstwerken van gevorderden, studenten, amateurs en profi’s hangen en staan gebroederlijk en gezusterlijk naast elkander aan de muren in drie CBK-ruimtes. Tegen betaling van €40,- mochten de kunstenaars iets inbrengen, variërend van minuscule objecten tot joekels van triptieken. Toeschouwers betalen niets. De werken worden gejureerd door het publiek en door een vakjury, die, blijkens de begeleidende tekst, let op opvallendheid en bijzonderheid. Kwaliteit staat hier niet bij. De beste (bijzonderste/opvallendste) tien krijgen een masterclass aangeboden. Van vijf kunstenaars hangt een naamkaartje bij de werken. Die doen niet mee bij de jurering. Als je vaker in het CBK komt herken je vanzelf werk van bepaalde kunstenaars. Ik zie werk van anonieme amateurs naast werk van anonieme profi’s (waaronder een docent aan de AKE die ook in een Noord-Nederlands museum exposeert). Voor mijn gevoel wringt dat een beetje: een gloedvolle amateur in competitie met een beroeps. Maar soit. Ik maak enkele ronden en neem alles in me op. Ik zie een staalkaart aan kwaliteiten, technieken, materialen en vormen. Het begrip ‘kunst’ wordt hier breed genomen. Je kunt je natuurlijk afvragen of videoproducties en fotografie tot de beeldende kunst gerekend kunnen of moeten worden, maar hier mag het er allemaal bij, de grens wat nou wel of niet kunst is wordt in ieder geval overschreden.

Mijn top-zes:

Drieluik: Stamboom, Tijd, Woestijn; gemengde techniek

Op 6: Een drieluik genaamd (v.l.n.r.) Stamboom, Tijd, Woestijn; gemengde techniek;

 

 

 

 

Op 5: Neftis’3, 4 en 5; keramiek;

Neftis’ 3, 4 en 5; keramiek

 

 

 

 

 

Op 4: Autoband met klok; gemengde techniek;

gemengde techniek

 

 

 

 

 

Op 3: Meisje, IJsje; acryl

Meisje, IJsje; acryl

 

Op 2: Wia van Dijk: Levensringen; digiprint op digibond;

Wia van Dijk, Levensringen; digiprint op digibond

 

 

 

 

 

 

Op 1: Tussentijd; acryl

Tussentijd; acryl

 

Fryske Matthäus Passion, Drachten De Lawei 27 maart 2018

Wat is er mooier dan de Mattheus Passion in je moerstaal beluisteren? Misschien een weekend op een onbewoond eiland met Carola Schouten. Op dinsdag 27 maart laten we ons inpakken door de prachtige muziek van Bach, uitgevoerd door het Noord-Nederlands Concertkoor, meer dan een handvol solisten, het Noord-Nederlands Orkest, het Martini Jongenskoor uit Sneek en dat allemaal onder leiding van dirigent Reinhard Goebel. De Lawei is uitverkocht, zelfs meer dan uitverkocht. Omdat enkele vrijkaarthouders niet komen opdagen kunnen dubbelgeboekten alsnog een plaats krijgen. Voor mij is dit, ongetwijfeld dankzij het Fries, de beste Mattheus die ik tot nu toe hoorde, met de tangoversie van Jan Rot op de tweede of hoogstens derde plaats. De teksten zijn liefdevol en kundig vertaald.

Bezoekers in Drachten krijgen een programmaboekje uitgereikt waarin de zangers niet zijn vermeld. Jammer, deze zuinige onvolledigheid. Van de solisten en dirigent zijn mooie flatteuze jeugdfoto’s opgenomen. En dat brengt mij bij het enige manco van de Mattheus Passion. Over Bachs muziek, de teksten, de uitvoering door de zangers en musici niets dan lof. Er wordt altijd veel geredekaveld over de tempi in Bachs werk, godzijdank houdt dirigent Goebel de vaart er lekker in, dat houdt de zangers ook beter bij de Friese les. Helaas contrasteert het vlotte muziektempo met de presentatie. Die gooit ons een eeuw terug. Natuurlijk is de beroemde lijdensweg en kruisiging geen lolletje maar daartegenover staat dat de erop volgende wederopstanding toch een vorm van een happy end is.

We zien alle uitvoerende deelnemers in stemmig zwart. Klassieke muziek blijft liefhebbers met deze sombere verkleedpartij op een afstand houden. De leden van het jongenskoor niet natuurlijk, die lijken zoveel op engelen dat ze een wit overhemd mogen dragen. Als je goed kijkt zie je wat protestkleuren. De dirigent, de strengste van het geheel en dus iemand van wie je het niet zou verwachten, draagt een rode buikband die hem op een stierenvechter doet lijken en, what’s more, hij draagt rode sokken. Hij probeert nog wel om ze aan het zicht te onttrekken door heel foute ca 20 cm te lange broekspijpen, maar bij het voorjaarshupje dat hij maakt als hij de bok bespringt toont hij het rood, ongeveer als de blosjes op de dameswangen op de eerste twee rijen. Bas Maarten Koningsberger (die in de pauze alom Jeroen van Koningsbrugge wordt genoemd) draagt een longblazer en met zijn strenge looks heeft hij het uiterlijk van een 19e -eeuwse patriciër die het lachen is vergaan, maar graag zingt en dat bovendien verrekte goed kan. Sopraan Johannette Zomer toont een voorliefde voor een punky kapsel: prachtig die springerige dwarse lokken. Al met al is het een stijve boel op de planken en dat weerspiegelt zich in de zaal: oud, wit, stram, grijs, ingehouden is in de meerderheid, als SP’ers in Oss. Het zou zoveel luchtiger en aantrekkelijker en, inderdaad sexyer kunnen.

Slotkoor

De meeste musici, allen profi’s en koorzangers kunnen hun partij natuurlijk wel dromen. Dus waarom dan zo aanhoudend koekeloeren in de partituren? Weg ermee zou ik zeggen, vort met de papieren. Sommige koorzangers zijn zo papiervast dat ze zelfs bij door iedereen gekende passages hun ogen aan het papier vastnagelen als Jezus’ voeten aan het kruis. Musici klampen aan hun muziekstandaard als Kamerleden aan de katheder bij hun maidenspeech. Een uitzondering was Georg -Jezus – Gädker die, als hij niet zong, vrijmoedig doch met gekwelde blik de zaal in keek, alsof hij zijn nieuwste scharrel ontdekte die het met een ander aanlegde. Je zal zien dat wanneer er meer vanuit het hart en minder vanaf het papier wordt gespeeld, de muziek gaat winnen aan expressie, aan gevoel.

Het publiek moet bij de Passiemuziek zijn handen fijnknijpen omdat applaudisseren ‘not done’ is. Als je rondkijkt zie je bevroren mensen die niets liever willen dan meedeinen, meeneuriën en af en toe, vooral na de zoveelste geslaagde solo, eelt op de handen klappen. Maar men doet het niet. Het mag niet. De ongeschreven gedragscode luidt: sacraal, stijf, bevroren, ingehouden negentiende-eeuws, Als uiteindelijk na afloop dan een klaterend applaus klinkt, voelt dat als een bevrijdende, orgastische ontlading, maar aan de houding van de dirigent te zien komt het applaus te vroeg.

Neo Rauch Museum de Fundatie Zwolle 21 jan – 3 juni 2018

 Wat levert twintig jaar kwasten in voormalig Oost-Duitsland Neo Rauch, – Neue Leipziger Schule – op? Een expo in de Overijsselse provinciehoofdstad met 65 schilderijen die allegorische geschiedenissen vertellen, bijna alle geschilderd in bestorven kleuren, soms lomp, soms haarscherp, maar nooit gelikt als de eveneens grote en hedendaagse verhaalschilderijen van Stone Roberts (American Dream, Assen). Het zijn een soort zoekplaatjes geworden waarop je, er rustig voor staand, steeds meer ontdekt, zoals je, een boek van Tommy Wieringa of Jeroen Brouwers lezend, steeds meer vindt. Alles is los te zien maar samengeklonterd levert het meer op.  Directeur Ralph Keuning (gesteund door toezichthouder Rogier van Boxtel) had alles uit de kast gehaald om publiek te verleiden te komen. In tv-spots hoorde je hem dwingend “U moet komen!” roepen. Nu zal een deel van de bezoekers ongetwijfeld gehoorproblemen hebben, maar er zouden grenzen moeten zijn aan de marketingstrategie. Vooruit dan maar.

Wat schildert iemand die zijn psyche onderzoekt en de naar boven drijvende wanen, angsten, visioenen, gedachtenspinsels, dromen visualiseert? Precies dat biedt de expositie ‘Dromos’ van Rauch. Alsof je voor een werk van Jeroen Bosch staat. Alsof je de dromennachtboeken van een psychiaterbezoeker leest. Associatieve draden, heen en weer en weer heen flitsende cartooneske beeldverhalen waarin gedold wordt met perspectief, kleur en vorm. Het wordt druk, op het oog onsamenhangend, complex, gelaagd en verwarrend: kunst zoals kunst moet zijn. Aantrekkend en afstotend tegelijk. Bevestigend en contrasterend. Nooit rustig, braaf, toedekkend of lauwwarm. Je moet je afvragen of de wetenschap dat Rauch uit voormalig Oost-Duitsland komt, zichtbaar is. Tussen de oogharen door herken je wat ik industrieel-folkloristische historisch-angehauchte fantoompijn zou willen noemen. Na de horrorschilderijen van Jan Cremer in een vorige, zowel opzienbarende als saaie, expositie in Zwolle is de onmiskenbare kwaliteit en diversiteit van Rauch een plezante verademing.

Soms lijken de beeldverhalen onaf of tegennatuurlijk gemixt: we zien een door elkaar lopende schotel met als ingrediënten kermistaferelen, aangetaste natuur, religieuze dan wel communistische symboliek, maskerades in donker licht, Maria’s vermomd als mannenbroeders, gevleugelde gnomen, sombere tafelkleden onder oplichtende waxinelichtjes, musicerende blinden, draderig poepende hondachtigen met mannenkoppen, drilboren als microfonen als palingen als dolfijnen, verbogen spoorrails onder zware luchten, rokende schoorstenen, fotografische doorkijkjes op enkel-, heup-, knie- of schouderhoogte…. Kortom never a dull moment.

De expo wordt toegelicht met quasi-filosofische quatsch: ‘Also das Kunstwerk ist etwas, was man nicht wollen kann, sondern das geschieht. Man kann ja den Löwenzahn auch nict anbauen.’ Een paardenbloem vergelijken met een door mensenhanden gewrocht kunstwerk: hahaha.

In een begeleidende film zien we de kunstenaar in zijn atelier met het formaat van een fabriekshal zijn werk doen: de kwast in de hand die verstopt is in een lashandschoen.

(¹) Een dromos is een toegangsweg naar een tempel met aan weerszijden een rij sfinxen.

 

 

 

 

Nieuw: Te Koop

acryl op mdf-paneeltjes op mdf-plaat; 50 x 50 cm; in particuliere collectie te Tilburg

 

2017 april; acryl op mdf-paneeltjes op mdf-plaat; 50 x 50 cm; in particuliere collectie te Wergea

 

12 2017; acryl op canvas
30 x 30 cm; € 30,-

Vanaf april 2018 is de rubriek Te Koop toegevoegd.

Acryl op doek; 20 x 20;
€ 25,-

Acryl op MDF-paneel; 52 x 52; in particuliere collectie te Zwolle

Acryl op MDF; 60 x 11;
€ 66,- (of in drie maandelijkse termijnen van € 22,-)

 

acryl op mdf; 52 x 52 cm
in particuliere collectie te Amsterdam

 

acryl op mdf; 50 x 50 cm
€ 66,- of drie maandelijkse termijnen van € 22,-

 

Acryl op doek; 20 x 20
€ 25,-

Ogden Nash   Song of the Open Road

In februari verscheen de uitgave ‘Song of the Open Road’ van de Amerikaanse light-verse dichter Frederic Ogden Nash bij Koekanger Handpers¹, gerund door Peter en Margie Bekker. De uitgave/het uitgaafje (wanneer spreek je van een boekje?) is klein en bevat één gedicht van vier regels. Kleinere uitgaven zag ik nog niet. Toch bevat het maar liefst drie soorten papier in twee formaten: een bestorven groengrijzige omslag (19,7 x 14,3 cm) met rechtsonder een watermerk voorstellende een haan en een (drink)beker en daarnaast twee soorten bedrukt papier (18,9 x 14 cm). Een heel lichte papiersoort voor de titelpagina en dan nog een iets dikker, crèmekleurige papier, voor de tekst. Houd je het papier tegen het licht, zie je een fijn rasterwerk van doorzichtige lijnen. In totaal bevat het boekje 8 paginaatjes en een omslag. So far so good, genoeg verkleinwoorden. Nog enkele maten: het totale papieroppervlak is 810,91 cm², 1,33 keer zo groot als een A-viertje. De uitgave is een gebonden exemplaar. Een sierlijk blauw draadje is met liefde, dat zie je meteen, door drie gaatjes in het papier geregen, met in het midden een kunstig gestrikte knoop, de uiteinden waarvan op dezelfde afstand, dertien millimeter, zijn afgeknipt.

De inhoud van het vierregelige gedicht ‘Song of the Open Road’ luidt, vrij vertaald: ‘Ik denk dat ik nooit een reclamebord zal zien dat zo mooi is als een boom. Misschien zal ik helemaal nooit een boom zien, tenzij de reclameborden omvallen.’ In het nawoord licht de uitgever toe dat de auteur in 1940 het oorspronkelijke woord ‘misschien’ veranderde in ‘inderdaad’. Nog twee interessante verwantschapsverbindingen: de titel van het vers is gelijk aan die van een gedicht van Walt Whitman in Leaves of Grass. Song of the Open Road is een parodie op Trees van Joyce Kilmer, waarvan de eerste twee regels luiden: ‘I think that I shall never see / A poem lovely as a tree.’ Het vers in Nash’ moerstaal horen? Men surfe naar https://www.poemhunter.com/poem/song-of-the-open-road/

Wat een liefde voor het boekenvak spreekt uit het uitgeven van dit soort publicaties. Meer weten over de uitgever van dit soort werk? www.koekangerhandpers.com.

Ter vergelijking: driehonderdnegenennegentig woorden had schrijver dezes nodig voor de beschrijving van bijgaand versje van eenendertig woorden.

(¹Koekanger Handpers publiceert per jaar enkele uitgaven. In haar jarenlange bestaan werden honderden pareltjes verzorgd. Vele daarvan waren vanaf het moment van verschijnen gelijk een collector’s item.)

Randje Drenthe

Zoals Groningen de provincie van het Groninger trekpaard is, Friesland van de Elfstedentocht uit de geschiedenisboekjes, zo ontpopt Drenthe zich als de moeder aller fietsprovincies. De internationale overkoepelende wielerbond UCI (Union Cycliste Internationale) deelt speciale Bike Region Labels uit, een soort keurmerk voor regio’s die ernaar streven en daarenboven erin slagen fietsen te promoten. Drenthe is de eerste UCI Bike Region ter wereld. Drenthe wordt aangeprezen als een toonbeeld van een regio waar veel in fietsen wordt geïnvesteerd. De wielercultuur zit diep in Drenthe verankerd, als de olie onder Schoonebeek. Ook bij het Landelijk Fietsplatform scoort Drenthe vijf sterren. Mooie evenementen dragen bij aan de Drentse status als fietsprovincie, maar ook het uitstekende fietspadennetwerk van meer dan 2100 kilometer. Met de breed gedragen erkenning op zak, maakt de provincie zich op om het WK wielrennen in 2023 binnen te halen. De ambitielat ligt hoog. Dat is in Drenthe weleens anders geweest. Op diverse terreinen wordt gewerkt aan een nog betere inzet van fietsen. Gedeputeerde Henk Brink, met de portefeuilles verkeer en vervoer, economie en vrijetijdseconomie is trots op de koppositie die Drenthe inneemt. 

Voorbeelden van oude en recente fietsprojecten in Drenthe:

  • De Ronde van Drenthe, een monument van bijna zestig jaar oud;
  • Drenthe 200, een ultramarathon voor mountainbikers, fatbikers, cyclocrossers;
  • Een keur aan nieuwe fietsroutes: drenthe.nl/fietsen;
  • De inmiddels veertig jaar oude Gouden Pijl (men leze ‘Veertig Gouden Pijlen’ 2017);
  • Een nieuw fietstracé op de VAM-berg in Wijster, binnenkort uit de ontwikkelfase als een tweejarige uit de luiers, met hellingen van 8 – 13 % inclusief kasseienstrook;
  • Randje Drenthe, tien routes van ca 60 km, twee gekoppelde routes van 135 en 170 en de ultieme tocht van 255 km: fietssport.nl;
  • Cycling Valley, het fietsmekka van Noord-Nederland wordt ontwikkeld in Roden;
  • Para-Cycling World Cup, na 2017, dit jaar in juli en in 2019 de wereldkampioenschappen te Emmen;

Voor meer informatie: www.opfietseindrenthe.nl;