De kop wat dikker, het haar dunner, een schiere Audi, begin veertig en ‘zul de laifde nog kommen?’

Troubadour Jan Henk de Groot in Bistro Tante Sweel 14 januari 2018; entree € 15,-

Drenthe, 2018. Het is een grijze, koude, winterse dag tussen carbidschieten, midwinterhoornblazen en paasvuren in. Het enige lichtpunt in de verre omtrek is Jan Henk de Groot, ‘keunenk van Westerdaipsterdale’, die ons van 15.00 – 17.40 uur met zijn programma ‘Tachtig Tammo’, meeneemt naar het Groningen van zijn jeugd. ‘Tachtig Tammo’ is een spreuk die in de jaren 90 op verkeersborden langs de Kielsterachterweg, westelijk van Veendam, te lezen was en diende om automobilisten tot minder spoed te manen. Het onthaasten-thema komt enkele keren terug, evenals heimwee naar vroeger, jeugdliefdes en een lading jeugdherinneringen. Speelpunt is Tante Sweel, een minitheater in Zweeloo. Het publiek zit verspreid door de zaal achter donkere tafels, op barkrukken aan de bar; de theekopjes in de vensterbank, plastic baksteenbehang aan de muren. De tochtdeuren blijven lekker piepend zwiepen, en heel soms hoor je een telefoon (‘Sssttt, ja schat, ik kom zo, zet de aardappels maar alvast op.’) De entourage lijkt gemaakt voor Jan Henk.

Streektaalprijswinnaar De Groot, ooit persoonlijk begeleider in de gehandicaptenzorg, Zuidhorner, vader van drie, BG‘er (bekende Groninger), leraar ‘songwriting’ aan het MBO, burn-out-ervaringsdeskundige, is met recht een bard of troubadour te noemen. Deze jas past hem beter dan het moderne singer-songwriter. Door het land reizend in een Espace vol gitaren en geluidstechniek zit hij de ene avond in Houten (Utr.), de andere middag voor een uitverkochte zaal in Zweeloo. Een stuk of vijftig liefhebbers van het Gronings, of van de streektaal in het algemeen, luisteren een kleine drie uren (!), even onderbroken door een plas- bier- of theepauze, naar de mooie liedjes van Jan Henk de Groot.
De Groot ontpopt zich voor mij en mijn naast me zittende stad-Groningse poedie (wij horen hem voor het eerst, ja echt) als een 42-jarige romanticus die dweept met het platteland en de jeugd, de muziek van vroeger op vinyl en vuurtjes stoken. Hij schuwt emoties en gevoeligheden niet. Sentimenten liggen op de loer. Er komen teksten voorbij over de hond Bobo, over de jeugd die meer met ‘rapjederij’ en minicraft heeft dan met buiten spelen en in bomen klimmen. Over buurtschappen, touren in Noord-Groningen, de Kielsterachterweg, de twee huizen, over het bultje, in Westerdaiperdale en over de Sound of Music-achtige sfeer in zijn gezin tijdens een barbecue. Bij De Groot geen woord over FC Groningen, krimp, fabriekssluitingen, aardbevingen, de Nam, de politiek, of ‘het westen’. Zijdelings komt de pyromanie in ‘t Zandt voorbij. De inwoners zouden na de drukte wel aan wat vertier toe zijn, maar ze vonden The Voice of Holland natuurlijk weer belangrijker. Hij doet me aan Lohues denken. Soms, bijvoorbeeld bij het lied ‘Janneke’ aan de tekst ‘Frekie’ van Willem Wilmink.

De Groot, ooit gestimuleerd door opa, met wie hij nog een gitaar maakte, maar die ook verrekte irritant kon wezen, speelt prachtig gitaar, soms begeleidt hij zichzelf op de mondharmonica. Zijn stem heeft een groot bereik, zowel in de hoogte als in de breedte, de verte en de diepte. Heel soms vrees je dat hij bij een fenomenale uithaal ‘achter de poest’ zal raken, maar dat gebeurt mooi niet. Fraai is een vocale vioolsolo en later hoor ik een gezongen zingende zaag. Het geluid scoort deze middag een tien.
In leuke begeleidende en verbindende teksten licht De Groot zijn liedjes toe. Mooie, uitwaaierende verhalen met prachtige Groningse woordvondsten als ‘scharreltjederij’, ‘verkeringderij’, ‘soundcheckderij’ en meer. De mooiste nummers zijn ‘O, o, o, Janine’ over een onzekere, onstuitbaar verliefde beugelpuber die extatisch en tegelijk liefdevol Janine (Albring) bezingt en ‘Dubbelcassettedeck’ over lang vervlogen tijden en de onuitwisbare herinneringen aan de oneindige mogelijkheden van het dubbelcassettedeck, een jongensding dat net zo gelukkig maakte als een multifunctioneel Zwitsers zakmes.
Als toegiften krijgen we ‘de moeder van Michel’ en Spiekerboor, over een negenjarige die onder de indruk is van de topless zonnende moeder van een vriendje onder de strakblauwe lucht in de strakblauwe sloggi en over het begin van des zangers muzikale talenten. Na het dankwoord van de Sweel-Cultureel-voorzitter krijgt De Groot nog heel royaal drie flesjes plaatselijk gebrouwen bier aangeboden.

3 WinterSalon en lezing Richard ter Borg 17 december 2017

Bijna alle Ploegleden tonen werk tijdens de WinterSalon, een jaarlijks in december terugkerende gebeurtenis tijdens welke de Ploegprent wordt gepresenteerd aan wie maar wil en speciaal aan de Ploegvrienden. In de lerarenkamer van het voormalige HBS-gebouw dat nu Veenkoloniaal Museum is, staan ezels in een cirkel opgesteld met Ploegwerk. Dit jaar werd de Ploegprent gemaakt door Marjan Cornelius. Het is een tekening in Oost-Indische inkt: een bomenrij langs een weg in Groningen (meer precies: de Allersmaweg tussen Aduarderzijl en Ezinge) in een verder kaal landschap. Cornelius is erin geslaagd de kijker maar raak te laten associëren. Kijk je door je oogharen, dan kan de suggestie van een naderende (stoom)trein worden opgeroepen, of een hoog op de poten staande wollige bizon, of, volgens een kijker, een in een brugklasbiologieboek uitvergrote foto van een gastro-enteritis veroorzakende bacterie. Het gekke is dat de bomen vol in het blad staan, terwijl de rest van het landschap winters aandoet. Als je de bladeren even wegdenkt lijkt het alsof het land door een sneeuwlaag is bedekt, de grastoppen steken net boven de sneeuwduinen uit, als jongenskuiven boven capuchonranden. Onder de bomen zie je òf schaduwen, òf sneeuwvrij gras.

Dan volgt de lezing van Ploegkenner, galeriehouder, kunstkenner en -handelaar Richard ter Borg. Hij had enkele schilderijen uit zijn winkel willen meenemen als illustraties bij zijn causerie over Ploegwerk van 1918 – 1940, maar dat was niet gelukt. In plaats daarvan deelt Ter Borg vooraf een fraai boekje uit aan de aanwezigen (Eric Bos, 50 Topstukken van De Ploeg, de figuratieven 1918 – 1940). Het is zo vol in het auditorium dat enkele bezoekers in de deuropeningen om de schuifwandpanelen heen moeten kijken, als luisteraars achter de pilaren in de Martinikerk bij een concert van De Jong & De Jong. Met het boekje in de ene en de microfoon in de andere hand, leidt Ter Borg ons in anderhalf uur door een schat aan mooie verhalen, anekdotes en interessante faits divers. Op de vraag of de Ploeg toekomst heeft is Ter Borg meer dan stellig: Zeker! Hij voorspelt dat pas na vijftig jaar de werkelijke waarde van Ploegwerk erkend en bekend wordt, zie bijvoorbeeld (oud-Ploeglid) Helmantel, en inmiddels alom bekende noorderlingen als Matthijs Rölink en Martin Tissing.

Ter Borgs Ploegheld is (de voor veel aanwezigen onbekende) Martin Klompien, ook wel de Groningse Breitner geheten. Klompien staat bekend om zijn aardse kleuren en sobere vormen, die niet automatisch als somber mogen gelden. Via de ‘opgeklapte’ landschappen van Altink komen we bij Werkman, wiens werk recentelijk op kunstbeurs PAN te Amsterdam roofgoed bleek te zijn en bij Martens, van wie wordt gezegd dat hij in W.O.II een dubbelrol speelde, hij was namelijk voorzitter van de Kultur Kammer. Job Hansen schilderde alleen als de temperatuur boven de 21⁰ kwam, dan pas was het licht goed genoeg. Met zijn techniek, olieverf gemengd met benzine, vertoonde Hansen met zijn werk een zekere Franse grandeur. Samen met Benner hoorde Job Hansen tot de eersten die deelnamen aan de B.K.R. Sandberg heeft nog geprobeerd Hansen bij de Cobra te krijgen. Wat zou er zijn gebeurd als dat was gelukt! Jordens was leraar en zijn onderwijsstijl, met nadruk op de vrije expressie, was in de jaren 20 geheel nieuw. Jordens kenmerkte zich door een permanente vernieuwing in zijn werk(stijl). Via Johan Dijkstra, die kunstrecensent was bij het Nieuwsblad van het Noorden komen we bij Ploeg- en Meppeler-Schoollid Jannes de Vries. De Vries verwijderde de olie uit de verf opdat de verf sneller zou drogen. Hij ondertekende zijn werk ook bijna nooit, iets wat, aldus Ter Borg, meer kunstenaars zouden moeten doen; immers het werk zelve vormt als het ware de enige echte handtekening. Deze stelling tekent Ter Borgs eigenzinnigheid, veel kunsttaxateurs zouden dit hem niet snel nazeggen.

Net als de verlenging van voetbalwedstrijden voor mij vaak het meest interessante deel van de wedstrijd is, is dat nu het slot van Terborgs lezing. Terborg blikt openhartig, lichtvoetig en grootmoedig terug op de oorwassing die hem ten deel viel na een faux pas in het kunstprogramma ‘Tussen Kunst en Kitsch’ in 2015. Ter Borg en de landelijke pers waren het met elkaar oneens over de herkomst van een door Terborg aan Karel Appel toegeschreven kleurig stukje houtsnijwerk. Als een Sjinkie Knegt die na een glijpartij in een vol Thialfstadion na afloop de pers frank en vrij te woord staat, vertelt Terborg over het voorval. Hij besluit met een positieve twist door te filosoferen over de wenselijkheid van een Noord-Nederlands programma in de trant van Tussen Kunst en Kitsch. Ik zie het al voor me met Ter Borg als een Groningse versie van Frits Sissing en snorrende camera’s in Veendam.
Het allerlaatste Ploeglid dat Terborg aanstipt is Jan Wiegers, die je, in de woorden van Ter Borg, tot de Punkers van de jaren 20 zou kunnen rekenen.

Joost Slijpen ‘Een kijk op kunst’ 8 januari 2018 in het C.B.K. te Emmen

Slijpen, tentoonstellingsmaker van het C.B.K., stelt zich voor als liefhebber van kunst en van het overdragen van informatie over kunst. “Kunst heeft ons nodig om bekeken te worden,” is een geponeerde stelling die tot nadenken stemt. Aan de hand van kunstwerken die op een groot tv-scherm worden geprojecteerd, loopt Slijpen met ons langs een veelheid aan themata, stellingen, stromingen en intrigerende kunst. Afhankelijk van het kennisniveau van de toehoorders zal het verhaal meer of minder aansprekend zijn geweest. De meeste mensen kennen natuurlijk het meer dan befaamde ‘Who’s afraid of red yellow and blue’ van Barnett Newman dat in 1986 met een mes verminkt werd in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Ook dat het restauratiewerk nadien bestond uit het met een industriële verfroller overschilderen is een typisch ‘De slimste mens’-weetje. Maar dat het oorspronkelijke werk ooit met een kleine kwast in zestig verflagen werd aangebracht, dat is dan weer nieuw, meer ‘Twee voor Twaalf’ dus. Op deze manier komt iedereen aan zijn trekken.
Slijpen daagt het publiek uit vragen te stellen. Als daar door veel luisteraars microfoonloos gebruik van wordt gemaakt dan noopt dat de spreker de vragen luid en duidelijk te herhalen, ook als de vragen lang zijn en er zich onder enkele vragenstellers een discussie ontstaat. Voor diegenen die achteraan zitten een ware concentratieproeve.
Aan de orde komen voor de hand liggende onderwerpen als het verschil tussen kunstbeschouwing en kunstgeschiedenis, hoe we om kunnen gaan met waarderingen als ‘mooi’, een woord dat volgens Slijpen in de vorige eeuw ongeveer als scheldwoord gold en schoonheidsidealen aan de hand van het beeld David van Michelangelo. Een korte verhandeling over esthetica aan de hand van Homerus, Kant en Nietzsche wordt gevolgd door drie benaderingswijzen uit de kunstbeschouwing: Plato’s Mimesis, het formalisme en de iconografie.
Slijpen betoont zichzelf als een voorstander van de formalistische benadering en in alle eerlijkheid zegt hij, aan de hand van een vraag over Plato: “Ik vind het te moeilijk om erop in te gaan.” We worden meegenomen van Newman en Turner naar Bernini en Rembrandt. “Ik ga speels door de chronologie,” aldus Slijpen.
Het klasje laat zich niet onbetuigd en vuurt menig vraag af op Slijpen. In alle ernst en rust gaat hij in op de opgeworpen dilemma’s. Wordt een bepaalde symboliek op een schilderij van Van Eyck of Velázquez te ingewikkeld dan antwoordt Slijpen in alle openheid: “Het heeft ongetwijfeld betekenis,” of “het zou heel goed kunnen.”
In het blokje ‘Kunst komt voort uit kunst’ wordt aangetoond dat kunstenaars leren van elkaar en naar elkaar verwijzen. Zo staat Friedrichs ‘De wandelaar boven de nevelen’ geplaatst naast Newmans Cathedra (ooit, in 1997 beschadigd in het S. M. te A.) en in het hoofdstuk ‘verwijzingen’ staat Richter naast Vermeer, beiden met een lezende vrouw. Het verschil tussen verwijzen en plagiëren blijft nog onaangeroerd.
Het bloedinteressante schilderij ‘Myra’ (2,7 m x 3,4; 1997) van Marcus Harvey staat centraal in de analyse. Het werk is opgebouwd uit kinderhandjes die op afstand een soort zwart-witte pixels lijken. Het onderwerp is een ‘mugshot’, een politiefoto van een kindermoordenares, de hoogblonde Myra Hindley. Ook dit kunstwerk werd (zelfs enkele keren) vernield toen het werd tentoongesteld. Slijpen voert ons, “ik neem even de tekst op papier erbij,” mee langs een indexicale, iconografische dan wel symbolische interpretatie, u begrijpt dat we in het hoofdstukje ‘semiotiek’ zijn aanbeland.
Er ontstaat een minidiscussie over de vraag of de kijker de reden achter elk kunstwerk zou moeten kennen en of zij/hij daar wijzer van wordt. Er zijn preciezen en rekkelijken, voor- en tegenstanders, maar allen zeer keurig en vriendelijk uiteraard, zonder stemverheffing. Hier wreekt zich het gebrek aan een ‘lopende microfoon’, hoe leergierig het publiek ook is, er zijn grenzen aan de inschikkelijkheid & toegeeflijkheid. “Dat we maar veel over onszelf leren via de kunstbeschouwing,” zo luidt ongeveer Slijpens finale nieuwjaarswens. Op naar een wedstrijdje Vermeer < – > Rembrandt, het onderwerp voor een volgende lezing.

PS De organisatie van het Centrum voor Beeldende Kunst in Emmen moest een aantal belangstellenden voor deze lezing teleurstellen. Ruim zeventig gasten, dat was de grens. Er waren geen kosten verbonden aan het bijwonen van de lezing, zelfs de pauzekoffie was gratis.

De Ploeg 2: Galerie Van Harinxma in Beetsterzwaag (29 oktober – 23 december 2017)

Beetsterzwaag representeert het lommerrijke, cultuur-angehauchte Friesland. Galerie Van Harinxma is gesitueerd naast Landgoed Lauswolt waar ooit een Nederlands kabinet werd gesmeed door mannenbroeders Bos, Balkenende en Rouvoet. De grote en vooral hoge galerieboerderij Van Harinxma exposeert naast een aantal vaste, veelal Friese, kunstenaars, werk van een keur aan interessante schilders, onder wie deze keer vijf Ploegleden. We zien éminence grise Corsius, nieuweling Klaveringa, Gommer en twee minder naar buiten tredenden: Busman en Okel. Vooral die laatste twee prikkelen de belangstelling van menig kunstliefhebber, omdat ze wat minder vaak aan groepsexposities meedoen. Van die twee is vooral Okel zo goed als verdwenen uit het expositieleven van de het laatste decennium. De reden waarom we Busman minder zien is een ophanden zijnde staaroperatie, die begin 2018 zal plaatsgrijpen.

Busman presenteert zich met vijf relatief kleine fantastisch of magisch realistische werken stampvol symboliek. Het werk van Busman zou je verwachten in museum Thijnhof in Coevorden, een meer dan prachtig, vrij klein museum voor surrealistische en realistische kunst. Okel schildert in een expressionistisch realistische stijl en is waarschijnlijk de minst bekende en belichte Ploeger. Tegenwoordig houdt hij zich veel bezig met het restaureren van gitaren. Okel presenteert zich in Beetsterzwaag met drie havengezichten (de Vaart in Assen 2012 en de Noorderhaven in Groningen 2004) en een Gronings paard (2006). Van Klaveringa is een zestal kleine landschapsschilderingen te zien, romantisch impressionistisch van aard. Sommige landschappen verraden Friese invloeden; het is meer dan de naam Britswert die me op dat Friese spoor zet. Corsius toont twee landschappen in (kleur)potlood en twee intrigerende fotografische composities. De landschappen zou je als knipogen naar het verleden kunnen beschouwen: veel oud-Ploegleden hadden meer dan gemiddeld belangstelling voor de vette klei van de Groningse akkers. Van Gommer zie ik een stuk of drie spannende parkeergarages met interessante lichtinval: soms waan je je in een misdaadserie, de schilderijen tonen de momenten net voordat een eerste lijk te ontwaren is in een unheimlich parkeergaragehoekje op de harde, spiegelgladde vloer; als je je ogen dicht doet hoor je vanzelf chef Derrick “Hol mal schon den Wagen,” tegen Harry fluisteren.

De Ploeg 1; Veendam 22 okt 2017 – 4 februari 2018

‘De Ploeg werkt door’ in combinatie met Geert Hendrik Streurman

In de aanloop naar het jubileumjaar 2018 waarin De Ploeg 100 jaar bestaat is op 22 oktober 2017 in Veendam een overzichtstentoonstelling geopend met als titel ‘De Ploeg werkt door …’. Deze naam impliceert wellicht dat er mensen zijn die menen dat de Ploeg is gestopt na de tijd van illustere namen als Wiegers, Dijkstra, Altink, Werkman, Hansen, Jordens en meer. Niets is minder waar. De Ploeg telt tweeëntwintig leden, van wie er negentien met prachtig werk in Veendam zijn vertegenwoordigd. Het eeuwfeest heeft een imposante hoeveelheid exposities in petto: elf in totaal.

Naast werk van huidige Ploegleden zijn de oprichtingsnotulen van de vereniging te zien en te lezen en is er uitgebreid aandacht voor werk van Streurman. Veendammer Streurman (1892 – 1976) was een Ploeglid van het eerste uur; hij was bestuurslid en enkele jaren voorzitter. Naast beeldend kunstenaar was Streurman leraar Duits en Goethe-kenner.

‘De Ploeg werkt door…’ pretendeert het belangrijkste werk van de Ploegleden te tonen. Jammer dat drie Ploegleden ontbreken, het is nu meer een deeloverzichtstentoonstelling. Werk van interessante namen als Busman, Van Holten en Okel ontbreekt. Kunsthistorica Ten Bruggencate ging in haar openingslezing ook voorbij aan dit drietal. Zoals in het verleden in deze ruimte (het Veenkoloniaal Museum in Veendam was vroeger de Rijks Hoogere Burger School) de deelnemers aan de grote avond werden voorgesteld aan de ouders, zo stelt Ten Bruggencate nu de Ploegleden voor aan het rijkelijk toegestroomde publiek met een plaatje bij een praatje. Zij die meer willen weten over Van Holten, Busman en Okel, zullen op het in mei te verschijnen boek moeten wachten. Werk van Busman en Okel is wel te zien bij galerie Van Harinxma in Beetsterzwaag.

Het begin van de expositie in Veendam toont een prachtige, grote foto van veertien Ploegleden bijeen in een gezellige vergadering. In de expositie, verdeeld over vier zalen, zien we oud en nieuw werk, samen ongeveer honderd stuks, in alle denkbare technieken. Er is nieuw werk van Schreuder, Corsius, Rozema, Velthoen naast ouder werk van Van der Woude, De Groot, Gommer en Van den Berg. De twee grote tekeningen in kleurpotlood van Corsius vormen de eerste aanzet van een 21-delige cyclus ‘Tijd’ die is gebaseerd op een Chinees gedicht. Van Alkema zijn vijf werken te zien, alle in houtskool/krijt op papier of paneel: in zwarte, grijze en witte tonen. Voor het eerst is er werk te zien van Klaveringa (romantisch realistische landschappen) en Van der Sleen (fotografie en een surrealistisch ogend drieluik over aardbevingsschade). Beiden zijn sinds 2017 lid van De Ploeg, Klaveringa voor de eerste keer; Van der Sleen is herintreder.

Als ik willekeurige bezoekers, onder wie een ver familielid van oud-Ploeglid Jan Geursen (1889 – 1945) vraag welk werk hun het meest aanspreekt, krijg ik te horen: “Het schilderij ‘Spring’ van Benniks, de verzameling 42 getekende leerlingen van Cornelius, de drie aquarellen van Kracht, de humoristische schilderijen van Dijkstra, en het werk van Van der Wal en Schreuder.” Centraal opgesteld is het maatschappijkritische beeld ‘Gouden man’ van Hagenaars. Een andere bezoeker zegt: “Ik dacht dat de Ploeg gelijk was aan landschappen. Goed om te zien dat er veel meer te zien is.” Drie meisjes (resp. acht, negen en tien jaar) die de expositie met (groot)ouders bezoeken noemen: “De geiten van Jonkman, Spring van Benniks en Sehnsucht I en II van Geertjes.”
Het feestjaarlogo, een vette olieverfpenseelstreek van Geertjes is krachtig, rijk, vers, weelderig, vet, vuurrood en spannend tegelijk.

Orgelconcert Ronald IJmker in Coevorden op 31 mei 2017

Just as I am (van Lennart Morée; 1988) klinkt als een titel van Daniël Lohues en met dit heerlijk langzame werk stelt millennial IJmker (1981) zich aan ons voor: de kop is eraf, de toon is gezet en wat voor één. We luisteren, met de zon op het orgel als een natuurlijke volgspot, naar een vakbekwame organist. De overgang, we gaan zo’n tweeënhalve eeuw terug, naar grootmeester Bachs Fantasia und Fuge en Sicilienne kon niet groter zijn; en dan Air, evenals veel werken van Bach (de koralen bijvoorbeeld) een stuk muziek dat ooit in je hoofd terechtkwam (in mijn geval via de band Ekseption in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw) om er daarna nooit meer uit te gaan; ik moest veel moeite doen om niet te hard mee te neuriën. Hetzelfde geldt in iets mindere mate voor Mendelssohns Choral mit variationen. Prachtig gespeeld. IJmkers interpretatie van Prélude Fugue et Variation van C. Frank is er één van de begenadigde liefhebber. Doordacht, liefdevol en begeesterd tegelijk. Fris en degelijk. Of Skizze van Schumann nou schetsen of concepten zijn, bij IJmker klonk het meer dan conceptueel of schetsmatig; ik hoorde beweeglijkheden in tempi waar aritmische typen het Spaans benauwd van krijgen. A. Pompers Andante con moto: wat een mooie muziek, aan het eind van het stuk dacht ik te kunnen horen dat Pomper een beiaardier is geweest. Dat Pomper op zijn zesde blind is geworden maakt zijn muziek misschien nog specialer. Fantasie over het Lutherlied Een vaste burg is onze God van J. Zwart kan met recht een fantasie worden genoemd; meer variaties op hetzelfde thema hoor je niet vaak: schitterende muziek. De muziek werd prachtig verklankt door de jonge IJmker, die vanavond bewees de muziek verinnerlijkt te hebben. Eenendertig mei 2017: de wereld en ik liggen achterover; de wereld van de warmte en ik van IJmkers orgelspel. En die nieuwe c.d. die nog niet klaar is? Dat werkt als een uitgesteld softijsje op een zwoele zomeravond: later is lekkerder.

Dagboek Gouden Pijl 2017, winnaar Bauke Mollema

Het is 2017. Kranten melden in januari dat in de Tour de France van 2015 twaalf renners rondfietsten met een motortje in hun fiets. Zegt Verdy (¹). Deze mededeling heeft de bewijskracht van een spons in een emmer sop. Er zou al drie of vier jaar gebruik worden gemaakt van mechanische doping in de Tour. De fietser moet dan wel een gram of 800 extra voor lief nemen. Nieuwe woorden als zadelpenmotortje en versnellingsmagnetisme lijken het woordenboek te gaan halen.
De Gouden Pijl-organisatie zal, zo speculeer ik, in juni 2017 op de slotdag van de Giro d’Italia, als Tom Dumoulin als Giro-winnaar Italië aan zijn voeten werpt, in spoedberaad zijn bijeengekomen, met als enige agendapunt: hoe krijgen we Dumoulin in Emmen? In de pers wordt gesproken over de eerste Nederlandse Giro-winnaar. Maar de pers ziet vier over het hoofd. Het moet zijn: voor de vijfde keer een Nederlandse winnaar in de Giro: na Marianne Vos (drie keer) en Anna van der Breggen (2015) eindelijk eens een man. Ik bezoek in een weekend zeven plaatselijke cafés (research voor een boek als dit vraagt nu eenmaal nogal wat) en overal is Dumoulin als gewenste deelnemer aan de GP binnen vijf minuten het gespreksonderwerp. Als Limburgse Tom mee gaat doen dan is de winnaar voorspelbaar als de kleuren van een pasgeboren pandabeer. Op 30 juni lees ik dat Steenwijk hem heeft gecontracteerd. Emmen gaat het niet worden. Op de dag van de GP rijdt Dumoulin in Voorburg de tweede etappe in de BinckBank Tour. Wat Emmen wel heeft is een opperste vorm van materiaalfetisjisme: de roze fiets van Dumoulin staat als een heilig relikwie opgesteld in een partytent bij het VIP-dorp, als de voetbalschoenen van Johan Cruijff in het Cambuurstadion. De GP-bestuursstress zal op 16 juli verder oplopen als Bauke Mollema een Touretappe wint na dertig kilometer soleren. Je zal maar Gouden-Pijlbestuurslid zijn. In Noord-Nederland ontstaat nog enige discussie als Bauke’s pake (opa) zijn regionaliteit betwist en hem tot de Friezen wil rekenen. Het Dagblad van het Noorden betrekt geen stellingen, maar laat het eindbesluit aan haar lezers en besluit het discours met de uitslag van een onder Groningers en Drenten gehouden enquête, nou dan weet je het wel. In het Spektakel van Steenwijk wint Dumoulin voor Mollema. Dagblad van het Noorden-verslaggever Pomp ontfutselt Mollema de gouden quote: “Mijn kans in Nederland komt nog wel. Misschien tijdens de Gouden Pijl in Emmen.” Een noordelijk marketingbureau verzint een list: fans mogen aanmoedigende kreten inzenden die dan met reflecterende verf op het wegdek worden geschilderd. Als dit een trend wordt, weet ik nog wel iets bij [tot nu toe] femininefobe burgemeestersbenoemingen in Emmen. Als speciale gasten worden Jan Jansen, Joop

(¹) Jean-Pierre Verdy, voormalig directeur van het Franse dopingagentschap

Zoetemelk en Hennie Kuiper uitgenodigd die door ‘niemand minder dan’ Evert ten Napel in het middagprogramma zullen worden doorgezaagd over hun sportieve prestaties in het verleden. Weer geen lossehandenrace voor zestigplussers lees ik, maar een dikkebandenrace voor kinderen, een ‘Bike Trial Demo’ en een dernyrace voor oud-profrenners. Roelie Lubbers: “We hebben genoeg leuke oud-profrenners en verwachten een mooi spektakel in het centrum van Emmen.”

Even een kleine terugblik. In 2003 kreeg DvhN-verslaggever Harm Vonk de woede van Michael Boogerd over zich heen toen hij suggereerde dat uitslagen van criteriums vaak afgesproken werk zijn. Ik noemde de onduidelijkheid hieromtrent de mythe van de Gouden Pijl. Het lot van mythes is vaak dat ze op zeker moment worden ontmythologiseerd, denk maar aan de mythe van de Hof van Eden, de zondvloed, de Arke Noachs, Sinterklaas, enzovoorts. Hoe de publiciteitsmores in nog geen drie handvol jaren kan veranderen blijkt uit het feit dat er in 2017 in de krant (DvhN) openlijk wordt gediscussieerd over uitslagafspraken bij criteriums in de rubriek Forum. Een viertal deskundigen, onder wie GP-voorzitter Roelie Lubbers, geeft voorzichtig zijn mening over een andere aanpak bij het criterium de Draai van Kaai in Roosendaal. Daar wil men een echte koers en geen afgesproken winnaar. Lubbers laat zich niet uit de tent lokken en zegt: “Je moet mee met de tijd, maar we gaan pas na de GP evalueren en nadenken over de toekomst.” En wat vindt Bauke Mollema ervan? “Als die criteriums te zwaar worden, hebben de renners er geen zin meer in. Het grote publiek ziet de toppers ook liever, denk ik.”

In het middagprogramma voor genodigden bevraagt Ten Napel vier dernyrijders: Maarten den Bakker, Theo de Rooy, Bart Voskamp en Peter Möhlmann. Dit viertal is het voorprogramma voor de historische terugblikken met Kuiper, Zoetemelk en Janssen. Mooie wielerverhalen passeren de revue tegen een achtergrond van historische foto’s uit de GP-archieven.

Het lijkt ’s avonds in Emmen rustiger te zijn dan anders. Ik probeer het aantal snacktentjes en drankverkooppunten te tellen. Het zijn er veel. Bijna alles wordt met muntjes betaald: € 3,- voor één munt; € 300,- voor 200 muntjes. Er is een viertal muziekpodia, waar een gezellige sfeer heerst. Je hoort overal muziekflarden; routebordjes zijn overbodig. Er is zelfs sprake van ingestudeerde samenzang; we mogen ‘I Know’ meezingen bij een prachtig nummer van CCR, gezongen door de coverband 5th Wheel. De muziek in Emmens centrum varieert van rock (Elvis, CCR), via Nederlandstalige tot Duitse schlagers. De hardste muziek Komt van Marktplatz Oktoberfest. Burgemeester Van Oosterhout heeft hier het eerste biervat aangeslagen. Mocht je jodelen verwachten, krijg je musici in lederhosen en dirndlmeisjes die kortgerokt op hoge tafels mogen dansen. Geluidsinstallaties van twee keer drie m³doen hun best mijn muziekreceptoren te prikkelen: fibrerende oorspieren activeren mijn ruggengraat en via een ingenieus neurofysiologisch stelsel gaat de geluidsroute via enkele bilspieren langs de bovenbenen en de kuiten naar de voetzolen, die – vergeefs – ritmisch pompom en hiphop willen doen. Van een vriendelijke beveiligingsmedewerker hoor ik dat er veertig man is ingezet. De politie eerst met tien man en later met twintig. Vorig jaar waren er wat ongeregeldheden. Het is nog vroeg, maar het voelt goed. Het lijkt minder druk dan voorgaande jaren, maar het is gezellig. Plastic glazen en plastic flesjes zoeken wanhopig prullenbakken zoals papieren op mijn schrijftafel archiefmappen. Op het Raadhuisplein is Radio Continu on Tour. Weer samenzang, nu iets als SHELA-SHELA. Soms kost het moeite vast te stellen of het om Nederlands- of Duitstalige muziek gaat, maar het klinkt goed en de gelijkenis met een projectkoor is snel gemaakt. Voordat ik er erg in heb zing ik mee. Als je omhoog kijkt zie je flatbewoners de avond van hun leven hebben, een enkeling experimenteert met lichteffecten. Ik realiseer me dat zeventig inderdaad het nieuwe vijftig is. De luxaflex gaat in de maat open of dicht. Flikkerende t.l.-buizen geven een psychedelisch effect. De al jaren dode Annie M. G. Schmidt kijkt mee in een cabaretreclame vanaf de tijdig gerepareerde flatscreen aan de gevel van Atlas; paddo’s, festivalbier of ayahuascathee zijn hier echt overbodig. Ik ga in gedachten terug naar vanmiddag en vraag me af of ik droomde toen ik Emmens burgemeester en Jan Janssen ridderlijk op hun knieën zag gaan om het hesje van een gastdame op te pakken dat zij kort daarvoor quasi-onopzettelijk had laten vallen. Ik hoor de spreekstalmeester roepen dat Mollema op vijf rondes voor het einde plat op zijn machine ligt en we besluiten terug te keren naar de wedstrijd. De rijders draaien onvermoeibaar om de kerk, als zand-Drenten om meningsverschillen.

DAGBOEK Gouden Pijl 2016

Een dag voor de Pijl wandel ik door Emmen en praat met enkele mensen over fietsen. Ik luister en noteer. Het is de tijd van e-bikes. We zien in de krant reclames voor dit type fietsen voorbijkomen met Joop Zoetemelk en televisiedier Anita Witzier. Voor reclames voor zadelpenmotortjes lijkt het nog wat te vroeg. Het is de tijd van Olympische Spelen, de Gouden Pijl zit ingeklemd tussen de wegwedstrijd en de tijdrit als een deur in een klemmende sponning. Zou Bauke Mollema op tijd terug zijn uit Rio? Het zijn ook spannende tijden voor het Gouden Pijl-bestuur met voorzitter Roelie – we houden niet van vergaderen – Lubbers. In een interview met het Dagblad van het Noorden vertelt ze: “Ik doe het nu sinds 2010. Het is echt leuk om naast mijn baan te doen. Ik houd van leuke evenementen organiseren en laat me niet leiden door enige wielerkennis, haha. Ik vind het juist goed dat niet het hele bestuur uit wielermensen bestaat.”
2016. Het is de tijd van een achttienjarige amateur die in Neuss (Duitsland) een criterium wint voor profi’s als Fränk Schleck, Emanuel Buchmann en Nikias Arndt. Gert Jakobs zegt hierover: “Die drie profs die daar aan de leiding reden, waren een stel klunzen. Zij hadden in de laatste tien rondes de gashendel moeten opendraaien, zodat die jongen er nooit bij kon komen. Ik vind het mooi dat die jongen wint, maar in onze tijd was dat nooit gebeurd.”
Terug naar Mollema, Ik heb iets met Mollema. Zoals Mollema vroeger van Zuidhorn naar Groningen fietste, reed ik van Kollum naar Dokkum. Zoals Mollema quasi argeloos volwassen kerels voorbij jakkerde, twee vingers in de neus, zo probeerden wij (eind jaren zestig, op het traject Kollum – Dokkum) de aftandse Harley van biologieleraar Germs bij te houden en (in mijn verbeelding) in te halen. En zo probeer ik nu als zestigplusser met losse handen twintigers fietsend in de stad voor te blijven. In de Tour heeft Mollema al aangegeven graag in de GP te rijden. Hij wordt dé publiekstrekker op negen augustus in Emmen. Tot zijn val in de Tour is hij de grote uitdager van winnaar Christopher Froome (waar was Froome trouwens zonder zijn helpers in de Olympische Spelen?)(*) Uiteindelijk wordt Mollema 11e in Parijs. Koersdirecteur Anne Knol: “Noordelijke renners mogen altijd bij ons starten.” Na contacten met Managementbureau Cycling Service, dat de contracten regelt, wordt duidelijk wie nog meer in Emmen komen rijden. Na de valpartij van Mollema had de Groningse hoogleraar Bert Otten gesuggereerd dat een slipcursus en een lesje in herkenning van gladde stukken asfalt geen slechte zaak zou zijn voor ‘de noordelijke berggeit’. Volgens Mollema is dat overbodig. “Een slipcursus, wat moet ik daar nou mee? We gaan straks eerst naar Rio en daarna gaan we evalueren wat er goed en fout is gegaan in deze Tour, al is dat laatste wel duidelijk denk ik.”
Toch denk ik dat een wetenschappelijke benadering van technische vaardigheden (in grote vaart van een helling afdalen, bochten rijden, vallen) nut kan hebben in de wielersport. De aanpak van dit soort vaardigheden is nog een ondergeschoven kindje in de wielrennerij. Vergelijk het eens met de wetenschappelijke aanpak van de materialen: pakken, helmen, fietsen worden met de grootst mogelijke precisie gefabriceerd en aangepast na steeds opnieuw testen en opnieuw onderzoeken in laboratoriumachtige opstellingen, door wetenschappers. Te vaak worden allerlei verantwoordelijkheden in de wielrennerij op het bord gelegd van ploegleiders, heel vaak renners die in die positie worden gemanoeuvreerd, zonder adequate scholing en voorbereiding. Was het niet Co Adriaanse die over het gemis aan kwaliteiten bij ex-profvoetballers die trainer wilden worden al zei: een goed paard maakt nog geen goede ruiter? Nog wat Mollema-nieuws: Bauke gaat in Monaco wonen (maar waarom zou hij dat nou doen?) en fietst met Froome en Weening in Surhuisterveen. Mooi dat Greipel (winnaar slotetappe Tour de France met als bijnamen ‘de gorilla’, sprintkanon, topsprinter), er in Emmen bij is.

Aan tafel bij de middagetappe bespreken we de relatie sport en commercie. Dat de Rabobank de Gouden Pijl sponsort: dikke prima. Maar een middelbare school die een voetbalclub subsidieert : no way, daar zijn mijn tafelgenoten het over eens. De bank zegt zelfs trots te zijn om tussen de krant en de gemeente te staan als hoofdsponsor. Kijk, denk ik, dan doe je het als GP-organisatie goed, als je sponsoren het zo zeggen.
Rob Harmeling wordt door dagvoorzitter Henk ten Oever geïnterviewd over winnen en over de mythe van wielrennen en meer specifiek: criteriums. Als ik zijn verhaal beluister moet ik weer aan wat ik noem de mythe van de GP denken. “Elke periode kent zijn geheimen. In mijn periode was het zo dat de Tourwinnaar ook de criteriums moest winnen en niet een lokale renner. Er werden afspraken gemaakt, slagen genoemd. Soms waren er wel vier of vijf slagen. Wielrenners raakten ervan in de war. Wielrennen is een mix van vertrouwen en wantrouwen. Wielrennen is een spiegel van het leven, sport liegt niet en is keihard. In het bedrijfsleven gaat het er zachter aan toe. Wat levert ons kikkerlandje de laatste tijden een kwaliteit aan fietsers. Vergelijk dat eens met Frankrijk dat na Hinault eigenlijk niks meer heeft gehad.”
Peter Ouwerkerk, journalist en sportschrijver, noemt wielrennen: “Straattheater, opera, ballet, kunst, literatuur. Wielrennen staat gelijk aan veel verhalen, waarin fictie, factie en frictie door elkaar lopen.” Hij toont een foto waarop prominenten als Relus ter Beek gebroederlijk naast Ruud Lubbers aan de Gouden Pijl-start staan. Those were the days.
Renate Groenewold vertelt dat voor € 15.000.000,- het WK wielrennen in 2020 naar Drenthe en Groningen kan komen. “Als er voldoende fondsen van overheid en bedrijven bij elkaar geharkt kunnen worden, wordt er in december 2016 een bidbook aangeboden bij de UCI. De provincies Drenthe en Groningen en de gemeenten Emmen, Assen en Groningen doen mee. Als het breder getrokken kan worden, met meer bedrijven en meer evenementen erbij, waarom zou het dan niet lukken?”
Terug naar de Gouden Pijl. Wat maakt de Gouden Pijl de Gouden Pijl? Ik ga het vragen aan een vijftiental ervaringsdeskundigen. Jolanda de Vries: “De GP heeft een plekje in mijn hart. Mijn vader stuurde indertijd een werkgroep bij de GP aan, samen met Peter van Putten. Als kind heb ik van alles voor de Pijl gedaan en ik liep stage bij de Emmer Courant. Nu zijn we sponsor en ik ben een wielerliefhebber.” Mariële de Wind: “Ik woon in Emmen en ben hier met een vriendin. We komen voor de gezelligheid en de leuke sfeer.” Mevr. A. Pleiter: “We wonen nog niet zo lang in Emmen. We gaan met vrienden de stad in. Mijn man is een verwoed fietser en ik vind het altijd leuk met hem mee te gaan, wielrenners ken ik niet, het is gewoon gezellig.” José Koster: “Ik werd uitgenodigd door deze meneer naast mij, Peter Koster en mijn werkgever Mieke Prins, ik ben intercedent bij een uitzendbureau. Wat de Pijl oplevert? Nieuwe netwerken, we zijn een jong bedrijf en we zijn op zoek naar een nieuw publiek en nieuwe klanten.” Lisa Pintus: “Ik ben hier met mijn beste vriendin. De GP is een feest met vrienden, het is gezellig en we houden van de livemuziek. Bauke Mollema gaat winnen, hoor.” Hassna Benimalek: “Ik werk bij WildLands en ben hier op uitnodiging van de bank. Het is voor mij de eerste keer. Het is een mooi evenement, maar een echte relatie met wielrennen heb ik niet, het is bij uitstek een gelegenheid om te netwerken.” Daniëlle Hugen: “Wij zijn sponsor van de Pijl. Het is prachtig de sport zo van dichtbij mee te maken. Bauke Mollema gaat winnen want die heeft hier nog niet gewonnen. Waarom hij naar Monaco is verhuisd? Vanwege het lekkere weer en de fiscale voordelen?” Johanna Kelder: “Samen met mijn man Jans (die in zijn vrije tijd landgeiten fokt) zijn we voor de eerste keer bij de GP. Ik ben gepensioneerd gymlerares. Ooit waren we ook een keer bij een criterium in Boxmeer, ik volg het wielrennen in de Tour de France wel hoor.” Kim de Vries: “De GP is een heel goede plek om mensen te spreken en te genieten van de renners die in Emmen een fantastische wedstrijd laten zien. Emmen wordt zo goed naar buiten gebracht. Mijn favorieten zijn Kjeld Nuis en Bauke Mollema. Geraldine Otter: “We zijn hier op uitnodiging van onze bank. Volgende week komen we, vanuit Sleen, in Emmen wonen. Mijn man is fotograaf. De GP is erg leuk, ook mooi vanwege de link Olympische Spelen en wielrennen. Nu zie ik van dichtbij hoe hard ze eigenlijk gaan. Het is leuk erbij te zijn, het zakelijke is niet direct de insteek.” Rosa Kuilder: “Ik heb twintig jaar in Emmen gewoond, nu woon ik in Groningen en ik kom elk jaar naar de GP. Ik heb geen zakelijke relatie met de Pijl, maar mijn vader had die wel gedurende zestien jaar. Ik heb het altijd al leuk gevonden en sinds een jaar ben ik zelf wielrenner, ik maak tochtjes van 40 à 50 kilometer en haal dan zo’n 25 km/u. O ja, en ik was negen jaar geleden zelf rondemiss!” Steintje Hamstra: “De laatste tijd lees ik veel over het verschijnsel ‘Mamilf’(**) en ik wil nu weleens in het echt de jongere variant van deze mannensoort zien.” Heleen Klein: “Mijn man kreeg een uitnodiging voor de Pijl via zijn werk in Tynaarlo, ik ben hier dus via via. Het is voor mij de eerste keer. Leuk om Bauke te zien.”
Rondemissen Ellen Boskma en Dagmar von Pickartz Ik vraag hun of het niet eens tijd wordt om, net als in 2009, naast een rondemiss een rondemister aan te stellen: “Goed idee, leuk voor het jubileum volgend jaar. We hebben weleens gehoord van misterverkiezingen, jongens zouden het waarschijnlijk leuk vinden. Het is traditie dat Miss Emmen rondemiss bij de Gouden Pijl is. Het is één van de leukste dingen die verbonden zijn aan het rondemiss zijn. Je bent dan een jaar lang verantwoordelijk voor allerlei activiteiten in Emmen en na een jaar is er weer een ander. Ja, een rondemister: goed plan.” Zo, nu hoort u het ook eens van iemand anders. Begin 2017, bij de vrouwenwedstrijd van de Amstel Gold Race worden ook rondemisters ingezet . Uit 15.000 aanmeldingen worden twee rondemisters geselecteerd. Aan de voorwaarde dat ze moeten meefietsen in de toerversie van de AG-Race hebben ze voldaan. Bruno Bobbink en Ingo Douwma krijgen de gelegenheid en de eer winnaars Anna van der Breggen, Puck Moonen en Ellen van Dijk op het podium te kussen. Maar laten we vooral niet vergeten dat in de Gouden Pijl van 2009 ook een rondemister actief was: Miroslav Koncalovic.
Hé, daar is Bauke Mollema: “Bauke, waarom bent u naar Monaco geëmigreerd?” Na de lange sessie met RTV-Drenthe maakt hij het nu wat korter: “Waarom niet? Ik moet toch ergens wonen, hè?” Mollema, een voorbeeld van verfijnde nuchterheid. Zou me niks verbazen als hij Touretappes gaat winnen.
(*)In de wegwedstrijd op de Olympische Spelen in Rio de Janeiro wordt Froome twaalfde, op bijna 3 minuten van winnaar Greg Van Avermaet. Vier dagen later rijdt Froome als een van de favorieten de individuele tijdrit. Hier behaalt hij, net als in 2012, de bronzen medaille. Hij eindigt één minuut en twee seconden achter winnaar Fabian Cancellara en vijftien seconden achter de nummer twee Tom Dumoulin.

(**)Middle Aged Men In Licra Fibres

Dagboekaantekeningen Gouden Pijl 2015, over Kuiper, Zoetemelk en meer

Dit wordt mijn eerste, volledige, Gouden Pijl. In voorgaande jaren kom ik, als alles meezit, naar de wedstrijd van de profs, maar vaak genoeg zijn we op vakantie of heb ik andere, nog dringender, dingen te doen. Op maandagmorgen 10 augustus 2015 ga ik alvast kijken bij de voorbereidingen. Ik ga even zitten bij het Insulinde Plantsoen met achter mij de begraafplaats. Ik kijk rond en denk na over de dood en organisatorische zaken als: afzettingen, banieren, cateringbedrijven, doorlooproutes, dranghekken, draaiboeken, evenementsbierpompen, fietsenrekken, genodigdenpasjes, hangjongeren, illuminaties, kilometers kabels, langeafstandslopers, motoragenten, neo-profs, ontheffingen inzake de drank- en horecawet, oranje jassen met reflectorstrepen, podia, quads, rondemissen, statafels, spandoeken, schriklinten, tv-schermen, tribunes, toiletwagens, urineafvoer, VIPs & vrijwilligers, werkplannen, en zweetplekken.
Ik zie en hoor een geoliede organisatie; alles grijpt in elkaar als de ketting op de tandwielen van een gesmeerde derailleur. Een soort kermisopbouw maar dan vele malen groter. Praktische zaken dienen zich aan: waar laat je de urine die je verzamelt in een toiletwagen? Weg laten lopen in een rioolput is geen optie. Direct laten verdampen en de zouten opvangen kost te veel tijd. De oplossing: pompen naar een groot vat. Wat gebeurt er als het regent? Bij een wolkbreuk? De plantsoenmedewerker op de begraafplaats vraag ik of zijn werkzaamheden met de Pijl te maken hebben. Zijn ‘Nee,’ verbaast me enigszins.
De route van het parcours volg ik. De bochten in de buurt van de markt maken het voor toeschouwers interessant. Sommige terrassen bieden een eersterangs zicht. Ik stel me dilemma’s voor. Wel of niet rijden over de oude markt? Wel of niet de bierprijzen verhogen? Wel of niet over het nieuwe plein? Kunnen de nieuwe, ijzeren sierroosters rond de bomen een grote publiekstoeloop aan? Is de koepel niet een ideale plaats voor de speaker? Voor de huldiging? Hoe worden verkeersdrempels getackeld? Blijven de winkels open? Wordt dat met vergunningen geregeld? Wie controleert het kanon waarmee het startschot wordt gegeven? De pagina’s ‘Veiligheid’ in het draaiboek stellen me gerust. Ik lees dat zelfs rijbewijzen van karavaanrijders worden gecheckt en de mededeling ‘Geen gevaarlijke auto’s in de karavaan’ stelt me gerust. Niemand zit te wachten op monstertrucks die het publiek inrijden.
Op dinsdag, D-day, mag ik Joop Zoetemelk en Hennie Kuiper oppikken, ze zijn vandaag eregasten. Beiden zien er goed uit, bijna afgetrainde lijven. De gezichten en de stemmen herinner ik me goed. Wat een sympathieke, vriendelijke mannen. Hennie Kuiper is er als Rabo-medewerker, gastheer, lees ik ergens. Hij vertelt over zijn eerste ervaringen met de Gouden Pijl. En dat hij klanten van de bank begeleidde bij bezoeken aan wedstrijden. “De GP is altijd een heel goede ronde en dat komt vanwege het rennersveld. Vaak bepalen de financiën het rennersveld, anders komen ze gewoon niet. Renners verdienen hun geld op drie manieren: hun jaarcontract bij de ploeg, wedstrijdpremies en presentiegelden bij criteriums.” Later krijgt Kuiper een adviserende rol tussen organisatoren en renners. Kuiper kent de fietswereld van haver tot gort. En nu? Kuiper: “Ik leef gezond en ik fiets. Ik doe niet aan andere sporten. Fietsen is mijn lust en mijn leven. Jaarlijks fiets ik tussen de 5.000 en 7.000 km. Ik kom elk jaar in Emmen. Ik zet me in voor groene energie, windmolens en dergelijke. Als fietser weet je wat wind voor je kan betekenen: pure power, eerlijke energie en dat zo gezond als goud, zonder bijwerkingen.” Ik vergeet helemaal te vragen wat hij van e-bikes en ligfietsen vindt en of hij zijn benen nog scheert. Ik realiseer me dat ik met een Olympische Kampioen praat en winnaar van de wereldtitel bij de profs in 1975. Twaalf keer heeft hij meegedaan in de Tour de France, hij was ploegleider in Duitsland en de Verenigde Staten, hij was ooit ploegleider van Lance Armstrong, now we’re talking!
Vervolgens komt Zoetemelk erbij, fris na een douche. In zijn kielzog handtekeningenjagers. Zoetemelk volgt de Tour op de voet, maar de andere wedstrijden niet zo erg. Nieuws over criteriums sijpelt niet door tot in Frankrijk. Nog even theedrinken met de heren en dan naar het middagprogramma in een groot restaurant. Gerben Karstens en Gert Jakobs zijn wel aangekondigd, maar ontbreken. Ondertussen leer ik iets over de woorden zoetemelk en zoetemelks. Dagvoorzitter Herbert Dijkstra ondervraagt iedereen op milde wijze. Aan het woord komen wethouder Bouke Arends, Roelie Lubbers van de GP, Ron Klitsie van de Rabo, Joop Zoetemelk, Renate Groenewold en anderen.
Een van de gespreksonderwerpen is sponsorgelden. Ik pak een bierviltje en reken even een beetje mee. We horen dat de gemeente € 20.000,- doneert (ongeveer 18 cent per inwoner van de gemeente) en de provincie € 10.000,- (twee cent per Drent). Hoeveel zou de Rabobank doneren? Ineens herinner ik me een passage uit het Gouden Pijlarchief, ergens uit 1999, opgeslagen in het gemeentelijk archief. Daarin zegt de toenmalige bankdirecteur een sponsorbijdrage toe van ƒ 22.500,- met de toezegging dat bedrag in 2000 en 2001 met ƒ 2.500,- te verhogen. Ik reken snel uit dat als dat bedrag jaarlijks (en, geheel tegen de bancaire modus in, niet geïndexeerd) wordt toegevoegd, je in 2015 zit op ƒ 62.500,- : 2,2 = € 28.409,-. Ik neem me voor de Rabodirecteur daar eens naar te vragen.
Renate Groenewold beschrijft de verschillen en overeenkomsten in het fysiek van schaatsers en wielrenners; ik had, kijkend naar imposante bovenbenen, ook al iets gezien op dit vlak. Ze heeft een aantrekkelijk plan over de begeleiding van profrenners na hun actieve wielercarrière. Niet dat ze allemaal in een zwart gat duvelen maar hier zijn kansen en hoor ik niet ergens het toverwoord winwinsituatie? Ik bekijk Wout Poels en Bauke Mollema. Poeh, wat zouden die schoon aan de haak wegen? Aardige kerels, stuk voor stuk. Naar Bauke is al een wielertoertocht genoemd, waarvan een deel van de opbrengst naar een goed doel gaat. Na een wandeling langs de uitgebreide buffetten lopen we naar het Gouden Pijldorp. Daar wordt me duidelijk dat netwerken meer een werkwoord dan een zelfstandig naamwoord is.
De reclamekaravaan trekt voorbij. Ik heb net ergens geleerd dat reclame is afgeleid van reclamare, Latijn voor herhaaldelijk roepen. De reclame makende bedrijven vormen de basis van de Gouden Pijl. Mooie old- en newtimers roepen hun boodschappen het publiek in. Dranghekken zijn inmiddels zo vormgegeven dat toeschouwers wat worden weggehouden van wat er op het parcours gebeurt. De speakers, de jongste praat als een veilingmeester op de bloemenveiling bij afslag, wisselen elkaar af en spieken op lijsten met sponsornamen. Beeldschermen brengen de koers achter de horizon dichtbij. Enkele meerijdende auto’s demonstreren in één moeite door de vroemfactor van de uitlaatsystemen, per slot van rekening staan hier merendeels mannen, potentiële autokopers. Hier worden, voel je, deals gesloten, afspraken gemaakt, plannen gesmeed, herinneringen opgehaald, terugblikken gememoreerd, toekomstvisies ontvouwd, onenigheden gladgestreken, concurrenten een loer gedraaid, vakanties in toptienen afgezet, mkb- en vakbondsacties verguisd of opgehemeld en natuurlijk glazen geledigd en hapjes genuttigd. Heel af en toe kijken de mannen op, als stokstaartjes bij naderende reuring, bijvoorbeeld als vier hooggehakte meisjes, gehuld in vuurrode, ultrakorte, engelpakjes, compleet met scharlakenrood geverfde vleugeltjes van veren, het netwerkdorp betreden.
Hennie Kuiper en Joop Zoetemelk doen hier waar ze goed in zijn: praten met volwassen fans en met hen op de foto gaan, als profvoetballers op een open dag. Ik leer dat selfies maken niet aan pubers is voorbehouden. Joop Zoetemelk vertelt met graagte over zijn tijd in de Tour de France en hoe belangrijk criteriums voor renners zijn en omgekeerd.
Dan de wedstrijd. Opvallend is dat de rangorde in het peloton per ronde flink kan verschillen, behalve in de staart. Daar zien we vrolijk koutende renners, alsof ze hun vakanties doornemen, maar wel doorrijdend met een dikke 40 km gemiddeld per uur. Dat betekent dat ze met topspeed bij het begin van de tunnel gemakkelijk de zestig halen. Het systeem van premies is van de kant af moeilijk te doorgronden. We zien in de jurybus enkele ervaren, serieuze mevrouwen met kunstige knotten, die spelersnamen proberen in te prenten als leerlingen onregelmatige Franse werkwoorden en die de standen in de gaten houden als onderwijzeressen de laatkomers op maandagmorgen. Nauwkeurig wordt er geschreven en gestreept en gevinkt en gepotlood opdat de renners krijgen wat hun toekomt: premies, gladiolen, of…
Bij de gehaalde snelheden valt me ook iets op. In een stapel Strava-uitdraaien, ontdek ik iets opmerkelijks. De profwedstrijd noteert een gemiddelde van ruim 40 km per uur bij een parcourslengte van ruim 90 km. Even ter vergelijking: toen Van Poppel in de Eneco Toer 2015 sprintte voor de eindstreep kwam hij op een topspeed van 73 km en hij reed gemiddeld 44,6, over een parcours van 183 km. Meer dan 90 km fietsen op een warme zomeravond op een parcours met de nodige bochten, en dan 40 gemiddeld aanhouden is natuurlijk een prestatie. Die prestatie wordt opvallend genoeg geëvenaard door de vrouwen/amateurs; het gemiddelde van Marijn de Vries (24e bij de vrouwen) is bijna 40 km/u. Maar, en dit is natuurlijk opvallend, verbazingwekkend, om niet te zeggen verbluffend: de beloftes draaien bijna 44 km/u, dus ruim drie km sneller dan de profs. Er zijn speculatieve verklaringen mogelijk voor dit fenomeen. In tal van takken van sport zie je dat de reserves zich meer inspannen dan de selectie, het A-team. Nu is de afstand ook iets korter (profs: 91 km en de beloften/amateurs 79,8 km) en dus kunnen ze meer power overhouden om sneller te koersen. Ter vergelijking: ons mannenfietsgroepje op zondagochtend met een gemiddelde leeftijd van 62,5 jaar, rijdt gemiddeld 28,8. De snelste hardloper komt op 18,1 km/u.
En wist ik dat de Gouden Pijl altijd op de derde dinsdag na de Tour de France wordt verreden en dat de Pijl (met Boxmeer) het enige criterium is dat geen entree vraagt? Nee.

De stim fan wetter

De einetael van memme-ein en lytse pykjes
Draegt helder oer de romme feart
Sy boartsje op it wetter

Sjoch dêr, een kikkert kweaket lûd
En weaget syn kans op proai
Hy dreamt fan letter: grouer, fetter

In boer stapt neist de boat en flokt en sweart
Syn frou sjocht op, har eagen speie fjûr
In frommes’ lûd heart altyd better

In fisker stoarret nei de strakke tried
Is bliid en núndert seft in sangkje
Mei alles om him hinne: de stim fan wetter