Maarten ’t Hart 3: ‘Ik had een wapenbroeder’(1973) en Gronings Ontzet

 ’t Hart is met recht een oeuvrebouwer, alle elementen uit zijn latere werk komen in dit, zijn derde, boek voorbij: agressie, natuur, literatuur, seksualiteit, jaloezie, macht, muziek, travestie, godsdienst, homoseksuele aantrekkingskracht en vriendschap tijdens militaire dienst. In het eerste deel,  ‘De verhoren’ treden de bescheiden, ingetogen Ammer Stol en de praatgrage, wereldwijze Arthur Holm op. De hoofdstukken met de nieuwe, academische geschoolde, dienstplichtigen wisselen hoofdstukken af waarin Ammer door de militaire politie wordt verhoord over de dood van zijn vriend. Er ontvouwt zich een homo-erotische verhouding tussen Stol en Holm. Deel II, ‘Kleine oorlog’ gaat over een nachtelijke legeroefening. Ammer met een gereformeerde en Arthur met een joodse achtergrond, hebben diepgravende gesprekken over menselijk gedrag, agressie, lijden en verzet, dader- en slachtofferschap in (concentratiekampen en in) oorlogstijd. Ammers wens een vrouw te zijn, of althans vrouwenkleren te dragen, komt uitgebreid aan bod. Ammer in travestie betovert eerst beiden, maar allengs verandert Ammer voor Arthur in een onbenullige huilebalk, een jaloerse, verwekelijkte hysterica. Bij de eerste les in pistoolschieten gaat het mis en in de allerlaatste zin vindt het fatale ongeluk plaats. ‘k Krijg met de dag meer zin in de volgende ’t Hart.

Gronings Ontzet. Het NNO musiceert zondagavond 27 augustus op de Ossenmarkt in een tent met Love is in the Air. Ik klim op de steiger met de 3000 Watts geluidversterkers en hijs twee mij onbekende vrouwen op die ‘Mag dat?’ giebelend maar wat graag naast me komen staan en lustig lonken naar de dirigent die meer oog heeft voor Grieg, Rossini, Mozart, Bernstein, Gershwin, dat werk. Heel mooie muziek, met aan het begin, een echte regenboog en aan het eind een muzikale in ‘Over the Rainbow’ uit The Wizard of Oz van Arlen; kan het mooier? Voor Groningen betekent Love is in the Air beginnen met het veelbelovende, geile Groningse volkslied, dat nog niet iedereen kent. Dirigent Eivind Gullberg Jensen heeft zijn lief, sopraan Mari Eriksmoen, ingehuurd als soliste. In een zwart struisvogelpakje zingt ze de sterren van de hemel. Met zo’n liefdesthema hoop je dat de musici zich ook wat sexy hebben uitgedost en de partituur laten liggen waar die hoort: in het repetitielokaal. Met en uit het hart spelen, het publiek zwoel aankijken, daar hoop je op, Love Is In The Air, toch? Maar het worden weer libido-vermorzelende mat- en glimmend zwarte pakken en jurken met hoogstens een split, en ogen gekleefd aan het papier, maar of dat nu Love oplevert?

Maarten ’t Hart 2: ‘Stenen voor een ransuil’ (1971) en 4 x Noorderzon

’t Harts debuutroman is verdeeld in drieën. Deel I, ‘De hoge zwaluwen’ deed wat stof opwaaien en werd door recensenten herkend als het werk van een topauteur. De uitgever zegt: een afstandelijk en precies geformuleerd verslag van de religieuze verminking van dertigers en veertigers. Ammer Stol, zoon van rechtzinnige ouders, raakt betoverd door muziek (van Bach, Frank, Beethoven) en krijgt, eerst stiekem, en later als hij de organist in zijn vaders kerk kan vervangen openlijk, orgelles van Brikke, een wat oudere man met pedo/homo-erotische aanvechtingen die Ammer niet begrijpt. Een tragische, eenzame, komische, indringende zoektocht omtrent homoseksualiteit staat centraal. ‘Godverdomme,’ schreeuwde hij,  waarom duren die rotpreken tegenwoordig zo kort?’ Aldus Brikke, die de jongeheer Ammer aftrok op de orgelgalerij tijdens de prediking, maar Ammer wist al dat hij nooit klaar zou komen. Deel II, ‘Vluchten’, kent een heel ander verhaalperspectief omdat er een nieuwe ik-persoon optreedt met wie Ammer bevriend is. We nemen een sprong in de tijd van zeker 10 jaar naar een vakantie in Engeland. Opvallend detail: heteroseksualiteit wordt hier nog ‘normaal’ genoemd. In deel III, De zomerslaap, ontmoet Ammer Brikke weer en later volgt een weergaloze passage over een schoolklas en leraar Tipsel die het aan de stok krijgt met ongelovige leerlingen. Ammer neemt het op voor een weggestuurde Hugo. Meesterlijk. De verhaalcirkel sluit als Ammer nog een keer het huis van Brikke bezoekt.

Noorderzon Groningen 2023:

I de vijfsterrenparade van NRC en VK voor Cirque ICi van Johann Le Guillerm is terecht. Nooit zag ik zo’n betoverende, spectaculaire, verrassende, technisch vernuftige acrobatiek in een circustent, begeleid door constant nerveus druppelgeluid, piepjes en het geknisper van des acrobaats vingers en schoenengetikkietak.  We zien een keur aan buitenissige vondsten gerelateerd aan bewegings- en zwaartekracht. Het begint met een uit de nok neerdwarrelend veertje dat door Le Guillerm in de lucht wordt gehouden en eindigt met een soort mikadostokken van 2,5 meter die zonder lijm of spijkers een overkapping over de gehele piste vormen. Tussendoor nog wandelende staken, opvouwbare en in de lucht gehouden kunststof panelen, een op zandlopers gebaseerd bewegend aquarium, kortom onvoorstelbare, zelf ontworpen en gemaakte constructies.

II Wat een verschil met de geluidskunst van Bouke Groen uitgevoerd in het Provinciehuis door het Vocaal ensemble A Capelli. Zonder stoppen worden in plaats van zinnen geluiden gezongen in drie ruimtes. Moeilijk. Bijzonder! Dan is 30 minuten ook wel weer mooi.

III Margôt Ros en Jeroen Kleijne presenteren hun samen geschreven boek ‘Zeg maar Agaath’. Het echtpaar Ros/Kleijne boeit geen minuut. Ros en Kleijne paaien het Groningse publiek door de Amsterdams Parade te kleineren. Groningen applaudisseert de handen rauw. Geen reclame voor duo-auteurs.

IV Met opperste concentratie speelt Andrea Salustri met piepschuim: hij jongleert met piepschuimbollen boven een ventilator en bereikt een soort Zen-moment: stilte, ontspanning, fixatie. Van alle bezoekers daalt de ademhaling en hartslag dusdanig dat de krappe zitbankjes, geposteerd op lichaamsgrootte van miniatuur-Italianen uit de tijd dat het Vaticaan nog aanzien had, gedurende negen minuten niet onprettig aanvoelen. Salustri danst gracieus met een plaat polystyreenschuim, maakt een sneeuwbui van verkruimelde korrels en zet grote ventilatoren in die met druk en tegendruk een poëtisch piepschuimspel tonen: quasi-wandelende en zwevende platen, en hij orkestreert met vijf of zes microfoons een bijzonder soort psychedelische zenuwlijdersmuziek die enkele bezoekers naar oordopjes doet grijpen. Magisch. Kunstig. Artistiek. Apart. Interessant. Innovatief. Oplettende docenten creatieve vakken die op vernieuwing uit zijn, gaan kunnen scoren; de kunstjes lijken uiterst leerbaar. Of oceaanschoonmaker Bojan Slat blij is met deze vorm van kunst?

Maarten ’t Hart 1: ‘De Jacobsladder’ (1986)

Maarten ’t Hart 1: ‘De Jacobsladder’ (1986). In de Volkskrant krijgt schrijver Nathan Vecht de vraag welke boeken, klassiekers, hem hebben gevormd tot wat hij is. Hij noemt ‘De Jacobsladder’ van Maarten ’t Hart. Dat verrast me. Ik las het boek in 1987 en besluit het te gaan herlezen en leg Alkibiades van Pfeijffer weg. Ik ken het werk van Maarten ’t Hart goed, heb zo goed als alles van ‘m gelezen, incl. zijn dissertatie, compleet met brief aan de uitgever. Ook heb ik hem eens kort gesproken bij een bezoek aan de t.v.-studio in de tijd dat hij presentator was van een boekenprogramma in 1993.

Houd je van letterknechterij en een inkijk in de gedachtewereld van protestantse kerkafsplitsers die zowat klaarkomen op een nieuw schisma vanwege onmin over het aantal keren dat er doopwater over het kinderhoofdje gesprenkeld moet worden, over een sprekende slang of over het woord gelijk of gelijkvormig, en liever een nieuwe geloofsrichting stichten dan samenwerken, dan is De Jacobsladder een must. Vervlochten: verliefdheden van opa en kleinzoon Adriaan. ’t Hart beschrijft messcherp en liefdevol de kleingeestige cultuur van de zwartekousengemeenschap, compleet met binnen deze gemeenschap levende uitwassen als geaccepteerde incestueuze relaties en prostitutie, zaken die de naïeve Adriaan met argusogen beschouwt.

Beide boekdelen (Een noodwoning voor God en Een markgrond van roerdompen) zijn doordrenkt met natuurobservaties. En dan de alles verstikkende rol van religie, voor Ruygveen, een kommaneukende hardliner, eindigend in het gekkenhuis en een verwoest gezin achterlatend. De goedmoedige, van op een misverstand gebaseerd schuldgevoel doordrenkte Adriaan wenste hem een ladder tot de hemel. Dat ’t Hart, hij was nog jong, moeite heeft met de spelling van het werkwoord gebeuren (p 23, 29), de plaatsnaam Oudemirdum (33, 62) en sommige dialogen uitspint als iemand die niet stopt de garens van een oude trui uit te halen en tegen het eind van het boek het toeval een te prominente rol toebedeelt zij hem vergeven. Waarom ik smul van ’t Hart? Omdat ik, eerder uit een vrij- dan een rechtzinnig nest, veel herken. En sja, hoe graag gebruik ik ook niet de biblicistische formule ‘Keer weder, gemeente, keer weder’ (p 76) maar dan in de hedendaagse variant: Keer om alstublieft als ik een projectontwikkelaar of een Surhuizumer boer tot de orde wil roepen? Ik ben een Maarten ’t Hart. Op naar de volgende.

Yogafietsen, Linkse mannen, Pfeiffer

I.L. Pfeijffer wordt over zijn pil Alkibiades in het Forum bevraagd door Rense Sinkgraven die deze keer, anders dan bij Lisa Loeb, wel in vorm is. Filosoof, romancier, dichter, historicus, classicus Pfeiffer zit op de praatstoel in een afgeladen hoek van Forum. Sinkgraven heeft zowaar enkele open vragen in petto. Verder geponeerde stellingen, suggesties, of ordinaire bijval (‘Maar dat is allemaal al bekend’ en enkele keren ‘Klopt’ en ‘Ja ja’ alsof hij de maestro wil geruststellen). Naarmate het gesprek vordert verdwijnen Sinkgravens zenuwen en mijn reserves en besluit ik dat ik het boek wil lezen. Pfeiffer koketteert met zijn verlangen als een vrouw te zijn, laat zijn vijf exorbitante ringen, grijze haren en embonpoint shinen als een wulpse vrouw haar kralen op de meikermis, weet waar de lach zit en debiteert gemakzuchtig hetzelfde grappige voorbeeld als bij Buitenhof op t.v.

Fietstopsnelheden sijpelen uit me weg als libido’s uit dichtgegroeide senioren. Ik gooi het over een andere boeg: stayeren, in vijf uren Groningen – Gieten -Emmen -Ter Apel – Mussel- en Stadskanaal – Hoogezand – Groningen en dat zonder stops. Met twee koeken, één banaan, 1,5 liter ranja lukt dat 133 km lang. Een soort yoga. Onderweg mediteer ik wat & doe secretariaatswerk, schrijf dit journaal, overdenk mijn twee onhebbelijkheden, stippel strategieën uit die de verkoop van ‘Nieuw in Stad’ moeten bevorderen en neurie ik Bach-koralen. En passant vervloek ik een plofkraak-AudiQ8- rijder die me onopgemerkt wil hakselen in zijn spaakwielen en geniet ik van mijn vroegere habitat: Emmen en verre omgeving. Het voelt als weleer: een waar-de-wind-ons-voert-rit met mijn zoons. Voor de wind fietsen en dan worden opgehaald bij een snackbar met superieure frieten.

Linkse mannen heten ze. We zitten in het atrium van een wooncorporatiegebouw aan het Damsterdiep en horen dat auto’s als pleziervaartuigen zijn: 23 uur per dag aan de ketting. Kleurige stoeltjes in een theateropstelling. Dure geluidsinstallatie en een goedkope pilaar die luisteraars het zicht ontneemt als JOVD’ers het geloof in Rutte. Twee jonge, sympa, lachgrage, drukke presentatoren: Wilbert van de Kamp en Bram Douwes. Wilbert in een arbeideristische overall die zijn tatoeages op de kuiten kek accentueert drinkt tussen de gesprekken door bier uit de fles, en Bram, in een modieus pakje, die drie keer vertelt dat hij in de Gerbrand Bakkerstraat woont. Gastsprekers met enkelsokjes en ultralange overhemdsmouwen en broekspijpen uit de tijd dat extra stof altijd handig was mocht je iets willen vermaken of je zoon op een bij je pak passende hoody willen trakteren.

We horen over een Verkeers Circulatie Plan 2.0. En over Groningen dat graag autoluw wil worden, maar dat, als een puber die met pilletjes wil stoppen, nog erg lastig vindt. Gespreksdeelnemers wordt gevraagd naar autobezit. Zowat iedereen zegt, beschaamd, ja. ‘Waarom deel je geen auto met je buren?’ wil ik aanmoedigend schreeuwen, maar het keurige publiek wordt wijselijk buiten de discussie gehouden en aan insprekend roepen vanaf de tribune is men niet gewend. Groningen maakt stapjes, horen we. We zijn zelfs gidsstad voor Stockholm, Antwerpen en Barcelona. Qua fietsvriendelijkheid verslaan we 010 en 020. Na afloop fluisteren we Bram in dat parkeerruimte afhankelijk maken van deelauto-initiatieven niet voorbij gekomen is.

Een Duitse week met Benneckestein, Bach en De Ploeg

‘Een Duits meisje van Heidi Benneckenstein’ (Mijn leven in een neonazifamilie) herlezend, leert me dat er vlakbij, te weten in West-Duitsland en relatief kortgeleden, het boek is van 2017 en de auteur werd in 1992 geboren, neonazistischhe kinder- en jeugdkampen waren, opgericht naar voorbeeld van de Hitlerjugend. Heidi was lid van de Heimattreue Deutsche Jugend en was, zoals ze het zelf zegt, een nazimeisje. In haar omgeving werden kinderen völkisch opgevoed en kregen een paramilitaire scholing. Kleding, boeken, opvoeding, alles ademde een verstikkende, nare walm waaraan ze zich op haar negentiende ontworstelt. Waarom herlees ik het boek? Op vakantie in Oostenrijk leren we dat in Oostenrijk naast het verschrikkelijke concentratiekamp Mauthausen nog 40 zgn. nevenkampen waren. Ik wil doorgronden waar het vandaan komt dat grote groepen mensen rechtsextremistische ideologieën aanhangen. Benneckenstein lezen is een eye-opende aanrader.

Het wordt sowieso een Duitse week. We begonnen met Bach in de Martinikerk. Organist Erwin Wiersinga speelt, afwisselend met Leo van Doeselaar, het complete orgelwerk van Bach. Dit is het negentiende concert. Met vriendin E. ga ik er eens voor zitten. Het verlangen naar de muziek maakt de kerkstoelen tot fauteuils. Het Agricola/Schnitger/Hinsz-orgel glimt in het avondlicht, alsof de koster uren in de weer is geweest met een potje De Vries’ Zuivere Wrijfwas. 3500 pijpen, 53 registers, kijk en verwonder je, luister eens: hoe barok wil je het hebben? Al jaren plaatst de Volkskrant dit orgel op de eerste plaats. Misschien wel van de wereld. We genieten van de muziek. Heerlijk. Na een uur staan we op, kijken elkaar vrolijk aan en zeggen: wat hebben we gehoord? Veel was nieuw. Naast de voor een deel overbekende koralen schreef Bach ook veel vrij werk en dat vergt wat tijd om te doorgronden vanwege de complexiteit, maar wat mooi. Caleidoscopisch komt misschien het dichtst in de buurt: je houdt een koker voor je ogen met allerlei vormen en kleuren, je draait eraan en er verschijnen wondermooie vergezichten. En dit dan via de oren. Zo ongeveer.

Schreuder

Meer Duitsland. We fietsen naar Coldam, tussen Weener en Leer en bezoeken een expositie van tien

Jonkman

Ploegleden. Waarom we dit de beste Ploegexpo tot nu toe noemen? Vanwege het getoonde werk: veel en soms nieuw. Vanwege de combi Ploeg naast glaswerk van glaskunstenaar Vincent van Leeuwen.  En vanwege de schitterende locatie: een oude, maar goed geconserveerde schuur en paardenstallen. Jonkman komt met expressionistisch werk dat ik niet van haar kende, Veldhoen verbaast met prachtige abstracten, Schreuder schildert mooie, eenvoudige kerkgebouwen met sprekende kleuren, Cornelius heeft driedimensionale miniaturen. Alkema, Buigel Boering, Van den Berg, Van der Wal, Klaveringa en Breunis maken het tiental compleet. Er lopen draden van Ploegers naar de Duitse expressionist Kirchner. Oude draden: Jan Wiegers leerde Kirchner begin vorige eeuw in Davos kennen en nieuwe: huidige Ploegleden die zich door Kirchner laten inspireren.

Lezen, Lijstjes & Anjet Daanje

En de winnaar is… Anjet Daanje, zo zal de door Beatrice de Graaf uitgesproken uitslag van de Libris Literatuur Prijs luiden op acht mei waarna Daanje een cheque van 50K krijgt. Ik lees nu Sedaris’ ’Wanneer je omringd bent door vlammen’ een boek dat ik jaren geleden kreeg van een zoon of een vriend. Altijd blijven liggen op een stapel ongelezen. Waarom? Vanwege de schreeuwerige omslag? Omdat ik niet had gezien dat Sylvia W., Paulien C. en Aaf B.C. het boek aanprezen? Of omdat ik zag dat er geen man tussen de aanprijzers zat? Leuk boek. Komt op een lijstje: Vlot, dagboek, humor. Ergens op plaats acht. Nee zeven vanwege de grenzeloze fantasie (lees over vreemdgaan na je dood op p 221).

Lijstjes. Mooiste fietsroutes, argumenten republicanisme, tuinvogels, interessante, niet per se mooie, vrouwen, Volkskrantcolumnisten, bloeiende planten, Friese woorden, politica’s,  Groningse woorden, organisten, voetbaltrainers die het dankzij hun ooit voltooide lerarenopleiding haalden, vakanties, geslotenvragenkoningen, schadelijke religies, vakantielanden die je echt moet mijden, mislukte ex-voetballers als trainer, vijfminutengerechten: veel van wat ik om me heen aantref vat ik in lijstjes. Lijstjes, net als talen leren, trainen mijn geheugen en houden dementie buiten de deur.

Lijstjes veranderen. De laatste tijd schudden, shuffelen en trillen ze als stenen in slecht gemetselde Loppersumse muurtjes. Tot zo’n vijf jaar gelden prijkte er slechts één vrouwennaam in mijn toptien van Nederlandstalige auteurs. En dan nog enkel omdat ik vond dat er een vrouw en als het kon een dichteres (het werd Vasalis) in hoorde, net als er een Fries (dat werd Wadman natuurlijk) in hoorde.

Vijf jaar gelden veranderde alles. Lize Spit penetreerde mijn toptien met de snelheid van een met nieuwe vleugels uitgevoerde dartpijl op basis van één titel: Het Smelt (2016). Drie jaar geleden was het Marieke Lucas Rijnevelt met ‘De avond is ongemak’ (2018) en ‘Mijn lieve gunsteling’ (2020) en nu, na lezing van ‘Het lied van ooievaar en dromedaris’ (2022), is het Anjet Daanje. Ongelooflijk. Bizar. Meesterlijk. 11 novellen die het stuk voor stuk presteren meer dan overeind te blijven en samen een ijzersterke roman vormen, die je wekenlang in de ban houdt. Slechts één spelfout (hartvochtig). Onwaarschijnlijke (familie)relaties in Engeland en Groningen. Van eind 18e tot 21e eeuw. Nooit eerder las ik een boek als dit. Thomas Rosenboom, Jeroen Brouwers, Maarten ’t Hart, Tommie Wieringa, Vasalis, Wadman en Hermans krijgen een nieuwe plaats. Waarom gasten als veelschrijver Grunberg en poseur linksekerkschrijver Buwalda zelfs niet in de buurt komen, spreekt vanzelf.

Roald Dahl Matilda

Roald Dahl Matilda, 39e druk 1999 (in de vertaling van Huberte Vriesendorp)

Dahls mensbeeld geanalyseerd aan de hand van zijn gebruik van adjectieven, scheld- en schimpnamen

Matilda lees ik voor het eerst in 1990. Moe van de rolbevestigende A. M. G. Schmidt, Enid Blyton, Anne de Vries en Hotze de Roos komen auteurs als Jan de Zanger, Tonke Dragt, Miep Diekman en vooral Roald Dahl in beeld. Roald Dahl is een verfrissing. Kinderen overvleugelen volwassenen en Dahl hanteert een duidelijke en voor kinderen en volwassenen aantrekkelijke, bloemrijke, taal. Maar vooral de thematiek spreekt leerlingen aan. Zijn boeken zijn apart, fantasierijk, verrassend, magisch, humoristisch, niet-politiekcorrect, griezelig, soms wreed; alle eigenschappen die zijn lezers, jong en oud, waarderen. De meeste boeken van Dahl lopen goed af.

Ha, het is tijd voor herlezen, want er is reuring omdat een clubje ‘sensitivity-readers’ de Engelse uitgever gevraagd adviseert bepaalde woorden in Dahls boeken te vervangen. Het gaat hier niet om Dahls vermeende antisemitische taalgebruik, waarvoor de familie in 2020 excuses aanbiedt, maar om adjectieven die personen nader negatief duiden.

Kernvraag: zijn die woorden aanstootgevend of beledigend? De pers geeft voorbeelden. Dik wordt enorm, kleine mannetjes worden kleine mensjes. Overigens is het fenomeen van taalaanpassing niet nieuw, het gebeurde eerder ook bij Astrid Lindgrens Pippi Langkous. Is er sprake van censuur of gaat het om een gemoedelijke kuising?

Laat eens kijken. Dahl staat bekend om veelzeggende, pesterige scheldwoorden en een uitgebreide toepassing van bijvoeglijke naamwoorden. Welke adjectieven gebruikt Dahl als hij een leesgraag vierjarig meisje, haar ouders en haar juf beschrijft? Om zwatelend napraten te voorkomen herlees ik Matilda en pak de pen erbij.

Matilda’s ouders en het schoolhoofd noemen Matilda “het walgelijkste mormel, afgrijselijke spruit, volslagen onbenul, irritant meisje, giftig krengetje, ijzige schoonheid, een korstje, onnozel, onbenullig, lawaaierige kletskous, verwend nest, klein donkerharig figuurtje, een heel speciaal geval, smerige kleine wandluis, vies luizeëi, walgelijk loedertje, miezerige mossel,” en meer. Haar juf noemt haar: ‘fantastisch, briljant, buitengewoon, extra gevoelig, wonderkind, genie, wiskundig brein, beminde spruit, een lezend klein meisje, uitzonderlijk voorlijk, bescheiden.”

Opvallend is de strijd die wordt gevoerd tussen een jong Dickens, Hemingway en Kipling lezend meisje en haar vader die zich op fraudeleus handelen laat voorstaan en zijn vrouw bij gelegenheid een ‘stom sekreet’ noemt en zijn dochter ‘een klein dom mormel en een stom klein, achterbaks loeder’. Aan de andere kant zit Matilda hem altijd schaamteloos op te jutten en zint ze op wraak; Dahl verzint hier een schitterend thema: een kind dat de ouders en later het schoolhoofd (die tegelijk juf Marij’s tante is) gaat straffen. De lezer hoopt en voelt dat zij ‘met haar fantastische, subtiele brein’ en haar later ontwikkelde tovenaarskwaliteiten het gaat winnen van haar vader, het ‘ratachtige mannetje’ met zijn ‘rottige tweedehands auto’s’ en de door alle leerlingen gehate juffrouw Bulstronk.

Hoe komt de vader er bij Dahl vanaf? Een voddenman die een luid mannelijk gegrom, gehijg en gezucht laat horen als hij zijn hoofd masseert. Hij noemt zichzelf geniaal en slim en de anderen sukkels en stommelingen en zijn dochter is een leugenares en bedriegster, die zeker geen goed antwoord kan geven. De moeder schijnt emotioneel en lichamelijk uitgeput te raken van bingomiddagen, is alledaags, plomp, met een zelfvoldaan pafferig puddinggezicht.

Dan de juf, Marij Engel, een slimme, onversaagde, slanke, frêle, wijze, jonge vrouw, romantisch en wees.  Directrice Bulstronk, Vorstin der Duisternis, Grote Giftige Cobra, Vurige Draak, menselijke bom, is een oud-kogelslingeraar, een reuzin met een rode stierenek, een paardegezicht, een paddelijf, die kleine kinderen weerzinwekkend noemt, nutteloze dwergen, ongedierte, nagels aan de doodkist, vieze rupsen, en ze haat en ze voor straf in een stikdonker stikhok met glasscherven en spijkers stopt. Dan nog wat medeleerlingen: Lavendel, Hortensia, Ollie Bobbelfluit, Julius Rotswinkel, Amanda Trip en Bram Bokkepoot die er wel erg slecht afkomt met een dik pafferig gezicht, en het verder  moet doen met de kwalificaties: stuk ongeluk, schobbejak, smerig pokkejoch, giftige steenpuist, walgelijke misdadiger, onderwereldfiguur, lid van de mafia, dief, struikrover, piraat, schelm, bandiet, miserabel stuk verdriet, misselijk wangedrocht, gauwdief, inbreker, ladenlichter, bokkepoot en tenslotte nog Nico Haaks: misbaksel, een stuk vuil, wandelende bacteriefabriek, stomkop, Primula en Robert: stomme slijmerige slak, hersenloos stuk onkruid, holhoofdige hamster, onnozele snottebel, kronkelende worm en als laatste Erik Inkt: onbeschofte flerk, giftige pestbuil, maar toch ook interessant en ondeugend. De schoolkokkin heeft verdroogde levenssappen en is een verdroogde schoenveter.

Aldus Dahl. Wat we zien is een tsunami aan verschillende bijvoeglijke naamwoorden en scheld- en schimpnamen. Je zou denken dat de hoeveelheid de scherpte van de woorden afvlakt. De verzameling wordt curieus, lachwekkend en doet geen pijn. Opvallend is Dahls preoccupatie met dik of slank zijn, waarbij de eerste groep het aflegt tegen de tweede. Maar aanstootgevend of beledigend? Oordeel zelf.

Gezienus Omvlee Licht over Nederland (€ 14,- Uitg. Ter Verpoozing)

Dat Omvlee voor de omslag niet koos voor het veenlijk uit Yde maar voor een zedige schets en profil van de mysterieuze, elders ook wel sensueel afgebeelde Mata Hari komt denkelijk door zijn (partiële) Friese roots en zijn marketing-technisch inzicht. Het is een schitterende bundel geworden met zeer mooie illustraties van schoonzus Hanneke. Bij e l k  vers maar liefst. Wat kan dat mens tekenen zeg. Treffend en raak, soms humoristisch, altijd verduidelijkend, met als beste die bij ‘2004 Moord op Van Gogh’.

In de categorie Light verse, plezierdichten, staat Gezienus Omvlee in een rijke rij met Drs P, Torn, Weemoedt, Beltman, Stip, Rawie, Dorrestijn, De laat, De Wijs, Van Wissen; er zijn mindere rijtjes denkbaar.

De jaartallen hebben bij ‘Licht over Nederland’ de functie van paginanummers. Aan de titel herken je de grefo invloeden uit auteurs jeugd. En wat een leuke lamp laat broeder Omvlee schijnen over de donkerte. Als een straatmaker die ingewikkelde geometrische vormen in een stoepje slaat, als een ICT’er die ritmisch bits en bytes placeert, zo is Omvlee in de weer geweest met bloemrijke al dan niet beklemtoonde woorden, zinnen met verrassende wendingen, interessante betekenisverschuivingen, originele vondsten; kortom woorden en zinnen die samen een beeld vormen, dat de lezer een lach om de lippen doet krullen, hem/haar na de eerste lezing die 35 minuten duurt, nog een keer laat lezen & kijken en bovenal elke keer doet verwonderen en zacht laat smiespelen: godver, hoe flikt hij ’t toch steeds weer. Dat het onderwerp geschiedenis is, een onderwerp dat niet bepaald tot de dagelijkse levensbehoeften van de dichter behoort, ach wie maalt daarom? De pijn van het onpoëtische onderwerp wordt immers meer dan vergoed door de illustraties van Hanneke.

2004 Moord op van Gogh

101, nee, bij hertelling 102 strak georkestreerde of gekorsetteerde verzen, het is alsof je achterin een auto zit en naar buiten kijkt en steeds de ritmische tik van een iets verdikte middenstreep voelt, die dan weer eens ferm en dan weer licht klinkt en voelt. Ollebollekes, sonnetten, pantoumen en meer  tonen dat Omvlee het hand- en hersenwerk beheerst. Omvlee begint vanaf 300.000 voor Chr. en eindigt in 2018. Hij botst van grote naar kleine, van internationale via geopolitieke naar nationale en regionale en van bekende naar onbekende historische namen en gebeurtenissen, bijna altijd met een twist, een slag, een draai.

Goed moment ook voor deze publicatie. Op de achterflap gaat marketeer Omvlee door met: Stikvol geschiedenis / Kostelijk bundeltje / Prachtig cadeau / Ook voor als men verjaart / Blijft door de inhoud en / Materiaalkeuze / Ook antiquarisch / De aanschafprijs waard. En zo is het!

Lale Gül ‘Ik ga leven’

Als in een debuutroman de tirannieke moederfiguur stelselmatig Karbonkel (de Kakkerlak) wordt genoemd en daarna zure zeverzak, takkewijf, belligerente bloedhond, zieke psychopaat, controlfreak, Droogstoppel, onnozele, achterlijke, bekrompen en simpelzielige vuige ezel uit het boerengat van Turkije, minderwaardig mens, analfabete verwekker, zeloot, hofmaarschalk, belichaming van het kwaad, lotgenoot in het mutsenparadijs, secreet, dan weet je het wel. Desondanks blijft ze de woorden Oma, Vader, Moeder consequent met een hoofdletter schrijven en volgt na de woorden ‘Allah en zijn profeet’ dociel ‘vrede zij met hem’.

Güls autobiografische debuut heeft ontegenzeglijk sterke overeenkomsten met Özcan Akyols debuut ‘Eus’. Beiden hebben Turkse roots en beiden studeren/studeerden Nederlands. ‘Ik ga leven’ en ‘Eus’ rekenen allebei af met het despotische religieuze en culturele gedachtegoed uit het Turkse nest. Beiden kunnen goed schrijven. Soms voel je dat Gül moeite heeft bepaalde fragmenten klein te houden. De schoolreis naar Rome en de seksuele strapatsen met vriend Freek krijgen heel veel ruimte. In filosofische reflecties over leven, liefde, relaties, geloof, angst en waarheid betoont de 24-jarige Gül zich een wijs mens. Religie, mits beperkt tot je privéleven is okee. Maar buiten de persoonlijke levenssfeer verwordt het tot een potentieel existentiële bedreiging voor de vrije open samenleving. Dixit Gül.

Gül beschrijft het leven van Büsra in een niet-begrijpend gezin met gevoelloze ouders en oma die zich meer gelegen laten liggen aan de groepsopvattingen van de bijna analfabete sociale clan en de bloed en zuurstof afknellende koran dan aan het geluk van de kinderen. In dit boek staan ‘zelfrespect ontberende kechs’ lijnrecht tegenover alle mogelijke vrijheden consumerende ‘snikkeldragers’. Gül strooit met tegeltjeswijsheden die je niet op veel tegeltjes zal tegenkomen, bijvoorbeeld: Talent is weigeren te zwijgen, Beschaving is je beter gedragen dan je bent en Hoe dikker de wilg hoe holler.

In commentaren wordt Gül verweten een formalistisch, archaïsch taalgebruik te hanteren dat niet zou passen bij de jonge gebruikers. Gül toont hiermee aan dat ze gestudeerd heeft en belezen is. ‘Vrouwhumiliërend, cronyïsme, pieus, indulgent, oblomovistisch, occuperen, repugnant, promiscue, nihilistisch, oriëntalisme en belligerent zijn inderdaad geen woorden die je in driestuiverromans tegenkomt. ‘Ik ga leven’ is dan ook geen driestuiverroman.

Dat haar familie en de sociale groep waaraan ze is ontsproten haar heeft verstoten vanwege de openhartige schrijfstijl zal niemand verbazen en de ophef erover zal de verkoop (terecht) bevorderen. Gül is slachtoffer van de vrouwonterende, islamitische, despotische cultuur waarin de wetten van de koran, aan kinderen opgedrongen op koranscholen, centraal staan. LHBTI-discriminerende grefo Gomarusscholen met hun reli-wappies zijn hiermee vergeleken verlichte onderwijsinstituten. Waar Akyol met Eus blijft steken in de categorie van oppervlakkige schelmenroman plaatst Gül met Ik ga leven zich bij vlagen in de buitencategorie van filosofische ontwikkelingsroman. Het is te hopen dat Gül blijft schrijven en niet wordt ingelijfd door het op de loer liggende team van Wilders.

Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling


Als ik Lubbers’ Zuidenveldkroniek lees voel ik me als een kind dat door een caleidoscoop kijkt: steeds zie ik wat nieuws. Een foto op pagina 275 symboliseert het Zuidenveldgevoel treffend: vijf mannen zorgen ervoor dat een vastgelopen aanhanger weer vlot komt: met vereende krachten iets tot een goed einde brengen, dat typeert dit feest. Roelie Lubbers-Hilbrands beschrijft in Kroniek van de Zuidenveldtentoonstelling 1920 – 2020 de zuidenveldtentoonstellingen in al zijn facetten. Het zou mij niet verbazen als bij de eerstvolgende Zuidenveldtentoonstelling een platte kar aan haar is gewijd: haar lach en blonde lokken met duizenden maiskorrels, graanstengels en een keur aan bloemen op een plateau uitgelicht. Het boek is opgedragen aan enkele familieleden en, hier zien we Lubbers de diplomaat, aan alle deelnemers, medewerkers en bezoekers: het volk van het Zuidenveld.

Wat een immense klus moet het zijn geweest om de 100 jaren Zuidenveld te boekstaven, elk jaar op twee pagina’s, met er tussendoor beschrijvingen van het volgende decennium. In 304 pagina’s, zo’n 1.800 gram papier, boordevol tekst in gevarieerde lettertypes en foto’s, vanaf 1973 ook in kleur, sommige zelfs met watermerken, vertelt zij de historie. Overzichtelijk gerubriceerd en uiterst volledig: tot en met de jaarlijkse cateraar aan toe. Prijswinnaars, advertenties, bezoekersaantallen, financiële overzichten, bestuurssamenstellingen en meer.

Bij de decenniabeschrijvingen typeert Lubbers de historica de tijdgeest bondig en to-the-point. Van democratisering in de jaren zestig tot het homohuwelijk in 2002, velerlei maatschappelijke veranderingen komen voorbij die de landbouwtentoonstellingen inbedden. Al lezende voltrekt zich de geschiedenis van het boerenbedrijf met daarin een prominente rol voor de dieren en de boeren. Ertussendoor lezen we over de economische ontwikkelingen in de agrarische sector, de rol van de vrouwen, de oorlogsperiode, belangstellende hoogwaardigheidsbekleders, de regionaal-geografische ontwikkelingen en heel veel faits-divers die het boek leesbaar maken en houden. Van de vele foto’s is verreweg de mooiste die op p 61 met gelooide koppen van het prototype van Zuidenveldgangers: stoere mannen met petten.

Een speciaal onderdeel van het Zuidenveld zijn de versierdewagenoptochten en de versierde straten met de erebogen als hoogtepunten. Ik zie nog mijn oude buurman maanden voor het feest in Sleen in zijn schuur honderden vlinderfiguren voor de straatversiering lassen. Met veel gemeenschapszin en het inleveren van sloten vrije tijd, werd met man en macht gewerkt aan de gezamenlijke presentaties.

Missen we dan niets? Zeker, het boek was nog leuker en vollediger geworden als Roelie Lubbers anderhalve bladzijde had ingeruimd voor de keerzijde van de medaille, de achterkant van het gelijk. De ontwikkelingen in het boerenbedrijf gaan snel en het wordt allengs duidelijk dat die ook nodig zijn. Iedereen heeft in zijn familie wel een neefje dat een werkstuk over mest- of kalverfraude, Round-up en de miljardenclaims tegen Monsanto moet schrijven of een in Wageningen studerend nichtje dat op elke verjaardag van oom Annechienus de discussie aanjaagt met irritante vragen over biologisch boeren, het zielige van afgesneden staarten bij Belgische paarden, de circulaire landbouw van Carola Schouten en de ontwikkelingen in het dierenbevrijdingsfront, waarvan zij aspirant-lid is geworden. Het is jammer dat Lubbers de kritische geesten die binnen elke politieke partij te vinden zijn op p 7 zuurpruimen noemt. Niet zelden betreft het mensen met een agrarische achtergrond die het beste voor hebben met de boeren. Veel meer dan gratuite sympathie verdienen boeren het kritisch en met respect gevolgd te worden. Op p 253 volgt een licht herstel en komen dierenwelzijn, boerenprotesten en ecologische duurzame landbouw aan bod. Iets uitgebreider was aardig geweest en had meer recht gedaan aan de veranderingen die het boerenbedrijf te wachten staat.

Maar voor de rest: Roelie, chapeau! Ik ben nu al nieuwsgierig naar de eerstvolgende coronavrije versierdewagenoptocht in 2021 in Schoonebeek.