Nieuwe inwoners

Haar winterkleed gaat in de zak voor Polen,
Hij past de zomerjas die Emmen heet.
De ijssalon is als een smaakmagneet;
Toyisten zijn de nieuwe gladiolen.

Het leescafé, de oude melkfabriek
Vervangen glas-in-lood en bleke beelden.
Een paarsbepruikte nimf met billenweelde
Danst in de eredienst op jazzmuziek.

Het stadsbestuur staat klaar met gratis koek,
Een bronzen brassband steekt de loftrompet.
Men toont de plannen voor een nieuwe look
Die Emmens stadshart op de kaarten zet.

Het kost wat, maar dat doet ook het silhouet
Van afbraak, neergang, krimp en vorstverlet.

Reigers in de dierentuin

Verdwaalde reigers in de dierentuin:
De nieuwe burgerservicenummerlozen.
Ze zitten wat, ze denken, praten, vozen;
De lange snavels recht, de koppen schuin.

Hun vale, paarse, blauw is eerder grijs.
Ik tel er zeven, of toch acht, nee zeven,
Acht is een aap, één zonder hondenleven,
met elke dag een vrij entreebewijs.

Ze snaaien verse vissen bij de vleet
En schuilen schichtig bij de nachtverblijven.
De koude mist verhult hun lange lijven,
Gastvrijheid is hier gratis, kamerbreed.

Ze hopen dat de zoo nooit weg zal gaan,
Maar nu en eeuwig hier blijft voortbestaan.

Op fietse naor Emmen

Niet meer van deze tijd, voorbij, verworden;
Er zijn veel dingen waar je zonder kan:
Kwakzalverij, Hemelvaart, ramadan,
Een roomse rector zonder paapse orde,

Ledlichten onder oude lampenkap,
Bermen maaien, vlaggen zonder pompeblêden,
Staartbot, encyclopedie, waterschap,
jagershut, twintig soorten Sandwich Spreaden,

‘n Koning, schaamluis, Argentijnse koningin,
Borsthaarschaar, kraantjeskan en tussenzin,
Griepprik, omroepgidsen, blauw bakeliet.

Maar zonder boek, Bach, op fietse naor Emmen,
Kibbelingen van de markt, vrouwenstemmen,
Koormuziek, sportbeha’s, gaat leven niet.