Naar André Rieu

De oudjes doen het goed. Springsteen in zijn afgedragen kloffie in Amsterdam, Rieu met de kleurige, wijdejurkenparade in Maastricht. Maar Rieu zit ons dwars: wij willen naar of vanuit Maastricht fietsen als André er concerteert waardoor alle hotels mudvol zitten. Nog een probleem: de fiets moet als het effe kan mee op de kamer. Is juli de goede maand?

Mijn fietsdoelen zijn ASML-koersen: ze stijgen gestaag. Mijn benen als whisky: met de jaren beter. De wat langere fietsroutes beklijven het beste en zorgen voor mooie herinneringen. Eind vorige eeuw fietsten we op zondagmorgen vanuit Sleen naar waar de wind ons bracht. Zoons Maarten en Mees op kinderfietsen van André Janszen en ik op mijn Gazelle. En dan uitkomen in Valthermond, De Krim of Westerbork waar we in een snackbar het adres naar huis doorbelden om opgehaald te worden. Of na de fietsvierdaagse alle routes nog een keer op één zaterdag doen. Met Maarten en/of Mees de elfstedentocht rijden, op één dag of verdeeld over drie, het Pieterpad zuid noord of Maastricht Doetinchem. In 2023 met Inge Passau – Wenen langs de inspirerende Donau.

Nu dus – met ploegleider Mark – op naar de stad van Rieu op het Vrijthof. ‘Nee, gezonde spanning,’ zeggen sporters als je vraagt of ze voor de finale zenuwachtig zijn. Niet eerder fietste ik op één dag 325 kms. Wel 225. Soms, mijn eerste winterfietselfstedentocht met Frans (2020), zelfs onder barre weersomstandigheden. Die met Mark (2022) was al bijna voorjaarsachtig en die in 2023 met Michel was moeilijk met extreem harde wind. Nu dus een 325-er. Ik heb het -net als maaien met de zeis- nog nooit gedaan, dus denk ik dat ik het wel kan.

Hierbij vergeleken vallen de kortere routes met Rob, Willy, Frans, Mark, Ammer, Ritske en Henk, de Noordenveld-rit, de Oldambt- of Reitdieproute, de Bouke-Mollema-tocht, de Gouden-Pijl-route, qua zwaarte en intensiteit in het niet: gezellige Spielerei. In de voorbereiding tufte ik al eens 200 bij 28°. Buienradar voorspelt een westenwind kracht 2. We knippen de 325 in vijven: 75, 60, 60, 60 en 70 kms. Drie pauzes van 30 minuten, één van een uur. Vandaag een laatste training, een rondje Zoutkamp, Hornhuizen, Pieterburen met 1,8 kg bagage in een rugzakje. Ik imagineer/visualiseer de eerste etappe Limburgwaarts en zie zuuurstokroze jurken van Rieus zangeressen in de verte.

Maarten ’t Hart 43 ‘Het psalmenoproer’ (2006)

Een zeer interessante historische roman, beginnend in 1739. De beschreven problemen voeren ons naar nu. Kerkelijke ultra’s hebben moeite met het loslaten van Datheens langzame muzieknoten en komen in opstand. En passant ventileren ze als gele-hesjes avant la lettre andere maatschappelijke grieven. Vissers krijgen moeilijke tijden omdat de haringvangsten op en neer gaan.

Hoofdpersoon Roemer trouwt tegen zijn zin met een onder de rokken stinkende Diderica Croockewerff aan wie hij wordt gekoppeld door beider ouders die in hem graag een reder van vier schuiten zien. Maar Roemer raakt in de ban van de lekker ruikende roodharige Anna. Roemer is bevriend met Thade, zoon van schoolmeester Spanjaard. Diderica is fysiek zo afstotelijk is dat van nageslachtproductie, het consumeren van het huwelijk, geen sprake kan zijn. Het komt wel tot vleselijke conversatie als hij Anna bij de dijk tegenkomt. Uit deze ontmoeting komt Gilles voort. ‘t Hart heeft zich de taal van de 18e eeuw eigen gemaakt, deels onder invloed van het Frans. Op één blz. lezen we: bisbilles (gekibbel), pericliterend (in gevaar brengend), troubles preveniëren (voorkomen) en bannissement (verbanning).

Acht jaar later is er een discussie over de melodieën van kerkliederen. Zingen volgens Datheen dreigt te worden ingeruild voor ritmisch. De haringopbrengsten staan onder druk en Roemer bepleit in Den Haag betere prijzen. In een hotel onderweg hoort hij een musicerend kind dat Moot Sart heet spelen. Van Anna hoort hij dat zijn zoon dwars en ongemakkelijk is: linkshandig en ongeschikt voor de visserij?

Zeven jaar later. Nog steeds is er veel gedoe over de kerkelijke muziek en de problemen in de haringvisserij. De jongeren in Maassluis worden recalcitrant en verstoren kerkdiensten waar te snel wordt gezongen. Ook de zoon van Roemer, Gilles Heldenwier, laat zich gelden. Later, bij wassend water, dreigt het stadje onder water te lopen. Er wordt gemompeld dat het een straffe Gods is. Twee jongemannen, waaronder Gilles, hakken de masten om om schade te voorkomen. De boten zijn daarna zo goed als onbruikbaar. En Roemer, wiens verdiensten toch al onder druk staan, raakt twee vissersboten kwijt.

In een vergadering wort voorgesteld te gaan zingen op gemiddelde tonen, maar de woede van tegenstanders neemt niet af. Er ontstaat een psalmenoproer waarbij voorstanders van de korte noten worden aangevallen. Roemers eiken voordeur wordt door Gilles aangevallen. Op een bepaald moment zijn er 200 activisten die zich agressief teweerstellen tegen de snelle noten. Ook lees je dat het ook om andere zaken gaat. De vergelijking met onze gelehesjesactivisten dringt zich op. De onvrede gaat onverminderd door, nu zijn er 500 ontevredenen. De schouten en schepenen gaan klagen bij de baljuw in Delft. Vanwege deelname aan ordeverstoring wordt Gilles voor 12 jaar verbannen. Roemer wordt burgemeester en neemt Anna in huis als huishoudster, maar de relatie met zoon Gilles verbetert niet.

Luthers Bach Ensemble in de Akerk met Bach en Händel

Heerlijk, een concert dat nog geen uur duurt. We luisteren naar muziek van J. S. Bach en G. F. Händel (in het programma ook Handel en Hendel genoemd). Elf sponsoren maken deze avond mogelijk. Zoals bij veel vermaak is het voorspel van belang. Dat begint buiten op straat al met schitterende fotografie over het onderwerp ‘queer’, een visuele liefdesbrief aan de veerkracht van queer mensen. Niets verbloemend, informatief, duidelijk en vaak vrolijk. Voordat we naar binnen mogen voedert een senior enkele ongeduldige doffers en duivinnen die tegenwicht bieden aan jonge brutale kraaien.

Binnen staan de blauwe stoelen klaar. Organist Bronda warmt ons op met muziek van Bach op de grand-old lady, de majestueuze Schnitger. Behandel haar voorzichtig jongen, houd haar heel, denk ik nog. Er volgt aarzelend applaus. Dat is de makke van klassieke muziek, je weet nooit wanneer je mag applaudisseren, je zou de concentratie eens verstoren. In de kerk worden we enkele eeuwen teruggeworpen. Het contrast met buiten is immens.

We luisteren met veel genoegen naar countertenor Van Laar. Ik neem me voor hem niet te vergelijken met Andreas Scholl. Van Laar stelt niet teleur, wow, wat een zanger zeg. Misschien soms nog wat te ingehouden? De bijgeleverde teksten leiden wat af. Waarom zou je het Italiaanse ‘Ma dove andrò? (‘Maar waar zal ik <naartoe> gaan?’) vertalen als ‘omdraaien, (af)buigen’, het Engelse ‘turn’? In het koor zien we één zanger (en niet de jongste van de groep) met een tablet i.p.v. de oude, stoffige multomap.

Luisteraars die op tekstinhoud zijn gespitst hebben een taai uurtje.  Gek, een deel van de teksten is in het Engels, een ander deel in het Nederlands vertaald. De teksten verraden de herkomstregio. Het is al moord, doodslag en andere wreedheden wat de klok slaat. Je vraagt je af hoe lang het duurt voordat het LBE het aandurft eens wat te vloeken in de kerk en hedendaagse tekstschrijvers, nee ik zeg nog niet rappers, loslaat op de muziek van Händel. Welk effect zou dat, mits goed gesocialmediaad, op de publiekssamenstelling kunnen hebben?

Na de twee aria’s met Van Laar, het pièce de résistance: het mooie Dixit Dominus. Zo goed als onverstaanbaar maar des te prachtiger gezongen en gespeeld. De in antiek-zwart gestoken junioren van het Prins Claus Conservatorium schitteren als de door de raampjes kierende zon of de jurken vandaag op het Haagse bordes. Dirigent Bronda gesticuleert wat, maar of ze hem nodig hebben? En dan die (gaaap) teksten. Naast de gebruikelijke verdelgingen, verplette hoofden, vijanden die tot voetenbank worden gemaakt (!), deze keer wat soft porno (ex utero, ante luciferum, genui te). Ante luciferum, toe maar weer. Amen.

Maarten ’t Hart 42 ‘Lotte Weeda’ (2004)

Een mooi dorpsverhaal, met wat ’t Hartiaanse humor, om de bladzijde een kat naar de katholieken, ouderemannengeilheid en zelfs brute seks. In het dorp Monward maakt Molly een schilderij van De Bioloog. Hij poseert naakt als Lotte langskomt. Zij wil een fotoboek maken van 200 dorpsgenoten. Allerlei typische dorpsfiguren komen voorbij. Een aantrekkelijk predikantje, een kapster/kapper met Somalische roots, een gravin en haar man (bij wie de bioloog een scheltopoesik vangt), enz. Gravins echtgenoot krijgt wanen, hij meent dat zijn kinderen niet door hem maar door andere mannen zijn verwekt. Gravin stort haar hart uit bij De Bioloog.

Dit probleem wordt via de broer van de Graaf opgelost, hij laat DNA-tests maken. Naast DNA komen er meer moderniteiten voor: ’t Hart gebruikt een e-mailadres, er zijn zonnepanelen en Viagra, guldens zijn Euro’s geworden, Easy jet en andere vliegers verstoren de nachtelijke rust en het is het jaar van de GKZ en later de vogelpest die leidt tot het op grote schaal ruimen van vee en vogels, een werkwoord dat met afkeuring wordt gebruikt.

Het fotoboek met 200 dorpsbewoners is af en de fotograaf en de hoofdpersoon (die het voorwoord schreef) signeren. Er wordt flink geroddeld over de afgebeelden en degenen dier er niet in staan. Na enige tijd beklaagt Taeke Gras (een Fries die ook Friese woorden gebruikt, soms middenin een zin) zich bij De Bioloog erover dat er inmiddels al tien van de gefotografeerde zijn overleden. Dit leidt alom tot speculatie. De tien worden 18 en De Bioloog besluit naar het dorp te gaan waar de fotografe eerder een boek met portretten maakte. Ook daar veel overledenen. De fotografe zelf is even van  de radar verdwenen, misschien naar Indonesië?

Ook is er een expositie van Molly die oudere mannen schilderde. Het portret van De Bioloog werd gelijk verkocht. Als er 48 gefotografeerden dood zijn wordt er een bijeenkomst georganiseerd voor de nog levenden.

Tussen de bijbel- en psalmcitaten door beschrijft ’t Hart enkele bijnadoodervaringen: één keer duvelt De Bioloog van de ladder met een kettingzaag in zijn handen die net naast ‘m terechtkomt en één keer rijdt hij met een taxichauffeur die een soort Russische roulette speelt met zijn taxi en zijn gast voorstelt mee te gaan spookrijden. Als de vogelpest om zich heen slaat biedt De Bioloog onderdak aan aan ganzen en een ooievaar. Ondertussen ontstaat het idee dat de fotografe samenspant met de plaatselijke nagelstyliste en dat partners van gefotografeerden worden gechanteerd

Straatmaker fietst 200 kms op een werkdag

Als een seniorstraatmaker een hele dag stenen kan bij elkaar zoeken, ze in een klaargelegd en strak getrokken zandbedje betasten, bekloppen, rafelige randjes weg kan zagen en bijvijlen en ze dan neervleien, iets wat algemeen als zwaar werk wordt beschouwd, waarom zou ik dan niet acht uren lang klassiekemuziekmelodietjes neuriënd mijn hobby kunnen uitoefenen? Beetje fietsen? Ik ben een straatmaker.

Ik bereid een 200 kilometer-route voor en begin, als de straatmaker, vroeg. De wekker staat op 04.00 zodat ik om 03.50 wakker word. Fietssokken, koffie, muesli, fruit. Extra water drinken na het tandenpoetsen. Water drinken zou helpen tegen kramp na afloop.

Bad Nieuweschans had ik al op mijn foon ingetoetst. Giant TCR Defy staat klaar in de gang, haar bandjes strak maar niet te. En dan gaan. Net voor Praedinius hoor ik de verrukkelijke Google-stem mij aansturen. Volumeknop op max. Een Doe-Maar-riedel overheerst de verlangde Ich bin vergnügt mit meinem Glücke-melodie van Bach. Ik glimlach.

Het is lekker fris. Vochtig. Om 04.55 jaag ik door Helpman en prijs me gelukkig met de zonnebril. Een beloftevolle zon kleurt rood. Mijn route heb ik gevierendeeld en ik wil na elk kwart een kwartier rust nemen, in Emmen een half uur. Door Oost-Groningen rijdend krijgt mijn politieke antenne een update als ik de idioot grote boerderijen zie en stel me de naar limitarisme en coöperatieve initiatieven als ‘Land van Ons’ en ‘Herenboeren’ hunkerende boerenkinderen voor die de school wel hebben afgemaakt. Ik probeer fietsend te plassen en minder vaart, beveel mijn blaas te ontspannen, rek mijn strakke fietsbroek wat op maar vrouwenstemmen en opwaaiende zomerjurken werken tegen.

Onderweg ontmoet ik een paar vitale, bruisende, sportieve, ouwe pikken; vrienden voor het leven. Ted in Emmen en Rob in Odoorn. We bespreken het leven, de Nederlands politiek en kleinigheden. Waarom het verkoelende thermische ondergoed de Nederlandselftalspelers toch niet kon redden. Zijn onze docenten Engels echt zo veel beter dan de Franse? Welke waarde hebben felicitaties op groepsapps? Waarom nazaten van good-old Salomon Levy net iets pregnanter hun afkeer kunnen uiten van de vrouwen vernederende Joodse orthodoxen die hun eigen zonen onder het mom van religiestudies uit het leger houden. De invloed van nature en nurture op antisemitisme en  rabiate Palestijnenhaat. De schitterende utopische ideeënwereld van Rutger Bregman.

Bij de Schilders eet ik vier plakken krentenwegge en dus duurt de pauze daar iets langer. In Odoorn voegt Rob zich bij me en hij houdt me tot Rolde uit de wind. De temperatuur stijgt tot boven 28°. Ik voel een nijpend zoutgebrek en stop bij een terras voor mosterdsoep, spa en Radler. Alles even in de blender en dan in een maatbeker van een liter, vindt de restaurateur een slecht plan. Rob doneert me nog zijn banaan. Na 200 kms ben ik moe, maar niet stikkapot, uitgewoond of dood. Het tempo is om en nabij de 26/h. Als een straatmaker die voor een bijzondere klus vier uurtjes gaat overwerken kijk ik uit naar de 330 Groningen – Maastricht.

Rob van Essen ‘Ik kom hier nog op terug’

Na 60 pagina’s lezen denk je: hoe presteert de auteur het om de gesjeesde filosofiestudent die bruggenschilder is geworden, Rob Hollander die gefascineerd is door G. B. J. Hiltermann en de moeder en zoon die Gods woord langs de deuren uitventen bij elkaar te brengen, totdat je je de titel weer realiseert: Ik kom hier nog op terug.

Heel lang begrijp ik de keus van de jury om dit boek de Libris Literatuurprijs 2024 toe te kennen, maar te lange verhandelingen over de tijdmachine en de teleporatie maken dat ik allengs wat afhaak.

Vrij- Nederland-medewerker Rob stelt zijn chef voor oud-filosofiestudenten uit de jaren 80 te traceren en te interviewen.

Het hernieuwde contact met Icks brengt hem per teletransporter (vanaf Schiphol) in een split-second naar L A,  Amerika. Er ontstaat een Star-Trek-achtige setting waar de vraag oprijst: waar en wie ben ik. Met gamesmiljonair Icks bekijkt Rob de films ‘The war of the worlds’ en ‘The Time Machine’. Rob ontmoet de ontwerper van de in de jaren 66 – 69 gedragen kleding.

Er wordt gesproken over geleende tijdlijnen en mogelijke andere toekomsten. Rob krijgt de taak een in het verleden begane vergissing te herstellen en hij komt uit bij Hiltermann die hij 1998 besluiteloos op een brug zag staan en die hij had willen helpen.

Er komen vijf pogingen, na elke waarvan hij terugkeert naar Icks. De 5e verloopt iets anders. Hij komt in een setting van tien mede-filosofiestudenten, alle gesjeesd en voorzien van een bijnaam. Ze stelen een oude bus en reizen als een groep oude hippies naar een klooster in Frankrijk. Het verhaal vertoont een mix van door elkaar lopende en met elkaar verbonden tijdlijnen. In Frankrijk gaan ze allen schrijven over hun relatie met Icks, waarbij Rob wordt gezien als de spil. Hier begint het boek te lijden aan traagheid; de lezer denkt dat wat in 100 pagina’s wordt geschetst ook in tien of 500 had kunnen gebeuren. Desalniettemin was ik steeds weer verbaasd hoe ogenschijnlijke kleine voorvallen uit het begin hier zonder een spoor van een vermoeden van onechtheid terug komen.

JOURNAAL week 25

ZONDAG, eilanden. Het eilandenboek van Adwin de Kluyver zet me aan het denken over mijn eigen eilandervaringen. Het uitdagende verlangen eilanden te bezoeken, doorgronden en veroveren, herken ik zeer. In een plantsoen in mijn geboortedorp was een minuscuul eilandje in de vijver. Varend op een wankel vlot veroverden wij het op de ongelovige honden van de openbare school en bezetten het. Wat een teleurstelling toen in een winter het halve dorp het eiland over het ijs kwam bezoeken, in onze ogen bezoedelen. Veel later, op vakantie in Poncin trok een eilandje in de Ain ons gezin als een gek. Met een rubberbootje trotseerden we de stroming en barbecueden er als ware Robinson Crusoes. Nog een eiland dat in onze familie bekend werd is Clare Island waaraan mijn (inmiddels overleden) oudste zus en (nog levende) zwager hun hart verpandden. Jaar in jaar uit bezochten ze dit in hun ogen magische, zo goed als onbewoonde, maar door schapen en hun onvermijdelijke aarsmaden overwoekerde, eiland, waar de tijd en alle erbij horende ontwikkelingen leken te hebben stilgestaan. Voor gewone vakantiestervelingen een godverlaten oord met een bevolking die uit een soort van wanhopige diabolische overlevingsstrategie had geleerd supergastvrij te zijn en die gastvrijheid leert te vermarkten. Na de scheiding bleef mijn zus het eiland bezoeken. Uit door De Kluyver genoemde bewonersaantallen moge blijken dat wijlen mijn zuster met zo’n zeven % van de mannelijke bevolking het bed of een bedstee of een hooizolder boven een schapenstal heeft gedeeld, een feit dat me met broederlijke trots vervult. Dat die trots breed wordt gedeeld blijkt uit het feit dat twee broers zusters as sacraal, liefdevol en ritueel hebben verstrooid op Clare Island onder het toeziend oog van veel  bewoners.

MAANDAG, Minerva I. We bezoeken vier van de dertien locaties van de Graduation Show en maken kennis met afgestudeerden. We spreken dan over hun, vaak wel, soms minder interessant, eindexamenwerk. Ook vraag ik stelselmatig: ‘En nu?’ De antwoorden: ‘Doorgaan op deze weg. ‘k Ga een gap-year doen. Proberen subsidies te krijgen. Wellicht werken in de evenementenbranche. Zelfstandig kunstenaar worden. Ik heb een parttime baan. Nog een opleiding volgen.’ Of ze denken een inkomen te kunnen krijgen en of Minerva ze heeft voorbereid op het thema financiën? Ik hoor: ‘Ik heb weinig geld nodig om te leven. Mijn vriend is bakker. Misschien het onderwijs in, maar de ROC-stage beviel me matig. Ik wil onafhankelijk worden van mijn ouders. Er zijn lessen gewijd aan hoe je subsidies of fondsen kunt verwerven (maar die lessen kon ik niet bijwonen)’. Als ervaren ansichtkaartenkopers en proberen we mooie kaarten te kopen. Bij twee van de drie is niet bekend (en na enig zoeken onvindbaar) wat ze kosten. Het van een wasmachine naar een zetel getransformeerde object was nog niet te koop.

DINSDAG Minerva II. Tegenover ons huis staat ineens een minimalistische ouderwetse groene schaftkeet, een tandemasser met halfzachte banden. Het contrast met het glazen parkeergaragetrappenhuisje van glas, beton en staal kan niet groter zijn. In de keet: artistieke, ingenieuze op duurzaamheid gerichte eyecatchers. Koos Buist exhibitioneert zijn afstudeerproject. Enkele t.v.-schermen tonen een in het licht van een nachtcamera actieve rat. Een wildcamera legt  kraaien, reeën, hazen en een graafmachine die een sloot graaft vast. Een laboratoriumopstelling voor de analyse van slootwater met microscopen. Topstuk is de ‘Deurbel voor het huis van de dode slak’. Trekkend aan een touwtje gaat een ingenieus radertjessysteem tergend langzaam draaien. Buist is behalve kunstenaar filmmaker en ontwerper van groene daktuinen, hij combineert kunst graag met natuur en educatie.

WOENSDAG, fietsen. Mijn fietsinspanningen beginnen vruchten af te werpen. Betrekkelijk gemakkelijk  doe ik een ritje met één caféstop te Dokkum: Groningen, Gerkesklooster, Kootstertille, De Westereen, Damwoude, Dokkum, Lauwersoog, Eemshaven (waar ik een selfie maak bij de 1500 ton zware, 100 m lange monopiles), Roodeschool, Ten Boer, Groningen: 174 kms. Gemiddeld 26,8/uur. Het ritueel na thuiskomst: de licht verstoorde vochthuishouding op peil brengen met een Radler\bietensap en rekken en strekken in bad. In beide benen schiet soms even een verrotgemene, pijnlijke kramp die weer verdwijnt door enkel aan masseur Yara te denken. De 55 kms lange streep van Lauwersoog naar de Eemshaven, die evenmin van lucifers nabij LNG-tanks als van fietsers houdt, was naast een fysieke ook een mentale beproeving.

VRIJDAG. Ik ken steeds meer mensen die denken dat Memphis de naam van een illegaal wedkantoor is. Ze zitten bij een concert van organist Leo van Doeselaar en fluitist Marten Root in de Lutherse kerk te G. Ik hoor werk van Bach dat ik niet kende. Als ik Bach zeg bedoel ik Johann Sebastian en niet Carl Philipp Emanuel die ook voorbij komt. Over het Zuiderdiep lopend volg ik een voetbalwedstrijd op tv’s in cafés. Thuis kijk ik nog even naar een uiterst vermakelijke uitzending van ‘Makkelijk Scoren’. Deze keer met Van Stekelenburg die zichzelf interviewt door voetballers meerkeuzevragen te stellen en zelf de antwoorden voorkauwt.

Adwin de Kluyver – De eilanden van goed en kwaad

‘De eilanden van goed en kwaad’ is een heerlijk veelomvattend goed geschreven boek over… eilanden. De auteur, historicus en deeltijdeilander, is gefascineerd door eilanden en schrijft er (met een projectsubsidie, reisbeurs en ontwikkelbeurs), een bijzonder boek over met een uitgebreide bibliografie en een goed werkend register. Hij heeft -praise the lord – niet het doel alle eilanden te beschrijven. Van de door mij bezochte: Ameland, Borkum, Engeland, de Fokken, Funen, Île de la Cité, Japan, Kreta, Liberty Island, Rottumeroog, Rügen, Schiermonnikoog, Sicilië, Tenerife, Terschelling, Texel, Tinos en Vlieland staan maar enkele in het register. Dat betekent dat hij niet de gebaande paden betreedt, want zeg nou zelf, wat is Vlieland nou helemaal als je het ook over Okunoshima kan hebben of het verleidelijke Pukapuka? Niet voor niets is de ondertitel van het boek ‘een ontdekkingsreis’.

Het prachtig vormgegeven en fraai geïllustreerde boek wisselt interessante (historisch onderbouwde) eilandgeschiedenissen, vooral die over eilanden als primitieve gevangenissen maken indruk, en beschrijvingen vanuit allerlei points of view, af met een eilandencompendium, Isolaria (1 t/m 13) geheten en gedrukt in lichtrose, met een stroom aan informatie.

De eilandhoofdstukken gaan over befaamde en minder bekende eilanden: Atlantis, Lesbos, Formosa, Floreana, Spike Island, Clare Island en meer. In het eilandcompendium worden op kleinere schaal eilanden beschreven.

Een voorbeeld. Clare Island is een eiland aan de westkust van Ierland, met nog ongeveer 50 bewoners en duizenden schapen. De Kluyver beschrijft een naar en wreed historisch fenomeen: shunning: doodzwijgen als straf. Een ander onderzoek beschrijft de relatie van de primitieve Ierse eilandbewoners met Afrikaanse aapmensen, en via hen met de mensapen. De mannen zijn klein en de vrouwen niet bepaald mooi.

Van goed en kwaad, voorspelt de titel. Vooral het kwade aspect intrigeert. Nare experimenten, productie van chemische en/of biologische wapens, akelige dierproeven, schimmige grond aan- en verkopen, geïsoleerde gevangenissen, illegale transacties en meer overrulen het idee van brave vakantieresorts. Megalomanie, idiote acties (100 miljoen aan papiergeld opfikken) en meer, dat gebeurt allemaal op de broertjes van Schier.

De Kluyver eindigt met een weergave van zijn deelname aan een poolexpeditie in 2022, een soort kopie van 1878, maar dan net iets anders. De auteur gaat in zijn detaillering zo ver dat hij precies de outfit van de deelnemers omschrijft tot en met de driekleur (rood bovenaan hahaha, we mochten eens denken dat de gecorrumpeerde visindustrie subsidieert) en de emblemen.

(En, mwaah, dat ook uitgeverij Unieboek bezuinigt op de correctieafdeling blijkt uit een typo per 35 pagina’s (dat zal in werkelijkheid misschien het dubbele zijn, ik mis ook wel eens wat). Soit. Het doet maar weinig af aan deze fijne ontdekkingsreis).

JOURNAAL week 24

ZONDAG, belastingmoraal I. Maart 1969. Dokter Sjouke Bakker uit het Friese Kollum zet zich in voor Biafra. De Kollumer Courant schrijft en hervo/grefo predikanten preken over hem. Wij hebben een grote tuin die bomvol staat met eigenwijze narcissen (de enkelvoudige fijnbloemige Tazetta Narcissus).  Met mijn jongste zus opper ik het plan narcissen te verkopen voor dokter Bakker. We krijgen – gek genoeg – toestemming (want tuinbloemen afknippen is geen gewoonte). Tien stuks in een plastic boterhamzakje. Ik herinner me dat we 88 zakjes huis aan huis verkopen. Op het moment dat wij de poet gaan aanbieden aan het Sjouke-Bakker-comité zegt heit dat hij het bedrag met 37 gulden naar boven afrondt. Dat is het goede nieuws. Het slechte: i.p.v. met een zak guldens (die we met de dag hebben zien voller worden) bieden we een kale giroafschrijving aan. ’s Avonds aan tafel krijgen we les één van fiscale giftenaftrek.

MAANDAG, belastingmoraal II. Ik lees dat de nieuwe coalitie de giftenaftrek wil afschaffen. Balen. Vanaf het moment dat ik belasting betaal, slagen we erin een fiscale aftrek vanwege giften te krijgen. De laatste drie jaren beheren we (met onze zoons) het VDMF. Het VanderMeulenFonds is ingericht voor tien jaren en beheert een aandelenportefeuille. Gezamenlijk bespreken we de beleggingsstrategie en de goede doelen. Het VDMF is een mix van het enigszins volatiele ASML en brave ASN-fondsen. Jaarlijks doneren we 10% van het startbedrag aan goede doelen. Nu de giftenaftrek dreigt te verdwijnen komt het erop aan het leuk te blijven vinden en niet de spreekwoordelijke egoïstische altruïst te worden.

WOENSDAG, fietsen. Als een politica die van Dokkum naar Den Haag of Straatsburg verhuist worden mijn fietsgrenzen wijder. Niet een rondje Winsum – Onderdendam – Bedum, maar een rit van 160 kms.: Groningen – Leeuwarden – Heerenveen – Drachten – Groningen. In Akkrum neemt een bui me te grazen. De bakkersvrouw steelt mijn hart als ze mij een handdoek aanreikt. Het wordt zes uur fietsen. ‘n Kwartier rusten. Daarmee komt Groningen – Maastricht in beeld met 12 uur fietsen en twee uren rieleksen. Zou dus van 05.00 – 19.00 uur moeten kunnen lukken. Grenzen kun je oprekken. Dat zie ik aan één van mijn beste vrienden, oud-blaas-, hernia- en prostaatlijder, nu hielproblemenman, die ondanks alles een wandeling van zes uren maakt.

DONDERDAG, kunstacademie. Minerva en Instituut Frank-Mohr exposeren op 13 locaties in Stad de eindexamenwerkstukken van hun studenten. De tijd dat kunstacademies uitsluitend opleidden voor banen in het onderwijs is passé. Wel staat het beroep kunstenaar in de hoogste regionen van de rankings van bullshitbaanoverzichten. Aan Reitemakersrijge staat een schaftkeet met een op duurzaamheid gericht afstudeerproject van Koos Buist. Prachtig. Goed. Topstuk van Buist: ‘Deurbel voor het huis van de dode slak’. Koos Buist, naast  kunstenaar groenedakenontwerper, richt zich op kunst en educatie.

ZATERDAG Een kleine groep (internationale) demonstranten en studenten loopt door Stad. Ik herken de vrouw die ik eerder sprak bij het tentenkampje naast het Harmoniegebouw. Door een megafoon klinken de zangerige woorden Palestine en Revolution. Ik mis de woorden river, sea, Markuszower, en free. Ze worden begeleid door  verkeersregelaars. Het zijn bijna uitsluitend jongeren. ik zie Palestijnse sjaals en regenjacks. Ik denk met plezier terug aan mijn eerste demonstratie in Leeuwarden, augustus 1973. Ik was 17. Lichte opwinding. Nog herinner ik me de leus die we tegen de Griekse militair / politicus / president scandeerden: Weg met Papadopoulos. Het werkte, in november eindigde zijn presidentschap.

Maarten ’t Hart 41 ‘De zonnewijzer’

Een thriller, een soort vervolg van ‘De kroongetuige’. Op voorwaarde dat Leonie Kuyper voor de poezen zal zorgen erft zij alles van haar vriendin Roos de Berczy. Notaris Graafland praat haar bij en adviseert haar in de voetsporen van Roos te treden. Dat doet Leonie, ze gebruikt Roos’ make-up en haar kunstnagels. Leonie wordt door Freek gebeld die vertelt dat Roos en hij in een clubje zaten. Pleun Mastenbroek blijkt Roos op het strand gefilmd te hebben. De videobanden worden door Leonie en Pleun bekeken; ze zien een mysterieuze schaduw.

Leonie vereenzelvigt zich met Roos: kleding en kapsel veranderen. Freek Volbeda schrikt van het evenbeeld, hij betwist dat zonnesteek de doodsoorzaak kan zijn geweest. Ligt vergiftiging, Roos werkte per lot van rekening op een lab, niet veel meer voor de hand? De lezer bekruipt het gevoel dat de overledene een apart leven had: als eenvoudig analist reed ze in een Saab, ze had haar appartement afbetaald en was niet onbemiddeld. Rare uitspraken, als ‘ze zeek over Freek’ dragen hier aan bij.

Het wordt duidelijk dat Roos bij leven dreigementen had ontvangen en ook dat ze over veel contant geld beschikte, zowel in een bankkluis als verstopt in boeken. En er blijken mensen te zijn die een kopie van haar voordeursleutel hebben. Op het lab blijkt dat er in de tuin een uiterst giftige variant van de Datura staat.

Leonie kruip in de huid van Roos en gaat op onderzoek uit naar een woonboot waar Roos ook zou zijn geweest. Uit in de slaapkamer gevonden SM-kledij en – attributen blijkt dat Roos in een SM-club werkte. Als Leonie een keer meegaat naar de club in de Poseidon worden ze door een boot aangevaren.

Er speelt een spionagerisico van een Canadees lab en het boek eindigt met een curieuze vergiftiging van Leonie met het zaad van de daturaplant, ingespoten in champignons. Niet helemaal onverwacht leidt de oplossing van de moord naar de vrouw van de hoogleraar. Was het jaloezie?