Een groot deel van de zestien, zeer informatieve verhalen, eigenlijk artikelen, in deze bundel verschenen in NRC en/of waren de teksten van lezingen. Kritische stukken, je hoort de meester al lekker uithalen. ’t Hart fulmineert tegen al te strenge regeldwang van neerlandici die op de universiteit onnodige en onmogelijke wetmatigheden voor romans uitbroeden terwijl de enige geldige regel die is dat er geen regels voor romankunst zijn. Strak veegt ’t Hart de vloer aan met de elitaire laag die neerkijkt op volkskunst. Behalve in de orgelmuziek en de schilderkunst heeft Nederland internationaal nooit iets voorgesteld. Een prachtverhaal over het verschil literatuur <-> wetenschap en verifieerbaarheid en plagiaat. Dat de neerlandistiek oprukt in de literatuur is te merken aan het aantal afgestudeerden bij uitgevers en in de literaire kritiek. Gelaagdheid, complexiteit en polyinterpretabiliteit zal toenemen. Hoe lang zal het duren voordat auteurs afgestudeerd moeten zijn?
In enkele gevallen hebben nare kritieken schrijvers (Melville, Salinger) of componisten (Bizet) dusdanig hard geraakt dat ze depressief of ziek werden of zelfs vroegtijdig stierven. Ook ’t Harts eigen ervaringen komen aan bod. In een artikel over stijl breekt hij een lans voor scherpe, kernachtige onopgesmuktheid tegenover geraffineerde schoonschrijverij. Al zijn meningen worden gelardeerd met concrete voorbeelden uit de (inter)nationale literatuur.
Een mooi stuk over de juist gestorven auteur en collega-bioloog Hillenius en over Hotz, van wie ’t Hart door herschikking van de volgorde en analyse van personages en tijden uit de hoofstukken van vijf boeken een roman over Hotz’ moeder destilleert. Dan nog een analyse van Hotz’ vermeende toegenomen sobere schrijfstijl en een mooi verhaal over Biesheuvel, van wie wordt gezegd dat hij veel fantasie heeft, maar volgens ’t Hart zich steeds in bijzondere situaties manoeuvreert en die vervolgens tot verhalen uitwerkt. De verguisde Mensje van Keulen wordt door ’t Hart op het paard gezet, haar eenvoudige schrijfstijl geeft juist haar kwaliteit aan. In ‘Karakter’ van Bordewijk herkent ’t Hart het vijftig jaar later bekende fenomeen van de BOM-moeder.
Dan een verhaal over de onverenigbaarheid van het schrijverschap met dat van wetenschapper. De ambities, erkenning van vakgenoten en van een leespubliek zitten elkaar in de weg, zo erg dat ’t Hart van zijn vroegere collega-vrienden geen heeft overgehouden. Een schitterend verhaal over een typisch Karel-van-het-Reviaanse evolutietheorie, met in de hoofdrollen Darwin, vogels, ongevleugelden, ogen, mutatiekansen, giftanden en Karel van het Reves minderbelezenheid. Dan Nog Multatuli en het Darwinisme, waarin Multatuli wordt opgevoerd als iemand met schrikbarend weinig kennis over exacte vakken. Later nog een verhaal over Multatuli’s beroerde Nederlands met een overkill aan gallicismen, germanismen, latinismen. ’t Hart spaart hem (die vaak wordt aangeduid als grootste Nederlands schrijver) niet en benoemt M’s gemekker en infantiliteiten. I.t.t. veel Multatuli-bewonderaars heeft ’t Hart wel alles van M gelezen. Hij laakt Multatulibewonderaars die enkel over M’s stijl spreken.


Er valt een rouwkaart op de mat. Eerst denk ik dat het een plantencatalogus is van verzendhuis Hamersma in Waskemeer. Ik zie acht plantensoorten, o.a. de zonnehoed, de Phlox Paniculata, de lelie Anasthasia en de rode klaroen. In het midden de naam FRANS en een tuinschepje. Typisch Frans de leraar/tuinman: enkele planten zijn verrekte lastig te determineren, maar voor de beginner ook weer gemakkelijk want de zonnehoed staat er twee keer tussen.
Met ‘Il est cinq heures’ van Jacques Dutronc in en tussen mijn oren ratelen we om 06.30 uur onze rolkoffers over de ongelijke stoepstenen van Rue de l’Académie naar de Boulevard d’Anthènes en kijken nog eens om. Slaperige mannen in lange gewaden en op teenslippers gaan uit bidden naar de moskee. Een uitgelichte heilige steunt een gevel en kijkt afkeurend naar overvolle vuilnisbakken. Met gemak beklim ik de 107 marmeren treden voor Station Saint Charles.
en we vinden dat het goed is. De wandelroutebijbel van Marseille leidde ons gisteren de stad uit, van rauw naar charmant, van Stad naar Haren, van spannend naar suf: naar Aix-en-Provence, een stad van 150.000 inwoners. Een soort uitje. In de bus naar Aix overdenk ik het idee van Volkskrantcolumnist Peter de Waard dat eigenhuisbezitters zelf de WOZ-waarde mogen aangeven, maar dat de gemeente dan het recht heeft het huis voor dat bedrag aan te kopen. Zou heel wat rompslomp, in het Frans ‘tracas’ besparen. En dan Rutger Bregman die een appèl doet op de mensen met bullshitbanen en hun vraagt een U-turn te maken en ervoor te zorgen dat ze niet vermogend het graf in rollen. Een moreel appèl. Een ethisch réveil.
Waarom bevalt ons Marseille beter dan Aix? Omdat Marseille een ‘round’ in plaats van een ‘flat’ character is. Poly en niet mono. Vormvolle vorm en inhoudsvolle inhoud. Waar Aix-en-Provence één gezicht heeft, dat van de gegoede, rijke, beetje boring, mooie, provinciestad, heeft Marseille er wel tien: dat van het multiculturalisme, de haven naast het land, gepolijst en ruw, uitwaaierend en ingedikt, mooi en lelijk, smerig en gewassen; kortom een wereldstad. Maar een wereldstad met havenstedelijke, wereldgrote problemen zoals drugshandel en drugsgerelateerde moordpartijen. Op onze laatste dag zien we een lange rij politiebussen staan aan Boulevard Canébière. Een week later lezen we dat president Macron Marseille bezoekt i.v.m. la lutte contre la drogue.
Je kiest een iconische Franse auto, een zilveren Citroën DS, zaagt die in tweeën, gooit het middendeel weg en last beide fragmenten weer aan elkaar. Opzienbarend werk van de Mexicaanse kunstenaar Gabriel Orozco. in het Musée d’Art Contemporain.
In Musée Cantini (toegang gratis), een groot, statig herenhuis met drie verdiepingen is de kunst thematisch gerangschikt: portretten, kleur, abstract, enz. ideaal voor scholieren. In elke kleine zaal is een suppoost en dat heeft alles te maken met recente handtastelijkheid van bezoekers. In de vaste collectie ook veel fotografie. Mooiste werk: De ziel van Napoléon van André Masson.



De zee naast de stad is een pre, voor een stad een cadeau. Wandelend langs de (inhammen van de) Middellandse Zee op een zonovergoten dag in Marseille, waardeer je factor 50. Terrasprijzen stijgen naarmate je het water nadert. Hier een villa, daar een onderkomen van het Vreemdelingenlegioen en op vlakke rotspartijen stoere bruine basten die als gehaktballen in vette jus liggen te bruinen of bezig zijn de pectoralis major aan te scherpen. Op rotspartijen naast het hoog opspattende zeewater zie je betrekkelijk veel yogaënde vrouwen, hetgeen je de vraag doet stellen wat mannen weerhoudt van yoga. In de stad langs lanen en op pleinen zie je in
deze tijd op uitbotten staande bomen, vooral heel veel platanen, en soms vanuit muurspleten voorjaarsstruiken; hier en daar zie je een alles bedekkende lichtgroene waas of weerloze kleine knopjes die zelfs verstokte prozaïsten tot poëten maakt.
Als ik een sculptuur van een hert zie moet ik even aan Andreas Blühm van het Groninger Museum denken, die, met de beste bedoelingen waarschijnlijk, een uitvergrote plassende ijsbeer exposeert. Beide beelden kunnen mensen smaakvol of smakeloos, mooi of lelijk vinden. De ijsbeer tovert een lach op kindergezichten; het hert maakt mensen nieuwsgierig en stimuleert denken en vragen.
Een van de verhalen uit ‘De unster’ werd uitgegeven als klein boekje (10 x 12 cms) voor Nederlandse lezerskring Boek en Plaat, een verzendhuis voor winkelmijders uit de vorige eeuw die af en toe een boek of plaat op de deurmat wilden ontvangen. ’t Hart steekt de gek aan met de maatschappelijke elite: dominees, dokters, notarissen en advocaten die naar een lezing komen omdat ze lid van een Leids clubje zijn en die de wereld van plantsoenarbeiders en doodgravers niet kennen en meer aandacht voor uiterlijke formaliteiten hebben en het uitgebreide met alcohol overgoten diner dan voor inhoudelijke zaken.
Van oorsprong katholieke Franse steden worden vaak gedomineerd door aan deze religie verbonden gebouwen, vaak mastodonten, die ongegeneerd de openbare ruimte opeisen, als carnavalswagens op industrieterreinen. Ook Marseille kent enkele fikse katholieke jongens, zoals de grote La Major kathedraal, de basiliek Notre-Dame de la Garde en meer. Ook zijn er het straatbeeld bepalende moskeeën, zij het bescheidener en miniaturen vergeleken met de roomse bouwwerken. Moskeeën als de Arrahma, de Mariam en de Mosquéé Islâh zijn veel nieuwer
dan de roomse broeders. Een interessant verschijnsel is wat ik de huiskamermoskee noem: in oude wijken zoal Noailles zie je een tot minaretloze moskee omgekat voormalig winkelpand waar de mannen gezellig wat bij elkaar komen – vrouwen zie je er nooit – om te bidden en de stand van Olympique de Marseille door te nemen.
Straten in de binnenstad mogen smal zijn, de voetgangers wordt een
veilige wandelroute van zeker een meter breed geboden door beschermende stalen hekken en palen. Werkt perfect. De fiets zit nog wat in de verdrukking, die krijgt op zijn hoogste een smalle groene baan die vaak versperd is door bezorgauto’s; daar is nog veel te halen. (Race)fietszaken kom je in de binnenstad niet tegen. De metro heeft twee lijnen, die, vanwege een ingenieus bochtenwerk, de stad goed doorkruisen. Grote auto’s mijden maar liever de binnenstedelijke routes.
Hoewel er in de binnenstad wel wordt gebouwd en gerenoveerd is er nog heel veel te doen. Heel veel straten zijn voorzien van verzinkbare stalen bolders. Niet voorbereide chauffeurs zie je vaak met de foon in de hand, paniekerig voorovergebogen en met een leger toeteraars achter zich overleggen met ambtenaren die aan de knoppen zitten, opdat Sesam zich opent.
Aan de kopse kant van Le Vieux Port is een schitterend kunstwerk: een spiegelende dakconstructie. Verder is er heus wel straatkunst maar niet overdadig veel.
Migrantenstad Marseille heeft als lijfspreuk ‘Nous sommes tous d’ici et d’ailleurs’, wij zijn allen van hier en van elders. De betekenis hiervan geeft een tolerante gastvrijheid aan en dat ondanks de permanente aanwezigheid van de ultra-rechtse Le Pen in het Franse parlement, Marine als opvolger van Jean-Marie. Je leest veel over de rauwe randjes van de stad. We zien in Noailles
armoede naast welstand. Goedkope wijkmarkten naast dure merkenwinkels. De werkloosheid onder jongeren is groot en men spreekt over (her)invoering van de dienstplicht. Soms een politiebusje op straat. Na straatmarkten blijft er meer en langer vuil liggen dan op Groningens Vismarkt. Af en toe zie je een securité-meneer voor een restaurant. Relatief veel bedelende vrouwen met kleine kinderen, maar nauwelijks straatmuziek. Bijna alle mannen met Noord-Afrikaanse looks hullen zich in zwarte kleding en witte sneakers.
Marseille is een stad van steile straatjes, trappen en pleinen. Heel veel smalle straten zijn ver- of ontsierd met graffiti. Soms semi-artistieke afbeeldingen, soms wild en onsamenhangend gekras, maar altijd kleurrijk. Achterstallig woningonderhoud is schering en inslag. Maandelijks worden huizen ontruimd, soms na noodlottige ongevallen. Gestutte huizen komen overal voor. Misschien het mooiste en grootste plein is La Plaine met terrassen, kinderspeelplaatsen, bomen. Een kleinere place is Cours Julien, met fraaie houten passages over water en overal groepjes
duiven die het straatbeeld verlevendigen. Een schitterend plein, nou ja meer een rotonde, is Place Castellane met een majestueuze zuil in het midden.
Als trouwe Parijs- en Poncinbezoekers verleggen wij ons doel zuidwaarts: begin maart 2024 bezoeken we Marseille, Frankrijks oudste stad en grootste handelshaven. De NS vervoert ons stipt van Groningen naar Amsterdam. Daar stappen we over op de Euro-Star, die vanwege een stilstaande loc ergens een uurtje vertraging oploopt. In Parijs kennen we de weg en haasten we ons van Garde du Nord naar Gare de Lyon. De TGV is me er eentje. Rijdend naast een snelweg lijken de vierwieldiesels stil te staan en jagen we in drie uur naar Marseille.
Ons reisboek bevat vier stadswandelingen van totaal 35 kms, incl. een uitsapje naar Aix-en-Provence. De wandelingen werken we in een rustig tempo af, hier en daar een praatje makend en kleurige straten fotograferend. De lucht is azuurblauw, het water in de oude haven oogt schoon en helder, en er wordt volop gebedeld en verse vis verkocht. Op een terras zitten we naast een verwaand Brits stel dat met een cruise Marseille aandoet. Hij houdt vol dat er meer landen de Brexit volgen. Zij heeft vergeten hoe duur ‘une grande bière’ is.
Coevorden, maart 2024. We ervaren een heerlijke uitvoering van Bachs empee in Coevordens’ stadskerk in een circusopstelling: de musici en het koor centraal, precies onder de cirkelvormige plafondlampen. Maar goed dat er nog enkele vrije plaatsen zijn, het publiek kan na de pauze van plaats wisselen. Onze zintuigen worden geprikkeld. De dirigent, vakvrouw Paulien Kostense, met Coevordense roots, fascineert. Squattend en bijna dansend vuurt ze haar ploeg aan. Haar handen zalvend, priemend, soms lichtgeraakt alsof ze een heet bakblik toucheert, altijd inspirerend en als Sarina Wiegman zelden streng. Zangers en musici geven haar de indruk dat ze ertoe doet. Vanaf een afstand zien we een schoonzoon/schoondochter-concours met zelfbewuste, in barokmuziek gedrenkte deelnemers die hun kunsten Coevorden e.o. wel even willen tonen, dat is: laten horen.
traversospelers die de sonore klanken, onversterkt (zoals alles: mind you, in de kerk is alleen een microfoon voor het prevelement van de organiserende stichtingsvoorzitter), welhaast verstild fluisterend tegen de bekalkte muren laten stuiteren, of nee, lieflijk toucheren, zodat mensen verbaasd rondkijken: hoe bestaat het dat in zo’n grote ruimte, waar voorheen op hele en halve tel werd gezongen, de muziek zo klankrijk resoneert. De stadskerk heeft, beseffen we, net op tijd een U-turn gemaakt: van religie naar cultuur en wie weet culinaria, alcoholvrije wijnpreuvenementen, iets over SOA-preventie en lingerie- & dahliashows.
Wow, de kansel wordt gebruikt door sopraan Janneke Stout en alt Wies de Graaf. Vrouwenstemmen i.p.v. predikanten die de omscholing hebben gemist. Op de achtergrond het mooie Van den Berg & Wendt-orgel, voor de sfeer. Als racefietsers die de spieren opwarmen draait het koor warm. ‘Het ‘Sind Blitze, sind Donner in Wolken verschwunden’ klettert op, gevolgd door evangelist André Lopes en Matthijs Mesdag als Jezus die we van de flanelborden uit de zondagschooltijd kennen met zijn lange blonde manen. Wat een stem! En de strijkers bij het ‘Erbarme dich’… weergaloos, klaaglijk en zangerig gelijk.