Het zijn mooie tijden. Mijn schouder herstelt na de fietsval, Vrouw I zie ik nog dagelijks en ik ben begonnen in ‘Nirwana’, de nieuwste van Tommy Wieringa. Lezend smul ik; niet alleen omdat het een tweelingroman is met Friese invloeden en mijn vorige woonplaats Sleen, Trump, Baudet, en de Chinees Lotus uit Westerbork erin voorkomen. Ik geef nu al tien sterren.
Maar eerst repeteren met het grootkoor. De repetitieruimte is van Helpman Groningen uitgeweken naar Haren Groningen, naar een joekel van een kerkgebouw. Vergeleken met de overvolle, rijkelijk met prullaria, als kaarsen vermomde elektrische Actionlampjes en sleetse vibratorvormige Mariabeeldjes volgeplempte katholieke kerken die je in vakanties in mediterrane gebieden, waar de belastingmoraal evenredig is aan rijgedrag op N-wegen, dagelijks bezoekt is dit wel een heel sobere kerk. Koel en kaal, kraak noch smaak, misschien op de modernistische kroonluchter met kaarsvormige matglazen armaturen na, van Vincent van Leeuwen uit Coldam (D.) gok ik? De enige kleur die ik ontwaar is het stimulerende rood van de zorgvuldig gelakte teennagels van de tenor naast me. Mooie tenen ook. Voor potentiële zangers: de kosten voor het Grootkoor, inclusief repeteren in, …..tromgeroffel…. het Concertgebouw zijn nog geen € 100,-. Als boekhouderszoon kan ik het niet laten en reken snel even door. Er zijn 15 grootkoren. Als die allemaal 200 leden hebben dan wordt het aluminium koffertje in drie maanden gestoffeerd met 300K.
Beide dirigenten, Etty en Nan, hebben er zin in. Ze veronderstellen voorstudie, zo lijkt het. Ik loop op mijn tenen. We vliegen erdoor. Tot op het bot gemotiveerd. 200 zangers dus. Daarvan tien tenoren, waaronder één vrouw: Geesje naast mij met die mooi roodgelakte nagels. Volgende keer voegt ook Erna zich bij ons, heeft ze beloofd. Hoe mooi is dat: twee krachtige alten die liever de stevige tenorpartijen meezingen dan de wiebelige altpartijen. Bij de tenoren is duiken geen optie. Dat de vrouwelijke tenoren af en toe als onderdeel van de groep worden aangesproken met ‘Mannen en nu jullie,’ deert hun niet. Klassewijven, denk ik dan. Benjamin Rogier is er, zij het wat verlaat. Bram nog niet. ‘Mille Cherubini in Coro, l’homme Dieu, Prince of peace, shepherds, Sons of God, Piccolo Amor, Gesu Bambino, maken jullie je borst maar nat.


Maarten ’t Hart 6 ‘De kritische afstand’ (1976) is een heerlijk populair wetenschappelijk boek over diergedragskunde. Etholoog ’t Hart observeert, discussieert en schrijft scherp en met humor, maar al te lange tenen lezen maar liever driestuiverromans. Kunnen feiten uit de ethologie op mensen worden toegepast? Is er verschil tussen instinct en (aan)geleerd gedrag? In het blokje waarbij ’t Hart menselijk met dierlijk gedrag vergelijkt, en een chimpansee beschrijft die zijn vinger in de anus van zijn kameraad steekt en er vervolgens luidruchtig aan snuift moet iedereen natuurlijk denken aan Joachim Löw, trainer van het Duitse nationale elftal, die zich onbespied waande en zijn hand in zijn onderbroek stak, zijn eikel liefdevol betastte en daarna zijn hand driftig ruikend voor zijn neus hield. Voor de Studiosportcamera.
Elf korte verhalen, veelal vanuit het point-of-view van een jongen, verpakt in een boek met een schitterende omslag, een detail uit ‘Intrigue’ van James Ensor. Alle verhalen zijn geweldig om voor te lezen. Ze zijn dooraderd met vaste themata van ’t Hart: schuldgevoel, vroomheid verpakt in dwangmatige religieuze gedachten, ontluikende en tegelijk problematische seksualiteit, tirannieke geloofsuitingen, bijzondere gedragingen, slachtofferschap en verregaande intolerantie tegen alles wat anders is, natuurfenomenen en ook zeer veel humor.
Op twee september kwam Rob Wehrens uit de tijd. Bijna 92 jaar oud. Gestorven in zijn slaap. In zijn laatste brief aan mij schreef hij: ‘Als ik morgen niet wakker zou worden, zou dat goed zijn.’ Toen ik deze zin las dacht ik: ‘Moet ik hem nog informeren over het bestaan van ‘Coöperatie Laatste Wil?’ En als hij een niet-confessionele maar wel goed opgeleide huisarts heeft die de wet respecteert, zal Rob toch, mocht het op ondraaglijk lijden uitlopen, euthanasie verleend kunnen worden? Rob vertelde dat hij tevreden op zijn leven terugkeek. Ik heb Rob meer dan veertig jaar gekend. We waardeerden en respecteerden elkaar. Gezien onze uiteenlopende naturen, opvattingen en achtergronden mag dat een klein wonder heten. Als ik me niet vergis startte Rob zijn loopbaan op een lagere school in Soest waar hij een klas met 50 brave Gooise kinderen onder zijn hoede had. Zijn ietwat bekakte, Gooise, accent, heeft hem nooit gedeerd, integendeel, ik denk dat hij het cultiveerde.
Je leest wel eens van bezorgde gasten die de boeren willen helpen uit hun negatieve spiraal te klauteren en de door de boer omgekeerde vlaggen weer recht hangen. In het Groningse Niezijl is een crowdfundingactie gestart voor woningaanpassing voor een vrouw. Zij was van zes meter hoogte uit de bek van een verreiker gevallen toen ze bezig was een vlag omgekeerd op te hangen. Ik hoop dat ze het uit vrije wil deed en dat de boer het haar sterk had afgeraden.

Met Quirinne, by far de interessantste vrouw van de cursus Gronings [zij laveerde van juridisch fiscalist aan de Zuidas via lipstickinkoper bij de Bijenkorf naar grassoortenexpert bij Natuurmonumenten], ga ik naar borg Verhildersum in Leens. De naam Ede Staal trekt. In de expositieruimte liggen virtualrealitybrillen. Moeilijk. We zien oude foto’s van een klompendrager die muziek maakt in zijn moerstaal. Liedteksten aan de wand die we meezingen en neuriën. Ik voel verwantschap met de plattelandsjongen Staal die ook leraar was. Beiden hadden we geiten. Q. en ik praten na over de cursus Gronings en het groepsproces met vier mannen en dertien vrouwen. In de fruitboomgaard denk ik dronken schapen te zien, ik zie lome bewegingen, dromerige ogen en belletjes uit malende bekken. Natuurmens Q. corrigeert me: ‘Het fruit is nog niet rot en bevat geen alcohol.’ We gaan ons te buiten aan rijpe, rode pruimen. Mooier dan de borg met de siertuinen, het arbeidershuisje, de sympa vrijwilligers, en de twee koetshuizen zijn twee duiventillen buiten dienst: één heel grote op stenen poeren en één die boven de toegangsweg staat: wit, smal, langgerekt, hoog, supermooie belijning. Heel even overweeg ik me aan te bieden om er een sierduivenpopulatie te onderhouden. Bij de lunch bespreken we de staat van de wereld en of redding nog mogelijk is.
’t Hart is een expert op het gebied van dierengedrag. Hij promoveerde op stekelbaarsjes en gedurende zijn studie biologie bestudeerde hij ratten. In ‘Ratten’ schrijft hij over het gedrag van ratten, de leefwijze, hun leervermogen, kannibalisme, de bestrijding en het interessantste fenomeen: de rattenkoning. Voor de liefhebber geeft hij advies over ratten houden als huisdier. ’t Hart wast enkele gemakzuchtige dierdeskundigen, vooral dierpsychologen, de oren en maakt korte metten met vooroordelen, aannames en onbewezen, door angst, sensatiezucht en onwetendheid ingegeven uitspraken. Interessant feitje: theoretisch kan een rattenpaar in één jaar uitgroeien tot een familie van 1808. Het is een bijzonder leesbaar (studie)boek, compleet met tabellen en statistieken èn met fraaie foto’s en prenten. ’t Hart maakt uitstapjes naar andere dieren: stekelbaars, eekhoorn, (zoetwaterpoliep) hydra, de wasbeer en de platworm¹. Natuurlijk komt ook de relatie tussen dierproeven en vermeende relaties met de mens, via Skinner, aan de orde.
rat (rattus rattus) en de bruine rat (rattus norvegicus). ’t Hart gaat in op het fenomeen van de ‘rattenkoning’, compleet met een röntgenfoto: een onontwarbare kluwen met de staarten aan elkaar verkleefde en verknoopte ratten, tot soms wel veertien stuks. Het woord Rättenkönig werd voor ‘t eerst door Luther gebruikt in 1524. En ’t Hart zou ’t Hart niet zijn als hij – met Maarten L. – niet de rattenkoning zou verbinden aan de paus.
’t Hart is met recht een oeuvrebouwer, alle elementen uit zijn latere werk komen in dit, zijn derde, boek voorbij: agressie, natuur, literatuur, seksualiteit, jaloezie, macht, muziek, travestie, godsdienst, homoseksuele aantrekkingskracht en vriendschap tijdens militaire dienst. In het eerste deel, ‘De verhoren’ treden de bescheiden, ingetogen Ammer Stol en de praatgrage, wereldwijze Arthur Holm op. De hoofdstukken met de nieuwe, academische geschoolde, dienstplichtigen wisselen hoofdstukken af waarin Ammer door de militaire politie wordt verhoord over de dood van zijn vriend. Er ontvouwt zich een homo-erotische verhouding tussen Stol en Holm. Deel II, ‘Kleine oorlog’ gaat over een nachtelijke legeroefening. Ammer met een gereformeerde en Arthur met een joodse achtergrond, hebben diepgravende gesprekken over menselijk gedrag, agressie, lijden en verzet, dader- en slachtofferschap in (concentratiekampen en in) oorlogstijd. Ammers wens een vrouw te zijn, of althans vrouwenkleren te dragen, komt uitgebreid aan bod. Ammer in travestie betovert eerst beiden, maar allengs verandert Ammer voor Arthur in een onbenullige huilebalk, een jaloerse, verwekelijkte hysterica. Bij de eerste les in pistoolschieten gaat het mis en in de allerlaatste zin vindt het fatale ongeluk plaats. ‘k Krijg met de dag meer zin in de volgende ’t Hart.
Gronings Ontzet. Het NNO musiceert zondagavond 27 augustus op de Ossenmarkt in een tent met Love is in the Air. Ik klim op de steiger met de 3000 Watts geluidversterkers en hijs twee mij onbekende vrouwen op die ‘Mag dat?’ giebelend maar wat graag naast me komen staan en lustig lonken naar de dirigent die meer oog heeft voor Grieg, Rossini, Mozart, Bernstein, Gershwin, dat werk. Heel mooie muziek, met aan het begin, een echte regenboog en aan het eind een muzikale in ‘Over the Rainbow’ uit The Wizard of Oz van Arlen; kan het mooier? Voor Groningen betekent Love is in the Air beginnen met het veelbelovende, geile Groningse volkslied, dat nog niet iedereen kent. Dirigent Eivind Gullberg Jensen heeft zijn lief, sopraan Mari Eriksmoen, ingehuurd als soliste. In een zwart struisvogelpakje zingt ze de sterren van de hemel. Met zo’n liefdesthema hoop je dat de musici zich ook wat sexy hebben uitgedost en de partituur laten liggen waar die hoort: in het repetitielokaal. Met en uit het hart spelen, het publiek zwoel aankijken, daar hoop je op, Love Is In The Air, toch? Maar het worden weer libido-vermorzelende mat- en glimmend zwarte pakken en jurken met hoogstens een split, en ogen gekleefd aan het papier, maar of dat nu Love oplevert?
’t Harts debuutroman is verdeeld in drieën. Deel I, ‘De hoge zwaluwen’ deed wat stof opwaaien en werd door recensenten herkend als het werk van een topauteur. De uitgever zegt: een afstandelijk en precies geformuleerd verslag van de religieuze verminking van dertigers en veertigers. Ammer Stol, zoon van rechtzinnige ouders, raakt betoverd door muziek (van Bach, Frank, Beethoven) en krijgt, eerst stiekem, en later als hij de organist in zijn vaders kerk kan vervangen openlijk, orgelles van Brikke, een wat oudere man met pedo/homo-erotische aanvechtingen die Ammer niet begrijpt. Een tragische, eenzame, komische, indringende zoektocht omtrent homoseksualiteit staat centraal. ‘Godverdomme,’ schreeuwde hij, waarom duren die rotpreken tegenwoordig zo kort?’ Aldus Brikke, die de jongeheer Ammer aftrok op de orgelgalerij tijdens de prediking, maar Ammer wist al dat hij nooit klaar zou komen. Deel II, ‘Vluchten’, kent een heel ander verhaalperspectief omdat er een nieuwe ik-persoon optreedt met wie Ammer bevriend is. We nemen een sprong in de tijd van zeker 10 jaar naar een vakantie in Engeland. Opvallend detail: heteroseksualiteit wordt hier nog ‘normaal’ genoemd. In deel III, De zomerslaap, ontmoet Ammer Brikke weer en later volgt een weergaloze passage over een schoolklas en leraar Tipsel die het aan de stok krijgt met ongelovige leerlingen. Ammer neemt het op voor een weggestuurde Hugo. Meesterlijk. De verhaalcirkel sluit als Ammer nog een keer het huis van Brikke bezoekt.
Scheepswerf Wolthuis in Sappemeer lijkt model te hebben gestaan voor ‘De nieuwe man’ van Thomas Roosenboom, het meesterlijke verhaal van de ondergang van een scheepsbouwer aan het Winschoterdiep. Doe je ogen even dicht en denk aan doener en denker Berend Bepol. Hij gaat ondanks zijn filosofisch onderbouwde goede bedoelingen ten onder. Wat een ellende. Wat een tegenspoed. En dat wordt niet minder als zijn beste knecht Niesten zijn dochter trouwt. Scheepswerf Wolthuis, bijna gesneefd ten gevolge van de demping van het Winschoterdiep in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw, maakt alles begrijpelijk. Dankzij Wolthuis, wiens huis op de museumwerf staat, kunnen we de klinknagels en de schuivende stalen platen nog horen. Doe de ogen maar weer open. Eerst de werf, dan het boek. Of omgekeerd.

Maarten ’t Hart 1: ‘De Jacobsladder’ (1986). In de Volkskrant krijgt schrijver Nathan Vecht de vraag welke boeken, klassiekers, hem hebben gevormd tot wat hij is. Hij noemt ‘De Jacobsladder’ van Maarten ’t Hart. Dat verrast me. Ik las het boek in 1987 en besluit het te gaan herlezen en leg Alkibiades van Pfeijffer weg. Ik ken het werk van Maarten ’t Hart goed, heb zo goed als alles van ‘m gelezen, incl. zijn dissertatie, compleet met brief aan de uitgever. Ook heb ik hem eens kort gesproken bij een bezoek aan de t.v.-studio in de tijd dat hij presentator was van een boekenprogramma in 1993.