Tegen de achtergrond van pikzwarte luchten, heen en weer vliegende uilen en vleermuizen en een heldere maan tussen schitterende sterren, ontvouwde zich het spektakelstuk De Toorn van Thunaer. Prachtig locatietheater, met 120 spelers uit de regio en 60 orkestleden. Het programmaboekje vermeldt een meer dan indrukwekkende lijst medewerkers. Na meer dan 40 jaar in Drenthe gewoond te hebben ben ik ervan overtuigd: dit kan alleen in de zuidoosthoek, in het gebied rondom Oosterhesselen, Zweeloo en vooral Sleen met als drijvende krachten Kruimink, Hegen en maestro Harm Dijkstra. 
Dijkstra tekende voor het script en de 24 (!) liedteksten en Kruimink voor de muziek die door Pijnappel werd gearrangeerd voor fanfareorkest Excelsior. De organisatie, er is zo’n drie jaar aan gewerkt, was perfect. Verlichte parkeerterreinen, een cafétent met voldoende medewerkers, en, niet helemaal onbelangrijk: prima licht en geluid. En zoveel medewerkers, zowel spelend en musicerend voor als vrijwilligers achter de coulissen: er zullen weinig Zuidoost-Drenthen zijn die niet iemand kennen met Thunaerbanden: chapeau!
De soms wat lastig te volgen historie is op zich niet spectaculair: niet al te slimme, bijgelovige roofridders die een streek belagen, een boerenbevolking die voordat ze verpletterd wordt door machtsspelletjes doorkrijgt dat samenwerken handiger is dan soleren, dorpen die elkaar bekampen met als inzet de hoogte van hun kerken, een wat naïeve clerus die grossiert in tegeltjeswijsheden en meer. En alles doorspekt met humorvolle vondsten waarbij de underdog en de liefde en de gisse plattelander het winnen van het kwaad, de overheerser en de bazen. 
Op een breed graspodium aan de overzijde van de Boksloot is veel te zien: prachtig geënsceneerde wasvrouwen die behalve de was gelijk hun voeten wassen, een gebochelde tollenaar die redeneert als de moderne fiscus, voorbij varende vissers, in de verte schapen- en geitenhoeders en vooral veel dorpelingen die niet voor één gat te vangen zijn. En niet te vergeten de witte wieven die als een soort deus ex machina de schreeuwerige Thunari verjagen.
Tijdens deze premièreavond wordt het publiek in bescherming genomen door meewerkende weergoden: slechts een miniem buitje en een magere temperatuur bewijzen de kwetsbaarheid van buitentheater. En dan is ruim drie uur theater, onderbroken door 24 liedjes en een pauze, een hele zit. De ruime afstand tot de speelvloer, het grote koor staat zeker op vijftig meter van de achterste publieksrij en het verre orkest maken dat de toeschouwers hun best moeten doen de lijnen vast te houden. Met het grote aantal spelers duurt het soms even voordat je door hebt waar de spreker staat. Op het moment dat de spelers tot voor de sloot, of erin zoals Hazarman de Heilige (Gerard Aalderink) komen, merken we het verschil en slaan echte vonken over.
Het enthousiasme van de spelers vergoedt veel, ook dat lang niet alle zang loepzuiver klinkt. De vele zangers, figuranten, Sliener, Zweeler en Hesseler dorpsbewoners zorgen voor een levendig tableau. Het is moeilijk slechts vijf bij naam te noemen, maar vooruit: Wemmie Eggens als boerin Gé, Mia Dijkstra als kruidenvrouw, Robert Braam als Kwiebes, Jeroen Rienties als troubadour Quintus Querido en Marieke Meijerink als Hillegonda de jonkvrouw moeten genoemd worden. En natuurlijk Daan Pastoor als dorpsjongen.
Het spel begint en eindigt met vier hedendaagse dorpsmeiden die gek genoeg blowen als de beste, maar geen schermverslaving tonen en niet praten over het leenstelsel, kamernood, Netflix en de prijs van XTC. En een beetje letterlijke onderbroekenlol, Kwiebes’ verwijfde trekjes en dat je stotteraars helpt met een tik? Soit!
Het Thunaerverhaal is educatief ingebed in een project met zeven basisscholen. Wil je nog een vervolg op de Thunaerflow: er zijn fiets- en wandelroutes langs de historische locaties.


De verzorging onderweg is goed. We worden volgestopt met bananen, reepjes en dorstlessers als verwaarloosde pinken in verafgelegen, hooilanden. Anders dan in voetbalstadions, bij koningsdagevenementen en in stadsparken op zonnige dagen wordt er geen rotzooi achtergelaten. De wereld om ons heen oogt helder, zacht, schoon en vriendelijk. Niemand die deze dag verstoort door gitzwarte gedachten over slechte luchtkwaliteit. Nog geen drie dagen later zal Groningen verworden tot het Armageddon van de vervuildestedendivisie door superhoog te scoren in de Air Quality Index. Hoog betekent slecht. Stad Groningen ondervindt zoveel last van smog dat het onderontwikkelde steden als Calcutta, New Delhi en Peking verslaat. Amsterdam en Rotterdam scoren 100 % beter dan Groningen. Luchtvervuiling kan via COPD, astma en longkanker dodelijk zijn. Toeval of niet, maar Zomergast Wanda de Kanter, geëxcommuniceerd door het knieënslappe KWF, roept ’s avonds op vriendelijke toon in de VPRO-woestijn hoe schadelijk nicotinedealer AH en rookgevolgen kunnen zijn. Ik word 21e bij de 85 kilometer.
Ik zie een bekende kop: Gert Jakobs. In de tour heette hij de super- of meesterknecht. Een bonk spieren. Zelfs zijn imposante bilpartij gaat niet blubberen op oneffen weggedeelten. Ik hoor hem uit over hoge velgen, stuurmanskunst, carbonfietsen, isotone dorstlessers en meer. En ik blijf naast hem fietsen. ‘Hoe classificeer jij dit tempo?’ vraag ik nog snel voordat hij zich laat afzakken naar de volgauto. “Dit peloton rijdt hard.” Om een gemiddelde van 35 te halen moeten de kopmannen boven de veertig komen als ze voor een bocht tot 28 zijn gezakt. Ik zie shirtopschriften als ‘Derrrannn’, ‘Marmotte’ en ‘Klaas-Jan Terwisga fietsenherstelbedrijf’. De stoempers, sjorders en sleurders hebben geen zadeltasje dat hangt te bungelen als het scrotum van een stier maar een extra bidon met reparatiemateriaal. Ik ben de enige met een spiegeltje, bel en ligstuur. Op de kasseien voorbij Wezuperbrug ga ik eindelijk kapot. Gesloopt. Gelukkig.


vijftien concentratiekampen. Tussen ruwweg Papenburg en Lingen v i j f t i e n en er is zowat niets van overgebleven. Heel weinig mensen hebben weet van deze kampen, misschien nog minder dan er katholieken zijn met bijbelkennis. Maar dankzij de inspanningen van Pieter Albers is deze historie ontsloten.
Kameraad is historiegemotiveerd; ik ben fietsgemotiveerd: was het onderwerp baltsrituelen van bedreigde kolibrisoorten in het hoogveen dan was ik ook meegegaan. Pieter Albers is ingehuurd als deskundige. Met de dictie van een scheikundeleraar in rust spreekt hij de groep toe. Deskundig en duidelijk. Hij wordt ondersteund door een ploegje amateurhistorici uit Nieuw Schoonebeek.
In draadstaal gevatte Bentheimer bouwstenen verbeelden een draaikolk. Als de Drentse geschiedenis (Spier 2019) zich herhaalt zal dit werk binnen enkele jaren instorten als gevolg van gebroken staaldraden door een gebrekkig fundament of vandalisme. We fietsen verder naar het stationnetje in Ringe waar Albers ons toespreekt. Na de lunch waarbij we naar een film kijken over de kampen, fietsen we door, geteisterd door onweer en slagregens, naar Neugnadenfeld. Het fietserslint blijft ternauwernood intact. Het scheelt weinig of er ontstaat in plaats van een historische een speurtocht met een veelkoppig monster. We bezoeken een massagraf van Russische krijgsgevangenen. Sobere stenen zonder namen.
25 jaar en meer dan 56.000 You Tube-abonnees, dat belooft wat. Het zomeravondconcert in de Jozefkerk in Assen trekt in aantal zo’n 1,5‰ van die abonnees. Niet gehinderd door wat straatruis van het inpakken van enkele gepimpte raceauto’s speelt Van Hoef een lekker gevarieerd programma, van Bach tot Van Hoef en van Asma tot Händel via weer Van Hoef. Het mooiste moment was toen ik de tune van de kinderfilm Babe hoorde in het slotstuk van Saint Saëns. Van Hoef balanceert gedurfd tussen eigen werk, bewerkingen van geestelijke liederen en ijzeren klassiek repertoire. Daarvan is de Passacaglia en Fuga van Bach wel ongeveer het toppunt, direct gevolgd door Griegs In the hall of the Mountain King uit de Peer Gynt Suite: kort, vrolijk en grappig. De lage tonen uit de Passacaglia komen lekker in je middenrif binnen en zorgen voor een prettige mix van opwinding en rust; dit werk werd zeker vijftien minuten uitgesponnen. Ongeveer 40 keer hoorde ik het thema, onberispelijk gespeeld, in allerlei muzikale tinten voorbijkomen. Het Allegro con brio uit Sonate I van Mailly viel een beetje tegen. Het aangekondigde vuurwerk waarbij alle registers open zouden gaan bleef wat bleekjes. De opening met een liedbewerking van God is getrouw, enz. zette de toon: schitterende orgelmuziek van een Frankie de Jong van de orgelmuziek, of nou ja… Van Hoefs eigen stuk Trumpet Tune, een mooi trompetdeuntje, maar voor mij te weinig trompet, deed me aan een middeleeuwse melodie denken. Heel sensitief en meditatief vond ik de improv van Nearer my God to thee, waarvan ik hoop dat het bij mijn en wat mij betreft bij ieders crematie gespeeld zal worden, schit-te-rend.
Het hoeft geen Ali B te worden, maar het mag nog wel wat wilder, sexyer en hipper. Nog even terug naar Saint Saëns: een heerlijke inzet die naadloos naar de Babe-melodie overgaat: kippenvel, douze points. Mijn metgezel, grossierster in understatements, mompelde, voor haar doen in overcomplimenteuze bewoordingen: ‘Dit vind ik wèl leuk.’
Hoofdrolspeler Syb van der Ploeg als Salomon, speelt zich uit de naad (om maar eens een Friezisme te gebruiken). De couleur locale krijgt kracht en kleur door de locatie achter de Maartenskerk waar de opstandelingen meer dan twee eeuwen geleden daadwerkelijk werden opgesloten, de Friese paarden, de meer dan 100 spelers, waarvan een groot deel vrijwilligers uit de regio, en uiteraard de moeder aller regiotalen: het Fries. Ook niet onbelangrijk: voor locatietheater in de open lucht is er een prima balans tussen muziek en zang. Aan licht en geluid is meer dan gemiddeld aandacht besteed.
Het massaal toegestroomde publiek (er zijn zo’n 1200 bezoekers, en dat zes keer) wordt gelijk het verhaal ingezogen door irritante Franse jengelmuziek: de anti-Franse toon is dus prettig gezet. De live muziek wordt verzorgd door De Kast en een kopersectie van Wilhelmina, de Kollumer brassband. We horen ‘In neie dei’ en bewerkte ouwe gouwes als ‘Vluchten kan niet meer’ en ‘Ben ik te min’. Het kon minder. En dan die onverstoorbare Friese paarden die flegmatiek, als Friezen op vakantie in Frankrijk, een bijdrage leveren, niet alleen voor de bühne, maar ook over het kerkpaadje galopperend achter het podium. Dit soort franje maakt dat het publiek ogen tekort komt. De scene met Kollumer vrouwen die hitsige madammekes spelen toont aan dat de verraderlijk koele uitstraling van de deernes meer broeierige verlangens verbergt dan voor mogelijk wordt gehouden. 

De fietsroute langs de randen van Drenthe lijkt op een gelijkbenige driehoek: de stukken Groningen – Meppel, Meppel – Nieuw-Schoonebeek, Nieuw-Schoonebeek – Groningen zijn ongeveer even lang, een kilometer of tachtig. Drenthe heeft zijn image veranderd. Was het voorheen Magisch Drenthe, nu is het Oer-Drenthe. De woorden oer, toer, stoer hebben qua klank en inhoud met elkaar te maken. Proef de naam Bourtanger Moor eens en je weet wat wordt bedoeld. In oerprovincie Drenthe is het verrekte stoer om op één dag een toer van 255 kilometer te fietsen. Of verspreid over meer dagen natuurlijk, dat kan ook. Een fietsroute van 255 kilometer dat is geen kattenpis. Ter vergelijking: de Elfstedentocht is per schaats een kleine 200 en per fiets zo’n 235 kilometer; daar gaat Drenthe even behoorlijk overheen.
In het pinksterweekend wordt Leipzig overspoeld door duizenden verkleden die Gothicje spelen. Het ‘Wave Gotik Treffen’ trekt liefhebbers uit alle hoeken en gaten uit Duitsland en ver daarbuiten. We zien zwaar opgemaakte amateurpolitici van de Grünen, boerinnen uit de Harz, leraressen algebra en Duits uit München en makelaars en ambtenaren uit het Rijnland. Eerst veronderstelde ik nog dat het woord ‘schwarz’ zou duiden op de zwarte kousen die elkaar met Pinksteren zouden komen opwekken en opladen als een accukabel een tot op de draad versleten accu, maar nee, schwarz is de kleur van de make-up, de steeds buitenissiger gewaden en attributen van de ware liefhebbers. 
De oude Johan Sebastian, geplet onder een met bloemen overladen zerk buiten, geniet mee, weten wij.
Het lichtroze en het mint van de pilaren en de plafonds doen prettig profaan aan, evenals een handvol Gothics die de maagdelijk witte kerkbanken sieren.