De première van Salomon, het Kollumer Oproer is oorverdovend mooi.
Hoofdrolspeler Syb van der Ploeg als Salomon, speelt zich uit de naad (om maar eens een Friezisme te gebruiken). De couleur locale krijgt kracht en kleur door de locatie achter de Maartenskerk waar de opstandelingen meer dan twee eeuwen geleden daadwerkelijk werden opgesloten, de Friese paarden, de meer dan 100 spelers, waarvan een groot deel vrijwilligers uit de regio, en uiteraard de moeder aller regiotalen: het Fries. Ook niet onbelangrijk: voor locatietheater in de open lucht is er een prima balans tussen muziek en zang. Aan licht en geluid is meer dan gemiddeld aandacht besteed.
Een ingenieuze vondst, een Nederlands sprekende Google Maps, kundig gepresenteerd door Meriyem Manders, maakt het spektakel voor niet-Friessprekers te volgen. Af en toe staat Google Maps aan de laadpaal waarbij ledlampjes als een aura oplichten. Zij linkt het verleden aan de nieuwe tijd en wijst Salomon op gedachtenkronkels.
Het verhaal in een notendop: de uit Duitsland gevluchte Jood Salomon Levy is allergisch voor onrecht. Hij komt in actie als enkele streekjongens, Jan Binnes en Abele Reitses, de ene vanwege zijn rol bij het Kollumer Oproer en de ander vanwege dienstweigeren, door de Franse overheersers worden vervolgd. Salomon wordt neergezet als vrije jongen, womanizer met een libido als een gevuld kruidvat, en vooral strijder tegen discriminatie en onrecht: ‘Ik bin fan net ien!’. Het komt meer dan goed uit dat Syb van der Ploeg, in het echt ook nazaat van Salomon Levy, kan zingen en toneelspelen. De Fransozen doen waar ze goed in waren: ze guillotineren de hoofdpersoon. 
De verhaallijn wordt door scriptschrijver Dick van den Heuvel naar het nu en het recente verleden eigentijds gehouden, zonder de historische setting te verwaarlozen. Er wordt tot het randje met de chronologie gespeeld. De spelers zijn gekleed in historische kledij die zo uit het Museum in Veenklooster lijkt te komen. De verbindende elementen zijn de nare behandeling die marathonloopster Foekje Dillema ten deel viel, een hint naar de Me-Too-discussies, en meer. In de Foekje Dillema-case krijgt de KNAU het behoorlijk te verduren. Een vreemde noot in het spel is een terugkerende discussie tussen humoristische representanten van de berenburgindustrie. De aanwezigheid van schaatser Henk Angenent toont de sympa bereidheid om spruitjes telende niet-acteurs een kans te geven voor een groot publiek, wa wit…
Het massaal toegestroomde publiek (er zijn zo’n 1200 bezoekers, en dat zes keer) wordt gelijk het verhaal ingezogen door irritante Franse jengelmuziek: de anti-Franse toon is dus prettig gezet. De live muziek wordt verzorgd door De Kast en een kopersectie van Wilhelmina, de Kollumer brassband. We horen ‘In neie dei’ en bewerkte ouwe gouwes als ‘Vluchten kan niet meer’ en ‘Ben ik te min’. Het kon minder. En dan die onverstoorbare Friese paarden die flegmatiek, als Friezen op vakantie in Frankrijk, een bijdrage leveren, niet alleen voor de bühne, maar ook over het kerkpaadje galopperend achter het podium. Dit soort franje maakt dat het publiek ogen tekort komt. De scene met Kollumer vrouwen die hitsige madammekes spelen toont aan dat de verraderlijk koele uitstraling van de deernes meer broeierige verlangens verbergt dan voor mogelijk wordt gehouden. 
Een indrukwekkende scene is die waarin spelende kinderen de jonge Salomon wegpesten met discriminerende teksten als Je hoort hier niet, Joden hebben Jezus vermoord, opzouten! waarbij ongetwijfeld subtiel wordt verwezen naar de bepaald onfrisse houding van de Kollumers toen eind vorige eeuw de moordenaar van Marianne Vaatstra in het asielzoekerscentrum werd gezocht in plaats van in een aanpalend dorp. Wat ik miste voor een evenwicht tussen terechte regionale trots en overdreven chauvinisme was een kat naar de blokkeerfriezen; oog voor je eigen tekortkomingen zou een fraaie extra laag zijn geweest.
(Salomon, het Kollumer oproer; 4 t/m 9 juli 2019; stoel € 31,50; consumptiemunten € 2,50)


De fietsroute langs de randen van Drenthe lijkt op een gelijkbenige driehoek: de stukken Groningen – Meppel, Meppel – Nieuw-Schoonebeek, Nieuw-Schoonebeek – Groningen zijn ongeveer even lang, een kilometer of tachtig. Drenthe heeft zijn image veranderd. Was het voorheen Magisch Drenthe, nu is het Oer-Drenthe. De woorden oer, toer, stoer hebben qua klank en inhoud met elkaar te maken. Proef de naam Bourtanger Moor eens en je weet wat wordt bedoeld. In oerprovincie Drenthe is het verrekte stoer om op één dag een toer van 255 kilometer te fietsen. Of verspreid over meer dagen natuurlijk, dat kan ook. Een fietsroute van 255 kilometer dat is geen kattenpis. Ter vergelijking: de Elfstedentocht is per schaats een kleine 200 en per fiets zo’n 235 kilometer; daar gaat Drenthe even behoorlijk overheen.
In het pinksterweekend wordt Leipzig overspoeld door duizenden verkleden die Gothicje spelen. Het ‘Wave Gotik Treffen’ trekt liefhebbers uit alle hoeken en gaten uit Duitsland en ver daarbuiten. We zien zwaar opgemaakte amateurpolitici van de Grünen, boerinnen uit de Harz, leraressen algebra en Duits uit München en makelaars en ambtenaren uit het Rijnland. Eerst veronderstelde ik nog dat het woord ‘schwarz’ zou duiden op de zwarte kousen die elkaar met Pinksteren zouden komen opwekken en opladen als een accukabel een tot op de draad versleten accu, maar nee, schwarz is de kleur van de make-up, de steeds buitenissiger gewaden en attributen van de ware liefhebbers. 
De oude Johan Sebastian, geplet onder een met bloemen overladen zerk buiten, geniet mee, weten wij.
Het lichtroze en het mint van de pilaren en de plafonds doen prettig profaan aan, evenals een handvol Gothics die de maagdelijk witte kerkbanken sieren.












Je kijkt naar verticale, zwart-witte banen op papier. Je ogen registreren iets anders dan je hersenen willen dat je ziet. Je denkt links stroken te zien die zich losrollen van het oppervlak. Je kan er een pen aan vastklikken. Denk je. Je ziet rechts dat de fraaie krul zich weer vloeiend aan het papier laat hechten en opnemen. Dat is wat Grignani’s kunst weet te bewerkstelligen: niks krul, maar vlak als gevlinderd beton.
Het misschien kleinste Europese museum, het M.A.X te Chiasso in Zuid-Zwitserland, een soort schoenendoos op poten, exposeert werk van Franco Grignani: fotografie, grafisch werk en (kleine) objecten. Het museum ademt rust en kalmte als een Zwitsers kantoor voor de registratie van bootvluchtelingen. Er worden speciale rondleidingen georganiseerd: voor (groepen) scholieren, werkers in het onderwijs, grootouders, vrienden van het museum en ouders met kleine kinderen. Ook zijn er speciale publiekspresentaties, internationale presentaties en manifestaties samen met Il Cinema Teatro. Voor deze activiteiten is tijd genoeg, want de expositie duurt maar liefst zeven maanden.
Fotografie is vaker kunstig dan kunst.
We zien een foto van ijzergaas achter spiegelend glas: een beetje vouwen, bijknippen en kneden, klaar, afdrukken maar, denk je. Bij iets langer spieden en turen ontwaren we nieuwe vormen en structuren, als je wil ontdek je een schildpadkop. Naast grafisch werk, het meeste in zwart en wit en het commercieelste, posters en affiches voor bedrijven, in kleur, en fotografie zien we ruimtelijk werk. Grignani ontwierp veel bedrijfslogo’s. Hij werd bekend door het Woolmark-logo, dat in 2011 door het Creative Review Magazine werd verkozen tot ‘Beste logo aller tijden’.
De expositie begint met een video over de kunstenaar. In één van de eerste zaaltjes zien we een prachtige potloodtekening die Grignani’s artistieke vaardigheid onderstreept. Buiten hangen pubers rond, met de rust van een Christen-Unie congres in de Alpen, verveeld chillend voordat de deuren na twee uren pauze, Zwitserland hè, weer openzwaaien.
Wethouder Jeroen Huizing zag met lede ogen aan dat de paasbulten dit jaar kleiner dan normaal zouden blijven vanwege een schaarste op het snoeitakkenfront. Vuurtjes stoken willen we allemaal. Zelf fakkelde ik, tot vorig jaar, zelfs tuinafval op. De wethouder zal ook van branden houden, schat ik. Royaal stelde hij voor dat de gemeente Coevorden snoeihout beschikbaar wil stellen aan paasbultbouwers. Paasvuren zijn een mooie traditie en er zijn hier kwade geesten genoeg die erom vragen met een vuurtje en rook verjaagd te worden. Wethouder Huizing licht zijn standpunt toe door te zeggen dat ‘de Randstad-elite’ zich te veel zou mengen in het Paasvuren-ja-paasvuren-nee-discours. De wettenhouder maakt hier gebruik van een veelgebruikte retorica-truc door kritische naturen een onecht label op te plakken, ook wel framen genoemd. Niet iedere kritische geest maakt deel uit van de Randstad-elite.


T/m 5 mei 2019 is de glasverzameling van Dale Chihuly nog te zien in het Groninger Museum. Ik hoorde er iemand over pochen. Ach, iedereen kan zich vergissen. Maar ja, niet iedereen heeft jeugdherinneringen aan een glazen asbak op tafel waardoorheen magische kleuren sliertten als uitgerekte olieresten in een sloot, of aan uitvergrote kleuren in het verenkleed van een kievit of een sierduif. Niet iedereen paart in het geheugenlabyrint de kleurenexplosie van de glazen bollen aan een doos kerstballen of stuiters die, eenmaal tevoorschijn getoverd vanachter het knieschot, de kleurenreceptoren in je ogen bijna deden exploderen als onweer je oren. Ook niet elkeen zal in zijn jeugd bij de Chinees hebben
gegeten, zittend naast een aquarium waardoorheen felgekleurde tropische visjes heen en weer schichtten als ongestuurde raketjes op oudjaarsavond. Die jeugdbeelden komen bij mij op als boertjes na een vette maaltijd als ik de kitscherige, fabrieksmatig geconcipieerde glasproducties in Engelse-dropkleuren aanschouw in het Groninger Museum. Het carnavaleske glas probeert zo fanatiek op een koraalrif te lijken dat het blasfemische proporties aanneemt. Hier, zo realiseer ik me, wordt een loopje met k u n s t genomen. Dat de museumdirectie heeft besloten een extra € 5,- te leggen op de entree voor handenarbeid en huisvlijt is onderkoeld gezegd onkies. Huur een ploeg eersteklas glasblazers in, zet die in een goed geoutilleerde fabriekshal en laat ze glas blazen en draaien en druppend uitrekken en weer afkoelen dat het een aard heeft. Zet twintig rode glazen kaarsen rechtop in een grindbak in de buitenlucht en laat het publiek
denken dat dit soort geglazuurde pijlstaarterecties moeilijk maakbaar en daardoor kunstig zijn. Demonteer de losse, nog nasissende en druipende onderdelen zoveel mogelijk, leg ze in met piepschuim beklede, gewatteerde kisten en transporteer die naar musea in provinciehoofdsteden waar men houdt van kerstballen, druipkaarsen en zich verwonderen over fake transportproblemen. Echt, iedereen mompelde: “Hoe hebben ze dit hierbinnen gekregen?” Miniaturen worden in de museumwinkel aangeboden voor oversized prijzen: van € 6.000 – € 7.500,- Zoveel opgeblazen lucht verdraagt dit mooie museum niet; we zien op het oog onverwoestbare stalen spanten in de Coop
Himmelb(l)au-vleugel spontaan corroderen ten teken van een geelhesjesgevoel dat onhoorbaar maar permanent NEE roept, als een viraal gaand twitterbericht van een gedrogeerde Brexitvoorstander. Mendini zou zich in zijn graf ….