Gijs Boelen, de Donny van de Beek van de orgelmuziek

Als Bach een combi van Pele, Cruijff en Messi in één is, dan is Gijs Boelen de Donny van de Beek van het orgel. Boelen speelt Bach, Händel, Franck en Boelen. Omgezet in een persoonlijke lijst wordt dat: I: Bach, II: Boelen en Händel en Franck gedeeld op III. Zeer jammer dat Boelens eigen compositie Moto Ostinato niet te beluisteren is op YouTube; via Google kom je bij Petr Eben i.p.v. bij Boelen. Ook zijn Arabische Dans vind ik, na 43 seconden zoeken <en dat is voor internetsurfers verrekte lang> niet terug, ook niet op Boelens eigen website [waarop wel fragmenten van ander, ook lang niet misselijk werk, bijvoorbeeld van Einaudi, zijn te beluisteren]¹. Mijn Donny-van-de-Beek-vergelijking vindt onder de concertbezoekers geen weerklank behalve glazige ogen; dit is een bewijs van wat ik de orgelmuziekbubbel noem. Terug naar de muziek. Bach = een combi van Pele, Cruijff en Messi: de uniciteit en de kwaliteiten zijn ongeëvenaard. Boelen is een jonge organist, een allround middenvelder met zowel aanvallende als defensieve kwaliteiten, een veelzijdige voor wie wat op een exceptioneel complex muziekinstrument beuken en timmeren en vlijen en zoekend tasten en strelen en aaien en uitdagend masseren niet genoeg is, nee, hij componeert zelf. Daarmee ontstijgt hij het leger van uitvoerende musici en wordt een, eh kunstenaar. Niet een uitvoerder of namaker maar een maker. 

Terug naar het concert (op 29 mei ’19 in Coevorden, entree € 9,-). Waarom Boelen met Bach begint is een raadsel, maar daarmee zijn de verwachtingen gelijk hoog gespannen. Na de eerste seconden hoor je het al: hier speelt een topper, Ajax-waardig. Soms inhouden, pingelen, diep over links of rechts, een schijnbeweginkje, een verrassend schot op doel maar nooit schwalbes, overtredingen en shirtjetrekken. Bij een onverwachte situatie, een tweede bal op het veld: gewoon rustig opnieuw beginnen. We slaan Händel en Franck maar even over, the usual suspects zeg maar, prachtmuziek daar niet van en gaan naar Boelens eigen werk: Moto Ostinato. Veelvuldig herhaalde thema’s, ik noteer vier +’jes. Ik verbeeld me zelfs dat het swingt. Geen wonder. In de bijsluiter noemt Boelen invloeden van de symfonische rock en de jazz. En de Arabische dans brengt je naar de allermooiste stegen van de verlokkelijkste Marokkaanse kasbahs, je ruikt de kruiden, de hashiesh, je voelt de zinnenprikkelende zon en de verleidelijke blikken onder halve sluiers en als je niet oplet word je gebeten door een muzikale slang die zich uitrekt om de dansmuziek te horen en net als je een biljet van € 10,- onder een riempje om een snel bewegende buik van een sensueel dansende schone wil steken, is het voorbij.

En waarom dan toch maar een veertig bezoekers? De orgelmuziek moet uit haar zelfgecreëerde bubbel komen. De deuren open. Orgels staan vaak in slecht toegankelijke kerkgebouwen. Het lijkt erop dat de belangstelling voor orgelmuziek gelijke tred houdt met leegloop bij de gastheer. Net zoals Cruyff Foundation met Cruyff courts in stadswijken de jeugd barrièrevrij aan het voetballen krijgt moeten de Boelens van deze tijd orgels op platte karren monteren, de Champions League Hymne bewerken, Ed Sheeran, Duncan Laurence, Franse en Amerikaanse (en vooruit) Nederlandse rappers en zich op markten, sta(t)(d)ionspleinen, op festivals enz. enz. vertonen. Als de bliksem, nu het nog kan.

 

¹Herstel: een fragment van Arabische Dans staat wel op Boelens website. Ik vind het na 2.14 minuten zoeken.

Lintjesregen aan de markt in Emmen

Word actief in een kerk, ga wonen in een buitendorp en wees een man: drie eigenschappen van lintjeskrijgers anno 2019 in Emmen. Van de 3000 in Nederland werden er vijftien in Emmen uitgedeeld. Wordt elke aanvraag gehonoreerd? Neen: 11% wordt afgewezen, mensen met een berispelijk verleden komen niet in aanmerking.

foto Emmer Courant

Wat een mooie bijeenkomst werd het: een geoliede machine met heerlijke muziek, onder het spelen van Johan Pachelbels canon in D zag je zelfs zedig deinen van brede en smalle heupen, heel kort maar een haperende microfoon, uitstekende catering (de heerlijkste hapjes in glas. Nu nog de plastic vorkjes voor echte ruilen en het wordt een tien!), een geoefend spreker en een vrolijk, op zijn zondags uitgedost publiek en dan ook nog een ideale en schitterende locatie in de grote kerk in Emmen: geen zerken boven lang vergane lijken maar vloertegels van de Gamma, een stuk of vijf kapotte lampjes in een middeleeuws aandoend karrewiel onder een in blauwgroen gespoten houten gewelf, spinnenwebben op een veel te groot houten kruis, beeldende kunst aan de muur en een uitgelaten gezelschap. Het kon minder. De Grote Kerk in Emmen begrijpt het: in plaats van steeds slechter bezochte erediensten over door mensen bedachte (af)goden worden er wijn- en bierproeverijen georganiseerd, eet- en muziekfestijnen van Rotary, de Gouden Pijl-presentatie, een sekswerkerscongres & de Mattheus Passion, inlooporgelconcerten en exposities van beeldend kunstenaars, fotografen en eindexamenexpo’s: deze kerk gaat het wel redden. En de jaarlijkse lintjesregen.

In geen land ter wereld wordt meer aan vrijwilligerswerk gedaan dan in Nederland. Aan de lintjes te zien schort het nog aan een evenredige verdeling over de bevolkingsgroepen. In 2019 zien we geen mensen met een buitenlandse achtergrond. Wel zien we penningmeesters, websitebeheerders, manusjes van alles, decorbouwers, sportclubmedewerkers, juwelen, toneelspelers, gouden harten, kerkelijk medewerkers, EHBO’ers, wijkwerkers, dansgroep assistenten, duizendpoten, Zonnebloemers en meer. Wat betekent het dat dertien van de vijftien lintjes aan mensen van buiten Emmen worden uitgereikt? Dat het voor Emmenaren moeilijker is er één te krijgen natuurlijk. Of dat in de buitendorpen actiever geworven wordt. Alle vijftien werd een medaille in de Orde van Oranje Nassau opgespeld, dus geen gesodemieter met rangen en standen. Bij acht van de vijftien was er een duidelijke relatie met een kerkgenootschap. Emmen volgt de landelijke trend met 35% lintjes voor vrouwen: er waren zes vrouwen tegen negen mannen en, een novum? twee echtparen kregen een lint. Daar moet je als gemeente natuurlijk voorzichtig mee zijn, aan homeopathische verdunning hebben we natuurlijk niets. Wij kwamen speciaal voor Ine Schilder – Olierook. Met Humberto Tan, Fong Leng, Björn Kuipers en  Gerard Spong en vele anderen hoort zij dit jaar tot de gelukkigen.

Dan komen de drankjes en de fotografen. Burgemeester-conferencier-spreekstalmester Eric van Oosterhout regisseert op zijn burgemeesters door via de microfoon luid en duidelijk tegen de verbouwereerden: ‘Glas d’r afpakken!’ te prediken als de oranjebitters op een dienblad voorbijkomen en dan komt de groepsontlading door het samen zingen van het Wilhelmus.

Expositie CBK ‘Werkplaats Emmen 2019’; 13 04 19 – 16 06 19

Van Leuken

Paardenfokkers, parochiezalen en prachtige schilderijen

33 ‘professionele’ kunstenaars tonen hun kunnen met werk dat de laatste drie jaren is gewrocht. We zien een paar zalen vol geslaagd, af, onaf, interessant, teleurstellend, intrigerend en mooi, veelal braaf en incidenteel schitterend werk. Schuimbekkende toeschouwers zullen (helaas) weer uitblijven, want er is niets dat aanstoot geeft, of het zou het beeld van Myrte van Dijk moeten zijn, dat een Round-up drinkende figuur uitbeeldt. Men blijft binnen de grenzen en de lijnen van wat

Banis

acceptabel is en verdragen wordt in Zuidoost-Drenthe. De exposerende kunstenaars kwasten, tekenen, fotograferen en bewerken, kleien; nou ja: ontwerpen en maken kunst met enthousiasme en liefde, dat is te zien. Er is niets wat je niet aan een oude tante, buurman of opa zou durven schenken, maar er is ook weinig dat een museum zal halen. De expo heeft pretenties. Het zou gaan om professionele kunstenaars. Maar wat dat precies inhoudt blijft vaag als de Nexit-plannen van T. Baudet. Zoals professionele paardenfokkers kunnen leven van paarden fokken, professionele sekswerkers van het aanbieden van hun diensten, zo zouden professionele kunstenaars

Van Dijk

moeten kunnen bestaan van wat ze maken. Maar de meesten (alle?) hebben bijbanen als leraar, pension- of galeriehouder of iets anders en daarmee zijn het meer semi-profs of amateurs. Het woord professioneel houdt ook een kwalitatieve belofte in. Die wordt door de meeste deelnemers glansrijk maar door een klein deel van de deelnemers niet waargemaakt. We zien werken die als opperste doel een perfecte mate van ultieme abstractie lijken na te streven, we zien werk dat in parochiezalen geleend lijkt te zijn of uit de hobbykamers van Jehovah’s Getuigen lijkt te stammen en we zien werk dat, wie weet professioneel, in opperste vaart, zo te zien met een snelheid van 25 per uur, met blokkwasten tegen het canvas lijkt te zijn gedrapeerd. En wie zien werk dat, mocht de toeschouwer er gevoelig voor zijn, uitnodigt tot verregaande somberheid. Ik spreek een deelnemende kunstenaar die mij provoceert door werk van Helmantel niet-professioneel te noemen. Tentoonstellingsmaker Slijpen

Van den Brink, detail

gaat ook in op de vraag wat professionele kunst inhoudt. Hij zegt met het nodige gevoel voor drama: “De vraag raakt mij.” Hij noemt een profi ‘iemand die een beroepspraktijk heeft’ en die van zijn werk zijn vak heeft gemaakt, maar niet per definitie succesvol hoeft te zijn. Een opleiding is niet per se nodig. Daarnaast moet je het durven, ambitie hebben en productie kunnen maken. Jammer genoeg gaat Slijpen geheel voorbij aan de kwalitatieve component. Zo kan seriematig geproduceerd werk van de woonboulevard uiterst professioneel zijn geconcipieerd, maar over smaak valt nog wel te twisten.

Lubbersen, 2 van de 25

Wethouder Robert Kleine noemt het door hem geobserveerde werk goed bij elkaar gezocht van talent dat in Emmen ‘rondloopt’. Het werk ‘vloekt niet met elkaar.’ In een vlaag van professionele assertiviteit complimenteert de wethouder zichzelf wanneer hij meedeelt dat hij  wanden op zijn werkkamer heeft vrijgemaakt voor zowel amateur- als professionele kunstenaars.

Wat zien we voor moois bij elkaar? Schilderijen, keramiek, tekeningen, objecten, veel

Immenga

 

meer én buitenbeen fotografie. Internationaal doorgebroken Saskia Boelsems toont prachtige foto’s die meer dan erg hun best doen geschilderd te lijken; haar indrukwekkende luchten, die het einde der tijden lijken aan te kondigen, zijn inmiddels haar handelsmerk. Melanie Banis heeft een reusachtige muurtekening gemaakt, die meer dan overeind blijft door de schitterende lichtinval die over het Oranjekanaal heen de zalen inspringt. Het voor haar werk geposteerde minibioscoopje daagt uit met een verticale projectie. Van Dick Lubbersen zien we 25 blokjes van ca 10 bij 10 die samen een prachtige beeldlijn vormen, als minifoto’s een begin van een kunstfilm. Architectschilder Jan van den Brink is een fijnschilder met intrigerende, surrealistische beelden en motieven, werk dat ook te zien is in Thijnhof te Coevorden. Van Pieter Immenga zien we bijna sprookjesachtige doeken die bij eerste oogopslag niet alles prijsgeven. Bij nadere bestudering zie je lagen achter de bomen vandaan kruipen die je het werk inzuigen.

Top of the bill is een kleurrijk schilderij (acryl op dibond) van Maarten van Leuken, een schilderij dat je ogen wil vasthouden als een vacuüm gezogen deksel op een glad aanrechtblad, dat je biologeert en daarenboven vrolijk stemt als een bonte specht in een forsythia in het voorjaar. Tenslotte: Ellen Kroeze presenteert prachtige schilderijen van welke het mooiste een ziekenzaal is met een treintje op de voorgrond en een roodborstje (?) op een gordijnrail. Mooi!

Kroeze, detail

Franco Grignani van 160219 – 150919 in M.A.X. Chiasso (Zw)

Je kijkt naar verticale, zwart-witte banen op papier. Je ogen registreren iets anders dan je hersenen willen dat je ziet. Je denkt links stroken te zien die zich losrollen van het oppervlak. Je kan er een pen aan vastklikken. Denk je. Je ziet rechts dat de fraaie krul zich weer vloeiend aan het papier laat hechten en opnemen. Dat is wat Grignani’s kunst weet te bewerkstelligen: niks krul, maar vlak als gevlinderd beton.

Het misschien kleinste Europese museum, het M.A.X te Chiasso in Zuid-Zwitserland, een soort schoenendoos op poten, exposeert werk van Franco Grignani: fotografie, grafisch werk en (kleine) objecten. Het museum ademt rust en kalmte als een Zwitsers kantoor voor de registratie van bootvluchtelingen. Er worden speciale rondleidingen georganiseerd: voor (groepen) scholieren, werkers in het onderwijs, grootouders, vrienden van het museum en ouders met kleine kinderen. Ook zijn er speciale publiekspresentaties, internationale presentaties en manifestaties samen met Il Cinema Teatro. Voor deze activiteiten is tijd genoeg, want de expositie duurt maar liefst zeven maanden.

De expo met Grignani de veelzijdige stelt niet teleur, iets wat me bij fotografie en grafiek vaak gebeurt vanwege meer dan gemiddeld obligaat, seriematig werk, dat veelal ogenschijnlijk met plezier, technische precisie en toewijding door werknemers en stagiairs in kunstfabriekjes wordt afgewerkt in (oncontroleerbaar) hoge oplages. Vaak etaleren fotografie en grafisch werk meer kwalitatieve en vooral kwantitatieve (hand)vaardigheid, ondersteund door dure, hoogwaardige, geavanceerde apparatuur dan artisticiteit.  Fotografie is vaker kunstig dan kunst.

Grignani (1908 – 1999) is een uitzondering vanwege de hoge kwaliteit (soms doet zijn werk gewoon aan Esscher denken) en de grote diversiteit. We zien een foto van ijzergaas achter spiegelend glas: een beetje vouwen, bijknippen en kneden, klaar, afdrukken maar, denk je. Bij iets langer spieden en turen ontwaren we nieuwe vormen en structuren, als je wil ontdek je een schildpadkop. Naast grafisch werk, het meeste in zwart en wit en het commercieelste, posters en affiches voor bedrijven, in kleur, en fotografie zien we ruimtelijk werk. Grignani ontwierp veel bedrijfslogo’s. Hij werd bekend door het Woolmark-logo, dat in 2011 door het Creative Review Magazine werd verkozen tot ‘Beste logo aller tijden’.

De expositie begint met een video over de kunstenaar. In één van de eerste zaaltjes zien we een prachtige potloodtekening die Grignani’s artistieke vaardigheid onderstreept. Buiten hangen pubers rond, met de rust van een Christen-Unie congres in de Alpen, verveeld chillend voordat de deuren na twee uren pauze, Zwitserland hè, weer openzwaaien.

Oikofobie, Oikocredit, oikofilie

Dankzij Baudet weten we inmiddels wat oikofobie betekent. We kenden natuurlijk al Oikocredit (dat al jaren tussen de 0,55 en 1,0 % rendement oplevert). Graag voeg ik er oikofilie aan toe. In mijn regio, Klaas houd het klein, komt oikofilie veel voor. Een mooi voorbeeld zagen we deze week in een persbericht van de gemeente Coevorden.  Wethouder Jeroen Huizing zag met lede ogen aan dat de paasbulten dit jaar kleiner dan normaal zouden blijven vanwege een schaarste op het snoeitakkenfront. Vuurtjes stoken willen we allemaal. Zelf fakkelde ik, tot vorig jaar, zelfs tuinafval op. De wethouder zal ook van branden houden, schat ik. Royaal stelde hij voor dat de gemeente Coevorden snoeihout beschikbaar wil stellen aan paasbultbouwers. Paasvuren zijn een mooie traditie en er zijn hier kwade geesten genoeg die erom vragen met een vuurtje en rook verjaagd te worden. Wethouder Huizing licht zijn standpunt toe door te zeggen dat ‘de Randstad-elite’ zich te veel zou mengen in het Paasvuren-ja-paasvuren-nee-discours. De wettenhouder maakt hier gebruik van een veelgebruikte retorica-truc door kritische naturen een onecht label op te plakken, ook wel framen genoemd. Niet iedere kritische geest maakt deel uit van de Randstad-elite.

Paasvuren? Prima. Mooi voor de liefhebbers. Maar met de kennis van nu over het uitstoten van CO2 en de risico’s van overslaande brandjes (Scheveningen) zou je ook een pas op de plaats kunnen maken. Overdrijf de kunst van het stapelen zou ik zeggen en onderdrijf de drive een zo hoog en groot mogelijke bult te bouwen met alle risico’s en nadelen van dien. Zet gezelligheid voorop, een beetje als in het welpenvoetbal: meedoen is belangrijker dan winnen. Zo’n oikofiele, om niet te spreken van oikomaniakale houding van een gezagsdrager is ongepast. Of zien we hier een regiopoliticus van CDA-huize die vreest ingehaald te worden door oikofiele Forum-voor-democratie-politici? Straks krijgen we nog obesitas goedpratende fysiotherapeuten (een patatje joppiesaus laten we ons niet afpakken), huisartsen die het roken niet durven aanpakken (stoppen met roken is niet gemakkelijk, zie ik) of brandweercommandanten die dealen in vuurwerk….

Salomon Levy II, over echte ‘Salomonnen’ en meer

plaggenhut (een in de buurt van Zwaagwesteinde veel voorkomende woonvorm in de 18e eeuw)

(Getriggerd door het aangekondigde muziekspektakel ‘Het Kollumer Oproer’ over Salomon Levy <van 4 t/m 8 juli 2019 in Kollum>; met Syb van der Ploeg als Salomon Levy, ben ik even in mijn familiehistorie gaan kijken). Hoe zagen mijn voorouders van moeders kant eruit? Wordt dat ook beschreven door De Haan in Salomon Levy? Hoe zag de Noordoost-Friese wereld eruit eind 1700? Bij De Haan lezen we dat Zwaagwesteinde, een ventersdorp in de overgang van boerendorp naar heidedorp, zo’n 110 huizen ‘met een belastbare schoorsteen’ telde, waarvan 77 betaalvrijstelling hadden. In 1749 bestond de (beroeps)bevolking uit 17 arbeiders, 13 boeren, 5 weduwen, 4 karakteristieke heidelui, 4 handelslui, 3 schippers, 2 onbekende oude mensen, 1 spinbaas, 1 winkelier en 1 matroos. Slechts zes van de eenenvijftig huishoudens ontkwam aan de armoede (aldus H. De Haan in Salomon Levy). De Haan wordt na de secce beschrijving van gedocumenteerde informatie wat overmoedig als hij zich waagt aan subjectieve waarnemingen. Dat geeft hij ook zelf wel toe met: “….het is dansen op het slappe koord, maar laten we het proberen…” De Haan vervolgt met het inventariseren van Salomons eigenschappen: actief, vrijmoedig, intelligent, handelsgeest, spreekvaardigheid, toneeltalent, niet overmatig eerlijk, aanpassingsvermogen en zwerflust. Als Salomonachtige (sic!) beroepen worden, rekening houdende met de invloed van ingetrouwde partners,  genoemd: kooplieden, intellectuelen (gesproken wordt over een onderwijzeres, gemeentesecretaris en een dominee), politici, geldmagnaten, toneelspelers, enz. Het gaat nog verder.  Na een relativerend statement: ‘Zijn de afstammelingen van Salomon op het hoogtepunt van hun ontwikkeling (4e en 5e generatie) echte Salomonnen?’ De Haan durft het zelfs aan Salomons invloed op het uiterlijk van de Westereintsjers te beschrijven. De Sikkema’s (K. Sikkema sr. en K. Sikkema jr. in ‘Zwaagwesteinde, het ventersdorp op de Friese heide’) citerend, zegt hij: ‘Door vermenging van Salomons Joodse bloed met dat van de destijds al aanwezige zwerversbevolking zou een typisch ‘meng-ras’ zijn ontstaan.’ Het verenigt kenmerken van de Joodse koopman met die van de aan ontberingen gewende zwever. Let op, nu komt het: ‘Grote, forsgebouwde mensen treft men in Zwaagwesteinde niet aan, het haar is donker, soms zelfs rossig en donker is ook de huidskleur.’ De Sikkema’s: ‘… men herkent in de bruinogige krullebollen vaak nog onmiskenbaar de invloed van het volk van Israël.’ De kinderen van Salomon zouden zich vanwege hun bruine huidskleur ‘Bruinsma’ en later ook ‘De Bruin’ genoemd hebben.’ De Haan concludeert zonder op tegenspraak te rekenen: ‘Men kin dit sûnder mear oannimme.’

Glas van Dave Chihuly in het Groninger Museum

T/m 5 mei 2019 is de glasverzameling van Dale Chihuly nog te zien in het Groninger Museum. Ik hoorde er iemand over pochen. Ach, iedereen kan zich vergissen. Maar ja, niet iedereen heeft jeugdherinneringen aan een glazen asbak op tafel waardoorheen magische kleuren sliertten als uitgerekte olieresten in een sloot, of aan uitvergrote kleuren in het verenkleed van een kievit of een sierduif. Niet iedereen paart in het geheugenlabyrint de kleurenexplosie van de glazen bollen aan een doos kerstballen of stuiters die, eenmaal tevoorschijn getoverd vanachter het knieschot, de kleurenreceptoren in je ogen bijna deden exploderen als onweer je oren. Ook niet elkeen zal in zijn jeugd bij de Chinees hebben gegeten, zittend naast een aquarium waardoorheen felgekleurde tropische visjes heen en weer schichtten als ongestuurde raketjes op oudjaarsavond. Die jeugdbeelden komen bij mij op als boertjes na een vette maaltijd als ik de kitscherige, fabrieksmatig geconcipieerde glasproducties in Engelse-dropkleuren aanschouw in het Groninger Museum. Het carnavaleske glas probeert zo fanatiek op een koraalrif te lijken dat het blasfemische proporties aanneemt. Hier, zo realiseer ik me, wordt een loopje met k u n s t genomen. Dat de museumdirectie heeft besloten een extra € 5,- te leggen op de entree voor handenarbeid en huisvlijt is onderkoeld gezegd onkies. Huur een ploeg eersteklas glasblazers in, zet die in een goed geoutilleerde fabriekshal en laat ze glas blazen en draaien en druppend uitrekken en weer afkoelen dat het een aard heeft. Zet twintig rode glazen kaarsen rechtop in een grindbak in de buitenlucht en laat het publiek   denken dat dit soort geglazuurde pijlstaarterecties moeilijk maakbaar en daardoor kunstig zijn. Demonteer de losse, nog nasissende en druipende onderdelen zoveel mogelijk, leg ze in met piepschuim beklede, gewatteerde kisten en transporteer die naar musea in provinciehoofdsteden waar men houdt van kerstballen, druipkaarsen en zich verwonderen over fake transportproblemen. Echt, iedereen mompelde: “Hoe hebben ze dit hierbinnen gekregen?” Miniaturen worden in de museumwinkel aangeboden voor oversized prijzen: van € 6.000 – € 7.500,- Zoveel opgeblazen lucht verdraagt dit mooie museum niet; we zien op het oog onverwoestbare stalen spanten in de Coop Himmelb(l)au-vleugel spontaan corroderen ten teken van een geelhesjesgevoel dat onhoorbaar maar permanent NEE roept, als een viraal gaand twitterbericht van een gedrogeerde Brexitvoorstander. Mendini zou zich in zijn graf ….

Ramses 85 in de Grote kerk Emmen 28 februari 2019 (€, 27,50)

Met aanjagers/zangers Anne de Blok en Stephan Peters waait er een muzikale wind door de Grote Kerk in Emmen die de bezoekers vrolijk stemt. De band Shaffy 85 speelt de witkalk van de muren en de antieke kroonluchters vibreren zichtbaar, een beetje als het ingetogen publiek dat staand het slotnummer meezingt. Expressief, enthousiast, opzwepend, speels, beweeglijk, inventief, gevoelig, spontaan en vooral muzikaal tot op het bot zijn ze alle vijf: zangeres, actrice, sing&songwriter, theatermaakster en presentatrice Anne de Blok, zanger Stephan Peters (studeerde cum laude af aan het conservatorium), pianist Jochem le Cointre (studeerde aan de New York Piano Academy), bassist (¡Broeia!- en Doppler Trio-lid) Floris Jan van den Berg en drummer Tim Hennekes (21, winnaar van Outstanding Talent Award).

Twee uitstekende keuzen had Rotary Emmen gemaakt met Shelterbox als goed doel en als muzikale act Shaffy 85. De soms toch wat stoffige muziek van chansonnier Shaffy en List kreeg met deze vijf jonge gasten een push up, een boost, een extra vibe. En in de pauze was er voldoende tijd om even naar de kunst aan de muren te kijken, bij te praten over skioorden, de aftrekbaarheid van voorjaarsvakantiekosten voor burn-outlijders, op te scheppen over de kinderen, de nieuwe leasebak of de beste tijd op de Col-du-Vam, en te genieten van een drankje en de retrohapjes leverworst, salamischijfjes, minibifiworstjes, droge worst en komkommerschijfjes: Rotary Emmen -never a dull moment.

Het best zijn de zangers als de beide markante barkrukken worden gelaten voor wat ze zijn zodat Anne en Stephan de zaal kunnen betoveren met een superstrak dansje voor het podium en hun aanstekelijk vrolijke zang. De nummers Houd van mij als de wind, het schitterende, meer dan 100 jaar oude Mens durf te leven (van Dirk Witte), De een wil de ander, Zo triest (om een vrouw), het tijdloze An en Jan en veel meer werden afgewisseld met goede instrumentale solo’s: een schitterend jazzy uitgewerkt Laat me van pianist Le Cointre (die op afstand iets wegheeft van een juveniele  uitvoering van Guy Verhofstadt) en een langzaam startende en opzwepend eindigende drumsolo van Hennekes vervoerden het publiek, dat met zo’n 170 koppen de zaal zo goed als vulde. Het overbekende Sammy werd graag, zij het bij vlagen nogal a-ritmisch en tegen het valse aan, meegezongen, evenals het overbekende, bijna religieuze Zing, bid, huil, lach, werk enzovoort.

 

 

Bert Wagendorp ‘Fictie moet de sport redden’ (Kees Fens-lezing)

Zoals Dolberg na een fraaie actie juichend naar de trainer loopt, zo haakt Bert Wagendorp na een geslaagde grap graag aan bij de lach van zijn hoofdredacteur Philippe Remarque (dankzij Volkskrant-columnist Silvia Witteman bij mij beter bekend als Huisgenoot P) en literatuurrecensent Arjan Peters, zeg maar de Louis van Gaal van de VK. Beide mannen zitten pal voor mij. De een met schreeuwende happy socks en de ander met saaie zwarte kniekousen. Zou Sylvia zijn was doen, vraag ik me af. “Is uw vrouw hier, ik ben een fan van haar,” fluister ik Remarque in zijn oor. “Nee, ze houdt niet van sport,” is zijn zwakke excuus, alsof het onderwerp er iets toe doet. Nee, maar ze houdt wel van literatuur en de lezing gaat over beide, denk ik. Hij buigt zich voorover en toont de rimpels bij de slecht afgewerkte mouwinzet van zijn colbert. Heerlijk, zo’n doordeweeks dagje Amsterdam. Een gratis lezing van Wagendorp, stercolumnist bij de VK, vooral nadat NRC-hoofdredacteur Vandermeersch een keer in de societyrubriek van DWDD verklaarde Wagendorp graag in de NRC-stal te zien. Met een Kruidvatkaartje met het spoor naar de hoofdstad. Opvallend dat tegenwoordig elke machinist in zijn toespraakje naast de overstapkansen ook het gemis aan vertragingsminuten noemt. En in navolging van de CDA-leus de taalfout in ‘een hele goede morgen’ etaleert.  De Rode Hoed is gevuld met senioren die het zich kunnen permitteren overdag gratis lezingen te bezoeken. Vintagejasjes, coltruien en extreem hoog opgetrokken broeken. De voorste rij stoelen is gereserveerd. Een grijze meneer knikkebolt nog voordat Wagendorp is begonnen. Een oude mevrouw gaat lekker op het bordje ‘gereserveerd’ zitten. Achter mij hoor ik een geprangde stem: “Hèhè, we gaan eindelijk weer eens uit onder leeftijdsgenoten,” en even verder gekweld: “Ik moest lessen Nederlands overnemen. Ach, wilde ik wel hoor, maar de bijgeleverde teksten zaten vol fouten.” De klaagzang stopt als Stijn Fens plaatsmaakt voor de spreker van dienst. Wagendorp houdt een schitterend betoog over sport (de belangrijkste bijzaak die bestaat) en Fens (ooit een rechtsbenige linkermiddenvelder). Sport wordt draaglijk door fictie. Buddingh, Krabbé, Mulder zijn de meestervertellers. En natuurlijk Fens en Wagendorp. Vanwege zijn steeds afzakkende bril oogt Wagendorp wat breekbaar. Zonder gene verheerlijkt hij Abe Lenstra, de beste voetballer ooit, en verguist hij Johan Cruyff dankzij wie wij twee wereldkampioenschappen zijn misgelopen. Wagendorp, humoristisch, op het cabareteske af, Groenloër met Friese roots, spaart Amsterdam en Ajax niet. Wagendorps tekst is al vooraf te koop voor € 5,- Ik vrees papiergeritsel met al die oudjes, zoals meelezers bij de Matheus Passion een extra roffeltje invoegen bij Jezus’ lijdensweg als het einde der pagina’s wordt bereikt, maar het valt mee. De Rode Hoed is niet uitverkocht en dat is jammer. Of regeert hier de wet van de gesponsorde stoelen waarbij vooraf bestelde stoelen niet bezet worden omdat de kaarteigenaar liever naar een paaldansclub verderop gaat?

Na afloop klinkt jengelmuziek. Hadden ze nu niet even Eeuwe Zijlstra kunnen inhuren om het indrukwekkend hoge orgel (een Flaes/Adema in een kast van Westerman) te bespelen? Als Huisgenoot P en Peters aanschuiven in de rij voor een handtekening, gaan wij de Jordaan in.

Vloeken in het stadion, van GVD via Knieschijf, Kutscheids naar HOMO!

Ik heb een seizoenskaart van FC Emmen. Samen met twee ouwe pikken, kameraden voor het leven, bezoek ik zoveel mogelijk thuiswedstrijden van oeze FC. Beide vrienden genoten een roomse opvoeding. De een is nog (zij het stuiptrekkend) praktizerend en de ander is los van het houtje maar dankzij een partner in het christelijk onderwijs nog wel verlijmd aan een dun geloofslijntje, een beetje als een cokesnuiver die nu zogenaamd genoeg heeft aan paddo’s. Zelf ben ik, voorbij het stadium van agnost, ietsist en ietsiepietsist avant la lettre al decennia atheïst, maar als ik weet dat gristenen meelezen voeg ik er vaak aan toe: met een C-waarde (¹) van 50. Als je in Noordoost-Friesland bent opgegroeid met Calvijn, een pragmatische grefo-vader en een doopsgezinde moeder, zondagsschool, catechisatie, bijbellezen na de warme maaltijd, één keer per week naar de kerk, christelijke scholen, dan krijg je een simpele vloek als godverdomme maar moeilijk over je lippen. De hoofdmeester vertelde dat het g-woord eigenlijk een gebed is tot zelfdestructie. Mwaaaah.

Achter ons zit een groepje Drentse mannen. Onder hen een installateur die op zondagmiddag dienst heeft (“Ja, in de meterkast linksboven de knop omdraaien, dat is de hoofdschakelaar en dan kun je XXXX bellen die straks nog even langskomt….”). Vanaf de wedstrijd tegen AZ klinkt achter ons veelvuldig GODVERDOMME, vanaf nu het G-woord, KNIESCHIJF, KUTSCHEIDS en vooral H O M O. Van deze vier stoort ons het ge-HOMO het meest. Na afloop, als we nog even de dyslexieperoblematiek van de Brigata Fanatico bespreken (ze maken in twee woorden evenveel fouten als de Hells Angels in hun naam), overleggen we wat we kunnen doen. Omdraaien en verontwaardigd “Ho ho,” brullen wordt het niet. Een principediscussie aangaan onder de wedstrijd ook niet. Kwaad worden zal hoogstens een fluim in de nek opleveren vrezen we en we hebben nog een hele competitie te gaan. Voorafgaand aan de wedstrijd tegen PEC Zwolle zegt mijn (nog) roomse kameraad: ”Ik heb het even nagezocht op de website van oeze FC: kwetsende spreekkoren zijn verboden. Als we het HOMO-geroep kwalificeren als uitlokking tot het beginnen van kwetsende spreekkoren, dan zijn we er.” De vriend met een vrouw in het christelijk MBO knikt instemmend en we praten verder over de effecten van het racefietsen op de kansen opa te worden.

Pas bij Emmen – NAC, bij Emmen – Fortuna was de installateur absent, draai ik me om en zeg, het is immers de week van de transgenderdiscussie, dat onderzoek heeft uitgewezen dat LHBT-jongeren zich hoogst onprettig en zelfs onveilig voelen bij LHBT-onvriendelijke uitroepen. En, voeg ik eraan toe, “Ik overweeg de laatste tijd zelf ook om homo te worden, enne …” Guess what? Het werkt. De volgende wedstrijden is het rustig. Als Feyenoord op bezoek is vraagt de installateur: “Mag ik nog één keer homo roepen?”

 

(¹) Tien jaar geleden presenteerde Trouw een Calvijn-test met behulp waarvan je je C-waarde distilleerde; vulde je alle gezondverstandvragen met gezond verstand in dan kwam je vanzelf op 50.