Champagne zonder bubbels, dat zouden beide orgelbroers Euwe en Sybolt de Jong zijn geweest zonder sopraan Judith Pranger. Twee serieuze mannen die ernstig kijkend en verwoed trappend prachtige geluiden toveren uit onooglijke kistorgeltjes, die vroeger zowel in vooronders van gereformeerde schippers als in de Moulin Rouge in Parijs werden gebruikt. Eén vertikt het vandaag een a te laten horen. Judith Pranger redt de champagne, zij is de vrolijk kijkende noot met een superieure stem, een juweel dat de orgeltjes bovensteplankmuziek laat maken. Zoals zij ‘Mien lutje Laif’ en ‘Mor ’t komt aaltied wel goud’ zingt wil iedereen het horen. Gevoelig, verleidelijk, vrolijk en prachtig gezongen. Een gouden stem. 
Ik kijk om me heen in Het Lutherse kerkje in Winschoten dat dankzij de Lidl een eersteklas parking heeft. Dat de kerk zijn naam dankt aan iemand die er bedenkelijke antisemitische ideeën op nahield: soit. Dertig gasten nemen de moeite te komen luisteren. Ze krijgen de middag van hun leven in een kerkgebouw dat in plaats van muurscheuren afbladderende witte kalkribbels toont. Het plafond is beschilderd met symmetrische symbolen die het midden houden tussen hallucinante Arabische tovertekens en dwangmatige sjablonen.
De Jong & De Jong presenteren een mooi muzikaal programma met een heuse muziekquiz. De melodie van ‘Peerd van ome Loeks’ over een Gronings paard dat jammerlijk zijn einde bij de paardenslager vond, werd uitgevoerd à la Medelssohn, Reger, Mozart, Bach, Chopin, Satie en Piazolla. Dat we dit onderdeel drie jaren geleden ook al in Hardenberg hoorden mag de pret niet drukken. Liefdevol en sans rancune vertelt Pranger dat Groningen behalve voor paarden ook niet het ideale lustoord was voor onalledaagse, sensitieve, expressieve kinderen.
De mannen zijn goed op elkaar ingespeeld. Een bewegend ooglid, een trekkende pink zijn voldoende om de coda iets pregnanter aan te zetten of schielijk van plaats te veranderen bij een vastlopende toets. Ook prachtig is het quatre-mains spel, staand gespeeld aan het kabinetorgel, alsof ze, wat aangeschoten voorovergebogen tegen de tap duwend een Leffe Blond bestellen. Maar mooier nog dan het orgelspel is Judith Prangers zang. Al vanaf het begin met ‘Het verboden laid’ over een jongen die geen dodemanslied mocht neuriën. O wat mooi, denken alle bezoekers simultaan, terwijl ze synchroon een traantje wegpinken en zich afvragen of comitévanaanbevelinglid Peetoom publiekelijk afstand heeft genomen van de vuige Omtzigtbeschimpers in haar partij.
Dan een aantal songs van Ede Staal: sober, eenvoudig, soms met een filosofische touch als hij mijmert over het levenseinde en bijna altijd treffend in misschien Nederlands mooiste dialect: het Gronings.

Overdenk Pfeiffers La Superba. Heerlijk, wat een koket narcistisch opgeblazen menneke. Een smakelijke literaire saus over vuig seksisme in een vormrijke, inhoudloze, hoogmoedige, katholieke, platvloerse, maffiose, Italiaanse setting in een labyrintische mix van xenofilie en xenofobie, daar pak je prijzen mee. Alles durven zeggen en schrijven wat je wil. En dat ook willen kunnen. Alles bereiken…
Groningse accent, minieme scheurtjes in d’r red-hot-pepper-lipstick met een fijne gloss doen het goed in de zon en verwarmen hem. ‘Woont u hier in de buurt?’ vraagt ze hem als hij naast haar neerstrijkt. Ze glimlacht terwijl ze liefdevol naar twee duiven kijkt. De man kijkt haar vrijmoedig aan met een u in jij veranderende blik. Ondertussen vraagt hij zich af wat het verschil tussen een legging en skinny jeans is. Zij: ‘Je ziet er niet uit als een duivenhater.’ ‘Nee,’ antwoordt hij berekenend. Waarom zou je een mooie vrouw ook tegenspreken. ‘Ik heb zelf lang duiven gehad, het zijn lieve vogels.’ ‘Mooi ja,’ zegt ze, zijn kant opschuivend. In de ene hand een glas wijn, met de andere schuift ze een lange lok achter haar oor met glimmertjes. Een beetje samenzweerderig gaat ze verder: ‘Maar de meeste mensen moeten van duiven niets hebben.’ ‘Sja, er zijn er die het ‘vliegende ratten’ noemen,’ antwoordt hij, na enig nadenken. Ze pakt een handjevol duivenvoer uit d’r broekzak en strooit het
rond. ‘Duiven hebben een superscherp zicht,’ vervolgt ze geduldig. ‘Wist je dat duiven zijn ingezet bij borstkankeronderzoek? Ze zijn na twee weken training in staat tumoren op mammogrammen te herkennen.’ Zijn mond valt open. ‘Is dat zo?’ probeert hij quasi-verbaasd te klinken. ‘Ja, duiven kunnen dat beter dan getrainde wittejasdragers. Google maar eens.’ Haar aandacht voor haar gelegenheidsbuurman ebt plotseling weg. Ze fixeert nu een man aan de overkant van de A. Stuntelig, sullig type. Rode ribbroek met slijtlekken op de billen. Ongelezen NRC onder de arm. Ze gaat staan en zwaait, wat onwennig. Hij zwaait terug.
Na het overdonderende kermisgeweld van het Eurovisie Songfestival op zaterdag is het concert ‘A German Passion’ van het Margaretha Consort zondagmiddag 15 mei een verademing. Hogeschoolmuziek in een verstilde zetting. Een zon beschenen middag in de Sleense dorpskerk onder Drenthes hoogste kerktoren. In haar welkomstwoord refereert bandleider Broekroelofs even aan Oekraïne. Zou ze weten dat de pkn-kerk iets verderop wordt ingericht voor Oekraïense vluchtelingen en dat Syrische gevluchten nog even moeten wachten? We luisteren naar intense muziek van dertien musici en vocalisten, aangevoerd door Marit Broekroelofs. Als je je niets aantrekt van de weinig verrassende, antieke, onoriginele teksten over lijdende verzonnen goden, nee niet over graancirkelmakers of flat-earth-theorie-aanhangers, dan heb je een heel prettige middag. Een centraal opgestelde dirigent is er niet, wel een supergoed klinkend kistorgel; af en toe zie je tenor Kevin Skelton bescheiden en met kleine gebaren, mond- en wenkbrauwbeweginkjes leiding geven aan de oplettende zangers en spelers en alzo bewijzen dat bombastisch dirigeren passé is als varkens slachten op boerenerven. Inzetten, tempi, volume: zo goed als niets is er op aan te merken.
Jeroen Brouwers is dood. Hij overleed afgelopen week, op 11 mei 2022. Voor schrijvers is een dode schrijver een aanleiding tot schrijven. Tom Lanoye noemt Brouwers ‘de auteur die het populairst is bij andere auteurs’. Klopt. Ook bij mij stond Brouwers fier op één. Precies een jaar geleden schreef ik op
Van dit vijftal gaat zeker jonkie Rijneveld in de toekomst met deze prijs aan de haal. Brouwers heeft sinds ik een verwoed lezer en compulsief obsessief lijstjesmaker werd altijd bovenaan in mijn top tien gestaan. Of het nou kerkorgels in Noord-Nederland (aangevoerd door de Martinikerk in Groningen), vrouwen in Sleen (houd ik nog even voor me), verderfelijke gebruiken in religieland (Joodse vrouwen die kaalgeschoren en gepruikt door het leven moeten), meerstemmige koormuziek (Hallelujah van Leonard Cohen of toch, ik kan niet kiezen: Sebben, crudele van Antonio Caldera?), dichters (Vasalis), prozaïsten (Brouwers), frauduleuze financiële instellingen (ABN), overbodige medische ingrepen (dotteren bij etalagebenen), onderbelichte groenprojecten (geveltuinen in steden), ongepaste plattelandsgebruiken (zuipketen voor volwassenen), racefietsen (Giant), zijn, ik weeg, rubriceer, wik, selecteer en rangschik. In mijn auteurs-top-tien moeten minimaal twee vrouwen zitten, een Fries, een veelbelovende jongere, een Belg en een korteverhalenschrijver. In mijn geval voldoet Lize Spit aan drie van deze eisen. Brouwers voert mijn lijst aan vanwege zijn veelzijdigheid in zowel vorm, sfeer, gevoel als inhoud. Hij is romancier, brievenschrijver, zelfmoordonderzoeker, pamflettist, necrologieënschrijver, journalist, anekdotist, essayist, vertaler, toneelschrijver, bloemlezer, feuilletonist, polemist, redacteur en ga maar door. Brouwers is een superieur stilist. Een veelschrijver. Oeuvrebouwer. Taalpurist. Prijzenpakker. Veel indruk op mij maakten: ’t Hout, Winterlicht, Kroniek van een karakter, De laatste deur, Bezonken rood. Themata in zijn werk: de nasleep van de oorlog met de jappenkampen, de destructieve effecten van het katholicisme, zelfmoord, eenzaamheid, dood, de zin van het leven.”
Beter worden in een koor vergt inspanning. Met zeven tenoren stand houden naast veertig sopranen vereist inzet, volharding, discipline, fitheid en doorzettingsvermogen. Sneller worden op de racefiets ook. Je twee uren inspannen om je tijd met enkele seconden te verbeteren betekent enkele keren verrekte diep gaan. Fietsen is dan louter lijden. Bovenbeenspieren schreeuwen om rust. Knieën verhitten als radiateurs in retro convertibles. Bij een kruising of talud moeten lossen en dan met pijn in de benen weer aanhaken en heel even aan opgeven denken maar dan toch doorgaan en beloond worden met het geluksgevoel dat je weer aanhaakt als een D’66’er die de slip van Kaag even kwijt was, daarvoor doe ik het. Pijn in de musculus vastus lateralis wisselt stuivertje met pijn in de medialis en de intermedius. Zou intensief sporten echt stofjes vrijmaken die maken dat je voelt dat je niet zonder kan, als een jonge boer die verslaafd raakt aan het infuus van subsidiestromen naast almaar stijgende melkprijzen?
Voor een atheïstische republikein wordt het een interessante middag. Oranjegekleurde muziek in een kerk. Als een elektrischeautoverkoper die alle snufjes wil tonen showt Mannes Hofsink de Timpe-mogelijkheden. Hij aait, masseert, timmert, drumt en vleit (op) het Timpe-orgel in de Nieuwe Kerk in Groningen op koningsdag met muziekstukken waar het woord koning of koningin in voorkomt. De muziek tovert, kom, ik zeg het in één woord: vrolijkheid. Ik zie ineens lachende gezichten om me heen en da’s niet van de kerkbanken. Ik herken een hoog meezingverlangengehalte. Dat wordt beloond bij het stuk van Zwart ‘Fantasie alla Marcia over het Wilhelmus’. Het eerste couplet gaat nog, goed zelfs, maar bij het tweede (of zesde? Of vijftiende?) sta ik erbij als de eerste de beste Nederlandselftalvoetballer.
bloemetjesjurken doet versterken. Voorjaarsmuziek, Parijse draaiorgels, pure poëzie, hippe terrassen, voluptueuze blauwedruifblommen, zingende merels en meer hoor en zie ik. Maar goed dat Hofsink van dat door Heidrich genoemde Streichquartett zich niets aantrekt; niks strijken, maar Timpe eens flink onder handen nemen. Prachtig.
In de tandenartsstoel kijk ik langs de Zeiss naar buiten en zie een stukje lucht achter een berk met magnoliatrekjes die maar niet wil uitbotten en denk aan Sicilië. Vervolgens aan zes Groningse economen die in een artikel van duizendplus woorden economische problematieken schetsen. Verscholen in twee regels worden met zes boterzachte pennetjes de belangrijkste oplossingen gepresenteerd: bedrijven meer belasting laten betalen en vermogens aanpakken. Bescheiden jongens, alsof ze zich generen voor de waarheid. Wat een verschil met Piketty en Schimmelpenninck. Na wat geslijp krijg ik een piranhagevoel en via het visualiseren van de lastigste passages in The Lost Chord kom ik in het ritme van de voorjaarsklassieker Groningen-Appingedam-Groningen en probeer te analyseren wat me tot steeds snellere tijden drijft.
Dankzij mijn fietsmaat zitten we nu op 30,7 (GSM-tijd, want mijn Sigma zit er 3% boven). De estheet in mij weerhoudt me van het benen scheren. Het zou, volgens sommige filmpjes die onder racefietsers rondgaan als Pieter-Omtzigt-stenigingsfilmpjes onder CDA’ers in de paastijd 7% tijdwinst op kunnen leveren. Ik vraag advies aan een rekenwonder in de familie. Hij maakt gehakt van de semiwetenschappelijke test. Zouden de ragfijne haartjes op de 50 cm beenruimte tussen de bovenkant sok en de zoom van mijn fietsbroek wat uitmaken? Als er drie paar ogen, tandenarts Joppe krijgt behalve van Zeiss hulp van Alieke en interviserende collega Roosmarijn, mijn tandvlees en gehemelte inspecteren, herinner ik me dat Händels Ombra Mai Fu ook door Andreas Scholl wordt gezongen. Als vanzelf ontspan ik. Onhoorbaar probeer ik mijn tenorpartij boven het snerpen van de diamantboor uit, in te prenten. Vanbinnenuit klinkt het als een scheepswerfje in een bunker. Het boren dan. Terug naar de muziek. Toch zou polyglot Floor Jansen, die opera, screaming & grunting combineert als Ilja Pfeiffer proza, poëzie en praattafelconversaties, met haar drieoctavenbereik het geluid kunnen overstemmen. Als
over Ajax dromende voetballertjes onder 17 koppel ik Floors uitvoering van Phantom Of The Opera aan ons massale optreden in het Concertgebouw. Nog 26 weken. Maar eerst de Siciliaanse berk achter de Zeiss nog even bekijken.

Emmen. Wend nu je blik naar het Raadhuisplein in Emmen. Vriendelijke, gerieflijke, luxe hardhouten banken. Chic verlicht. Bomen en planten die doen denken aan de wulpse plantsoenen van Piet Oudolf bij museum Voorlinden in Wassenaar. Waterpartijen. Niet een schrale fontein die een beetje in het wilde weg druppelt als een impotente Amsterdamse wethouder die denkt dat vrouwelijke ambtenaren snakken naar zijn hand op hun billen. Nee, kleurig verlichte, verrassend fier spuitende stralen. Verderop een langgerekte watergoot voor
badderende kinderen en hun opa’s. Meanderende grindpaden. Terrassen. Gerecyclede appartementenbouw. Een superieur geel kunstwerk van Nick Ervink. Nergens snelverkeer te zien dan in de aanvoerroute naar de tunnelbuis onder het plein door. Voor de jongeren die elders als paria’s met de nek worden aangekeken een supermooie skatebaan. Hip. Sexy. Tolerantie en variatie ten top. Groningen, laat je inspireren! Pak me in, verleid me.