Van de ene provinciestad naar de andere verhuizen kent het gevaar dat je alles met elkaar vergelijkt. Dat levert plussen en minnen op. Oppassen dus dat je in een blik beperkende vlaag van romantiserende geschiedvervalsing, waar vele senioren, naast brokkelige kalknagels, piekende neusharen, extra oorsmeer, verminderend libido, en vet- en alcoholzucht aan lijden, je vorige woonplaats niet alle credits geeft. Op voetbaltrainersfatsoen, wijkbestuur, ruimtelijkheid, winterse zoutstrooiroutes en kennis van het Drents wint Emmen het. By far. Wat culturele voorzieningen, stadse vaarroutes, het ‘Ik-vertrek-sentiment’ en fietsenstallingproblematiek aangaat, staat Groningen bovenaan. Dat stadjers geen boeken zouden lezen herroep ik, na een gezellige sessie met stadjers die allen (allen? Ja, allen!) Lale Gul achter de kiezen hadden en ooit hadden geroken aan W. F. Hermans. 
Ons huizenblok heeft een VVE die zich uitsluitend met het beheer van de binnentuin bezighoudt. Dus geen gekrakeel over lekkende dakgoten, de verfdruppen morsende winterschilder en baksteenonderhoud, maar enkel onderwerpen als tot hoever de vlier moet worden teruggesnoeid, of zevenblad onkruid, soepgroente of een bodembedekker is, die het ook nog eens goed doet in de thee en of bij de jaarlijkse barbecue alcoholvrije wijn moet worden geschonken. 
Het wijkbestuur in Groningen staat vergeleken bij Emmen in de kinderschoenen, als je al over schoenen mag praten. Emmen is strak georganiseerd in 35 Erkende Overleg Partners die alle jaarlijks een gemeentelijk budget ontvangen. Die autonoom plannen mogen ontwikkelen. En, gesteund door het stadhuis, mogen uitvoeren. De burgemeester is portefeuillehouder en bezoekt elke EOP eenmaal per jaar. Mijn oude wijkbestuur in Noordbarge telde 9 leden, waarvan vijf vrouw en vier onder de veertig. Bij het jaarlijkse wijkbewonersontbijt komen circa 100 personen. Ik geef toe: de Noordbargegetallen zijn voor de hele gemeente Emmen niet representatief.
In Groningen maak ik kennis met Buurtvereniging A-kwartier.






We zien nu een schitterende tuin met strakke beukenheggen, kruisspinnen, (klim)hortensia’s, pissebedden in de voortplantmodus, onbestemde boompjes, spitsmuizen, vlieren, doffers en duivinnen die er even genoeg van hebben door onwetenden vliegende ratten genoemd te worden, hedera’s, zevenblad, jaarlingen en vaste planten. Bescheiden straatwerk met eenvoudige betontegels vormen rechte paden, niet romantisch meanderend maar hoekig als kinnen van Emmakapiteins in de A ten teken en bewijze dat de Nieuwe Zakelijkheid hier een revival doormaakt of, dit is wel Groningen hè, een kleine eeuw te laat vanuit Duitsland de randen van Groningens binnenstad aandoet, zou maar zo kunnen natuurlijk. Sommige dingen, perziken, buurtbesturen, paardenhoofdstellen en vrouwengeduld, worden beter naarmate ze meer tijd om te rijpen hebben.
Waren stadjers boekenlezers dan wisten ze het allemaal al natuurlijk. Laten we bij de naam beginnen. Wat zegt dr. Frans Westra over de straatnaamgeving in ‘Palet van Groningen’? Niet verrassend: een gebied van makers van rieten manden. De manden werden gebruikt in de lakenindustrie. Even verderop legt Westra geduldig en deskundig de oorzaak van de identiteitscrisis van Groningers uit als hij, nu zeer zeker wel verrassend, stelt dat Groningen van oorsprong een Drents dorp is (¹) en de grote Markt een soort brink. Nog erger wordt het wanneer hij verklaart dat de oudst bekende Groninger een Fries is (²). Dat de ontwikkeling van Groningen gestopt is bij de grens van een provinciestad komt omdat Groningen geen Gouden eeuw gekend heeft (³) en omdat de industriële revolutie aan Groningen is voorbij gevaren als het coronavirus aan vegetariërs of museumschuit De Emma aan de oevers van de Pottebakkersrijge omdat geparkeerde auto’s een mogelijke aanleg verhinderen.
boekenhandel Van der Velde een uiterst schamele collectie Frisiania aanbieden. Als Groningers echte Friezen zijn, kunnen we maar best even bij Flip van Doorn in (alweer de zesde druk) ‘De Friezen’ opzoeken wat de ware aard van deze volksstam is. Hij noemt ze (⁴): ‘tegendraads en tegenstrijdig, creatief en conservatief, onzeker en zelfbewust, open en gesloten – en dat allemaal tegelijk’. Zo’n geestelijke tweespalt moet haast wel leiden tot wankelmoedigheid en onzekerheid over de ware ‘ik’. Maar met Van Doorn die over de Friezen spreekt zeg ik, schrijvende over de Groningers: ‘Het is geen wonder dat ik me thuis voel in hun midden.’
Sinds de zomer staat er een (tijdelijke) folly voor het stalen hek. Het oogt als een getraliede hal. Aan de voor- en achterzijde zit een deur, maar de door de deuren besloten ruimte is zonder praktische functie. Het is geen cel, geen kamertje geen hal. Het was een poos een soort voorportaaltje, toen het nog tegen het Minervahek stond vastgeplakt. Het functioneerde als een soort tochthal, een klompenportaal. Opvallend is de aanwezigheid van planten en gemalen boomschors op de grond.
bakstenen constructie met pijlers en bogen, half verscholen achter een foeilelijke witte stenen muur. Geen nuttige functie, zoveel is zeker. De vraag of deze constructie een folly is of beeldende kunst is net zo lastig als de vraag of de ABN een bank of een maffioos witwasbedrijf is¹. Nadere studie leert dat het door een kunstenaar, de Deen Per Kirkeby, is ontworpen. Of het dan gelijk beeldende kunst is, is niet zeker aangezien beeldend kunstenaars ook graag follies maken.
Dan maar weer richting binnenstad, die blijft aan de wandelaar trekken als belastingvlucht aan DSM en Unilever. We zien een stalen deur. Geen scharnier. Geen klink.. Geen bovenraampje. Het is een platte constructie, dus geen bouwsel, dus geen folly? Ik twijfel als een CDA-kiezer tussen David Omtzigt of Goliath Hoekstra. De culturele conciërge van de ertegenover liggende synagoge helpt me uit de droom. Het is kunst (van Gert Sennema) en het symboliseert de verdwenen en later vermoorde Joodse oorlogsslachtoffers. De gesloten deur sluit terugkeer uit. Definitief.
Voorbij het mooist denkbare pisbakhuisje met die kenmerkende geur die je ook ruikt als je stadsfoto’s bekijkt van Ed van der Elsken, valt de achterdeur van het Scheepvaartmuseum op. Een middeleeuws straatje voert naar een schip op het droge. De Alida. Van Ploeglid Alida Pott waarschijnlijk, want de oude Ploeg is in Groningen overal dichtbij en bijna voelbaar als stoppels onder een sluier.
Wat een vrouw! Wat een gevel! Wat een museum! Met dank aan Haks, Mendini, De Lucchi, Starck en Himmelb(l)au werd het modernistische museumontwerp een toeristische trekpleister van jewelste. De duizelingwekkend mooie buitenkant straalt durf, verleiding en vernieuwingsdrang uit. Ook het interieur parelt en verrast bezoekers. Maar sommige huiscollecties ogen geamputeerd. Zeker, er is een schitterende collectie Ploegwerk, met een unieke portrettengalerij van Ploegschilders. Maar voor een museum dat pretendeert oog voor hedendaagse kunst te hebben ontbreekt er veel. Te veel.
deze historische straat fietsend lees ik de naam Klaas en nog wat, in een onduidelijk handschrift. Mooi zo, denk je, deze klassieke voornaam is het waard overal genoemd te worden. De vierde keer langsfietsend, schiet me de beroemde graffito in Amsterdam te binnen, Klaas Komt.
Deze in zwartwit gespoten hoofdzin staat inmiddels in alle kunstacademielesboeken voor aankomende graffitispuiters. Niks om als Klaas trots op te zijn. Maar de zesde keer, in sommige dingen ben ik niet de snelste, besteed ik er meer aandacht aan en lees, met extra zin kijkend, de verrassende inhoud: Klaas je bent de mooiste. Wow, ik ben even sprakeloos. Zonder me om de feitelijke inhoud te bekommeren is mijn onmiddellijk volgende gedachte natuurlijk: WIE? Wie schreef dit op de rode bakstenen muur? Wist zij dat ik hier kwam wonen? Dat het een vrouw moet zijn zie ik aan de smachtende letters. Mannen zouden de kwast steviger, duidelijker, netter hebben aangezet. Hoekiger, minder zwierig.
Ooit schreef ik het gedicht ‘Zesentwintig’, dat in 1994 gepubliceerd werd in het Drents Letterkundig Tiedschrift ROET. Ik was ingegaan op de uitnodiging een ‘zelfportret’ te schrijven. Mijn zelfportret bestond uit de namen van 26 meisjes/vrouwen die ik in mijn jeugd in stilte had aanbeden. Hadden er gemakkelijk 52 kunnen zijn, dat ook nog.


Wat in Dokkum, Easterlittens, of Hindeloopen tot het gewone verkeersbeeld behoort, zorgt in Groningen voor opwinding. Een gestreken zeil van de bruine vloot vaart voorbij: een tjalk, Hasselter aak of skûtsje. Een roer als een buitenmodel schoepenrad. Een kapitein met een BMI van 25, op sokken. Lange lokken onder de pet. In plaats van spetterend buiswater of een frisse Friese wimpel de sleetse driekleur. De Museumbrug is voor boten dicht als podiumgordijnen in coronatijd. Brugwachters, op zondag driedubbel betaald, pauzeren langdurig, liggen oostwaarts biddend op een mat of bellen met moederdevrouw dat het wat later wordt. De sfeer langs de A is die van een Christenunievergadering waar Carola met lipstick binnentreedt. Opgewonden mannen. Men stoot elkaar aan, wijst, knipoogt roept. Koffiekopjes trillen op terrastafels. Knieën beuken tegen tafelbladen. Excitement alom. De Pieternella vaart rustig voort.
Wow, goed man, Havinga spot met alle in de orgelsport heersende wetten en begint met het lekkerste: Sweelincks ‘Est-ce mars’. Het klinkt prachtig. Superieur op het superieure Hinsz orgel in de voor dit orgel wel erg kleine kerk in Leens. Havinga benadert tot op de millimeter de versie van The Royal Wind Music op blokfluiten (op de cd The Flute-Heaven of the Gods). De kerk is inderdaad niet groot, zittend in het koor zie je de bovenkant van het orgel zelfs niet. Een deel van de bezoekers, de echte liefhebbers dan, zitten met de rug naar het orgel toe. Die luisteren wel zonder naar de trompetterende engeltjes te kijken. Maar de meeste luisteraars willen de orgelpijpen tellen en wat te zien hebben, die zitten in het koor.