Drie keer slaagt het Margaretha Consort erin mij zodanig mee te zuigen in de muziek dat ik onwillekeurig wil mee neuriën en dat mijn knieën, heupen en alle nog niet door artrose aangetaste botten rammelend tegen de weefselwanden en spierbundels bonken en beuken en ik almaar denk: ga door, stop niet, verdomme, zet aan, haal uit, betover me, pak me in…. Drie keer voor € 20,- een geluksgevoel, en hoop dat de leider van de bent opstaat en de nog wat lauwe zaal opzweept, wild met zijn armen gaat zwaaien en ‘Allemaal!’ gilt, maar hoho, we zitten niet bij de Snollebollekes, hè. 
Supermooie stemmen van Elea, Helena, Véronika, Margreet en twee in het programmaboekje vergeten jongens, het waren: Kevin Skelton en Günther Vandeven, die in Andromedae (muziek Channe Visscher, tekst Elea Bekkers) langzaamaan samensmelten als zes kleuren exquise hoogglans Sigmaverf voordat je de trap gaat schilderen. Soms een klontertje alt-, bas- of diskantgamba erbij van Maaike, Ricardo, Marit en Frank, voor de binding een tintje orgel van Jörn en dan weer mengen en mixen en afstemmen, wow, knap, krachtig en prachtig.
Microfoonloos wordt de uitvoering toegelicht in een schitterend industrieel zaaltje waar pareltjes van gehoorapparaatjes in en achter luisterende oren schitteren in fraai, kleurig, podiumlicht als sexy tongpiercings in een vlammende disco in De Krim-centrum. Artistiek leider Marit Broekroelofs kijkt goedkeurend toe.
Als je publiek definieert als: in muziek geïnteresseerden die via algemene media werden getriggerd, dan tel ik evenveel als bij het concert betrokken familieleden, scharrels, oppasoma’s, stille aanbidders, caterende theatervrijwilligers en technici. Is dat belangrijk?
Even denk ik bij de finale repetitie te zitten. Een onvolledig en niet foutloos programmaboekje. Een 15 minuten uitgestelde aanvangstijd. Daardoor horen we dan weer wel sfeerverhogende huiselijke geluiden van boven: doorgetrokken wc’s en gezellig getrippel van hooggehakte voeten op de trap en een couleur locale versterkende krakende zoldervloer voorafgaand aan het startschot.
Het is prachtig. Anderhalf uur in een bijzondere muzikale bubbel met deftig geklede jongeren (mannen, let nog even op mouw- en broekspijplengte zou modegoeroe Arno Kantelberg zeggen) die klassieke instrumenten bespelen met dezelfde inzet, passie en vaardigheid als veelbelovende voetballers ballen in een beloftenteam. De antiek ogende instrumenten worden gestemd, geliefkoosd en voor de zekerheid nog een keer gestemd. Begeesterde muziekmakers die geïnspireerd raakten door het heelal, buiken, billen, borsten en navel van vrouwen en daar poëtische, soms wat wereldvreemde teksten en muziek bij maken. Sommige teksten worden expres zo goed als onverstaanbaar gemaakt want vertaald in de dode rebustaal Latijn. Mijn kop vult zich met vragen: waarom zou je dat willen doen? Sfeer? Subsidie-eis? Bubbelversterking? Het publiek leest mee over Hoofse liefde, de berg Carmel, een vergelijkende ziel (sic!) en dat er nog een wereld aan verbondenheid te winnen is. Open deur of niet, het vierregelige door Johannes Kepler en Hannie van der Wielen geschreven Ubi sensus harmoniae klinkt harmonieus als, maar minder bombastisch dan een fanfare op de Internationale Taptoe in Breda.
De oud-calvinist in mij herkent in de teksten de bijbelse contouren van een door sprinkhanen aangeknaagde verdroogde woestijncactus. Het Hooglied, waar blijkbaar toch nog een markt voor is, dat door de sleetse dominee in ieders jeugd altijd werd overgeslagen. Hier uitvergroot en meerstemmig bezongen door hogeschoolzangers en muziekmakers. Op weg naar huis relativeer ik de teksten. For your voice can sing to change the world. The breath of freedom, en wil me niet afvragen of, als je de wereld wilt veranderen, antivaxxers eens duidelijk aanspreken of het ICCP-rapport indringend lezen en ernaar proberen te handelen niet meer zoden aan de dijk zet dan zingen over Markus 14: 3 – 9 of het Hooglied.
Nog twee keer in het theater, in Assen en Driebergen.


Wat in Dokkum, Easterlittens, of Hindeloopen tot het gewone verkeersbeeld behoort, zorgt in Groningen voor opwinding. Een gestreken zeil van de bruine vloot vaart voorbij: een tjalk, Hasselter aak of skûtsje. Een roer als een buitenmodel schoepenrad. Een kapitein met een BMI van 25, op sokken. Lange lokken onder de pet. In plaats van spetterend buiswater of een frisse Friese wimpel de sleetse driekleur. De Museumbrug is voor boten dicht als podiumgordijnen in coronatijd. Brugwachters, op zondag driedubbel betaald, pauzeren langdurig, liggen oostwaarts biddend op een mat of bellen met moederdevrouw dat het wat later wordt. De sfeer langs de A is die van een Christenunievergadering waar Carola met lipstick binnentreedt. Opgewonden mannen. Men stoot elkaar aan, wijst, knipoogt roept. Koffiekopjes trillen op terrastafels. Knieën beuken tegen tafelbladen. Excitement alom. De Pieternella vaart rustig voort.
Wow, goed man, Havinga spot met alle in de orgelsport heersende wetten en begint met het lekkerste: Sweelincks ‘Est-ce mars’. Het klinkt prachtig. Superieur op het superieure Hinsz orgel in de voor dit orgel wel erg kleine kerk in Leens. Havinga benadert tot op de millimeter de versie van The Royal Wind Music op blokfluiten (op de cd The Flute-Heaven of the Gods). De kerk is inderdaad niet groot, zittend in het koor zie je de bovenkant van het orgel zelfs niet. Een deel van de bezoekers, de echte liefhebbers dan, zitten met de rug naar het orgel toe. Die luisteren wel zonder naar de trompetterende engeltjes te kijken. Maar de meeste luisteraars willen de orgelpijpen tellen en wat te zien hebben, die zitten in het koor.
De 25 geportretteerde koppen die Siebesma schilderde na bestudering van zwart-witte foto’s voelen zich in de kerk van Onderdendam thuis als fluitenkruid naast akkers. De kleuren zijn ingetogen als het sleetse vaalgele en olijfgroene kerkinterieur. Indringende kleuren zouden niet bij de hoofden hebben gepast. We zien serieuze gelaatsuitdrukkingen van mannen en vrouwen uit de tijd dat mensen niet oud werden. Ongepolijst, alledaags, op het norse af. Groningers zijn geen lachebekjes. 

Van veel koppen is een naam of een beroep bekend. Van een (inmiddels) kleiner aantal niet. De anoniemen zijn de best gelukte werken. Als je ze aankijkt, kijken ze terug. Ze willen je iets vertellen, maar aarzelen nog wat. Emoties als opwinding, euforie, blijdschap zijn ver te zoeken. Dat geeft de koppen iets vlaks, misschien iets nors. Maar om dat nu trots te noemen zoals Groningers graag doen… Misschien ongenaakbaar, bescheiden, achterdochtig, stug. Maar ook krachtig en zelfbewust. Een psycholoog zou er wel raad mee weten.
Een broodje paling heet hier ‘flatbread smoked eel’. Patat wordt ‘fries’. Voor een Engels sprekende Fries is ‘fries’, zeg maar Gronings voor Fries een interessant woord. Na een fietstocht met Emmense vrienden strijken we neer in het café. Een batterij over elkaar heen buitelende vrolijke jongens bedienen ons en als boeren die grondwater over dorre akkers sproeien, pompen ze onophoudelijk Leffe blond in glazen. We laten ons door de muziek niet klein krijgen. Buiten regent het, binnen is het Carmiggeltiaans gezellig.
Vrouw I wordt wat onrustig. ‘Dat lijkt mijn opa wel. Jan Boer. Die daar met die grote oren, hij houdt zijn hoofd wat scheef alsof hij moeite doet ons te verstaan.’ De tafelgenoten ginnegappen wat. Ja hoor, woont net in stad en denkt dat het Pomphuis haar als innemende buurvrouw wil paaien door haar opa aan de wand te exhibitioneren. ‘Leraar aan de kweekschool, later directeur, inspecteur, streektaalpromotor en womanizer avant-la-lettre. Liet mijn oma zitten voor een veel jonger hebbeding. Rottumer. Veelschrijver ook. Schreef poëzie in het Gronings. Ik heb nog zowat een halve meter gedichten van hem staan, half uitgepakt in een Dorenbosdoos.’ We praten de eigenaar en zijn crew bij. Die Jan Boer.







