Tegenover ons staat kunstacademie Minerva. Een instituut dat etaleurs, leraren tekenen, textiele werkvormen (bestaat dat nog?) en handvaardigheid opleidt. En een enkele kunstenaar misschien, maar welke kunstenaar heeft nou een opleiding nodig? Of gaan we fotografie ineens ook tot de beeldende kunst rekenen? Onthoud: op technische knopjes drukken in de kunsten is net zo nep als opgevoerde formule-I-auto’s tot sport rekenen. Ooit van een topschrijver gehoord die naar de schrijversavondschool ging en van een geüpdatet Word-programma bestsellers ging produceren? Uitzondering: Nicolien Mizee.
Op het Pomphuisterras kijken we onze ogen uit. Vrolijke jongens en meisjes komen drankjes brengen maar weten niet dat het bier letterlijk in het Pomphuis wordt gepompt met een uit een vrachtauto bungelende slang die niet onderdoet voor blusinstallaties van Sicilianen en Zuid-Grieken. In het water varen buikige, gezonnebrilde mannetjes voorbij. Armkettinkjes, veel te korte zwembroekjes en halskralen als bosjesmannen. De kapiteins-Iglo zijn bedekt met tattoos en kielhalen nog liever hun altijd bloedmooie partner dan dat ze het stuurwiel voor een seconde uit handen geven. Ik maak het gebaar van voetbaltrainers die spelers willen wisselen. Smachtende vrouwenogen werpen me dankbaar en begripvol onzichtbare, liefdevolle kushandjes toe maar durven geen protest aan te tekenen tegen hun sturende bewindvoerder.
Aan de overkant van de A stopt een scooter met twee bijna twaalfjarigen. De pas gejatte paarse Vespa Primavera RST met camelkleurige buddyseat, hebben ze nog niet echt in de macht. Het theorie-examen voor bromfietsen is, zonder hulp van de koranschool, voor hen even onbereikbaar als een foutloos ingevuld belastingbiljet voor hun grote, drillrappende broers. Ze kijken verschrikt om zich heen en trekken de klep naar beneden als Danny Buys na een verloren wedstrijd tegen FC Emmen. De achteropzitter, een beduimelde enveloppe in de zwetende knuistjes, vloekt binnensmonds, krijgt een por en dumpt een zending prefab joints in de brievenbus en hoopt dat de 109 ademloos fotograferende terrastijgers, van wie ook bijna niemand de koranschool heeft afgemaakt, hem niet herkennen. Drugsrunners zijn als geldezels. Zodra ze vrouwen kunnen beledigen gaan ze van school en verschansen zich bij de zoveelste aanhouding achter het argument van kansenongelijkheid als Limburgers die altijd hebben vertrouwd op en geloofd in de door henzelf verzonnen Mutti Maria en het hebben verdomd de dijken op tijd te verhogen. Hoe wreed klinkt soms het Gronings: “Wel nait wol diek’n mout wiek’n.”

De 25 geportretteerde koppen die Siebesma schilderde na bestudering van zwart-witte foto’s voelen zich in de kerk van Onderdendam thuis als fluitenkruid naast akkers. De kleuren zijn ingetogen als het sleetse vaalgele en olijfgroene kerkinterieur. Indringende kleuren zouden niet bij de hoofden hebben gepast. We zien serieuze gelaatsuitdrukkingen van mannen en vrouwen uit de tijd dat mensen niet oud werden. Ongepolijst, alledaags, op het norse af. Groningers zijn geen lachebekjes. 

Van veel koppen is een naam of een beroep bekend. Van een (inmiddels) kleiner aantal niet. De anoniemen zijn de best gelukte werken. Als je ze aankijkt, kijken ze terug. Ze willen je iets vertellen, maar aarzelen nog wat. Emoties als opwinding, euforie, blijdschap zijn ver te zoeken. Dat geeft de koppen iets vlaks, misschien iets nors. Maar om dat nu trots te noemen zoals Groningers graag doen… Misschien ongenaakbaar, bescheiden, achterdochtig, stug. Maar ook krachtig en zelfbewust. Een psycholoog zou er wel raad mee weten.
Een broodje paling heet hier ‘flatbread smoked eel’. Patat wordt ‘fries’. Voor een Engels sprekende Fries is ‘fries’, zeg maar Gronings voor Fries een interessant woord. Na een fietstocht met Emmense vrienden strijken we neer in het café. Een batterij over elkaar heen buitelende vrolijke jongens bedienen ons en als boeren die grondwater over dorre akkers sproeien, pompen ze onophoudelijk Leffe blond in glazen. We laten ons door de muziek niet klein krijgen. Buiten regent het, binnen is het Carmiggeltiaans gezellig.
Vrouw I wordt wat onrustig. ‘Dat lijkt mijn opa wel. Jan Boer. Die daar met die grote oren, hij houdt zijn hoofd wat scheef alsof hij moeite doet ons te verstaan.’ De tafelgenoten ginnegappen wat. Ja hoor, woont net in stad en denkt dat het Pomphuis haar als innemende buurvrouw wil paaien door haar opa aan de wand te exhibitioneren. ‘Leraar aan de kweekschool, later directeur, inspecteur, streektaalpromotor en womanizer avant-la-lettre. Liet mijn oma zitten voor een veel jonger hebbeding. Rottumer. Veelschrijver ook. Schreef poëzie in het Gronings. Ik heb nog zowat een halve meter gedichten van hem staan, half uitgepakt in een Dorenbosdoos.’ We praten de eigenaar en zijn crew bij. Die Jan Boer.









Op de eerste dag na de strenge lockdown zou je een run verwachten. Echter, bezoekersstromen volgen de trend van katholieke kerken en orgelconcerten: misschien nogal wat sympathisanten die braaf een jaarlijkse bijdrage doneren maar actieve bezoekers niet of nauwelijks; de verhouding personeel – bezoekers loopt ongeveer één op één. Het is een overzichtelijk, klein, gezellig, duidelijk ingericht museum, een beetje als Breda’s centrum.


Het bericht van Remco Ekkers’ overlijden verraste en ontroerde me. Ook zorgde het voor een vloed aan fijne herinneringen. Hij voorzag mij in een belangrijke periode in mijn leven van kennis, wijsheid, en iets wat je savoir-vivre kan noemen. Ik was zeventien en Remco 32. Hij docent, ik student. Net van een grijze, sombere, beschaduwde, christelijke middelbare school in Dokkum ging ik naar een open, vrij, zonnig instituut dat mij ging voorbereiden op de mooiste baan die er bestaat. Van lyceum Oostergo naar lerarenopleiding Ubbo Emmius. Van Dokkum met het eerste zogenaamde ‘brommeroproer’ naar Leeuwarden met straatprotesten waar we, wij wisten wel hoe de wereld in elkaar zat, lekker ‘Weg met Pa Pa Do Pou Los’ konden scanderen.