Straatmaker fietst 200 kms op een werkdag

Als een seniorstraatmaker een hele dag stenen kan bij elkaar zoeken, ze in een klaargelegd en strak getrokken zandbedje betasten, bekloppen, rafelige randjes weg kan zagen en bijvijlen en ze dan neervleien, iets wat algemeen als zwaar werk wordt beschouwd, waarom zou ik dan niet acht uren lang klassiekemuziekmelodietjes neuriënd mijn hobby kunnen uitoefenen? Beetje fietsen? Ik ben een straatmaker.

Ik bereid een 200 kilometer-route voor en begin, als de straatmaker, vroeg. De wekker staat op 04.00 zodat ik om 03.50 wakker word. Fietssokken, koffie, muesli, fruit. Extra water drinken na het tandenpoetsen. Water drinken zou helpen tegen kramp na afloop.

Bad Nieuweschans had ik al op mijn foon ingetoetst. Giant TCR Defy staat klaar in de gang, haar bandjes strak maar niet te. En dan gaan. Net voor Praedinius hoor ik de verrukkelijke Google-stem mij aansturen. Volumeknop op max. Een Doe-Maar-riedel overheerst de verlangde Ich bin vergnügt mit meinem Glücke-melodie van Bach. Ik glimlach.

Het is lekker fris. Vochtig. Om 04.55 jaag ik door Helpman en prijs me gelukkig met de zonnebril. Een beloftevolle zon kleurt rood. Mijn route heb ik gevierendeeld en ik wil na elk kwart een kwartier rust nemen, in Emmen een half uur. Door Oost-Groningen rijdend krijgt mijn politieke antenne een update als ik de idioot grote boerderijen zie en stel me de naar limitarisme en coöperatieve initiatieven als ‘Land van Ons’ en ‘Herenboeren’ hunkerende boerenkinderen voor die de school wel hebben afgemaakt. Ik probeer fietsend te plassen en minder vaart, beveel mijn blaas te ontspannen, rek mijn strakke fietsbroek wat op maar vrouwenstemmen en opwaaiende zomerjurken werken tegen.

Onderweg ontmoet ik een paar vitale, bruisende, sportieve, ouwe pikken; vrienden voor het leven. Ted in Emmen en Rob in Odoorn. We bespreken het leven, de Nederlands politiek en kleinigheden. Waarom het verkoelende thermische ondergoed de Nederlandselftalspelers toch niet kon redden. Zijn onze docenten Engels echt zo veel beter dan de Franse? Welke waarde hebben felicitaties op groepsapps? Waarom nazaten van good-old Salomon Levy net iets pregnanter hun afkeer kunnen uiten van de vrouwen vernederende Joodse orthodoxen die hun eigen zonen onder het mom van religiestudies uit het leger houden. De invloed van nature en nurture op antisemitisme en  rabiate Palestijnenhaat. De schitterende utopische ideeënwereld van Rutger Bregman.

Bij de Schilders eet ik vier plakken krentenwegge en dus duurt de pauze daar iets langer. In Odoorn voegt Rob zich bij me en hij houdt me tot Rolde uit de wind. De temperatuur stijgt tot boven 28°. Ik voel een nijpend zoutgebrek en stop bij een terras voor mosterdsoep, spa en Radler. Alles even in de blender en dan in een maatbeker van een liter, vindt de restaurateur een slecht plan. Rob doneert me nog zijn banaan. Na 200 kms ben ik moe, maar niet stikkapot, uitgewoond of dood. Het tempo is om en nabij de 26/h. Als een straatmaker die voor een bijzondere klus vier uurtjes gaat overwerken kijk ik uit naar de 330 Groningen – Maastricht.

Rob van Essen ‘Ik kom hier nog op terug’

Na 60 pagina’s lezen denk je: hoe presteert de auteur het om de gesjeesde filosofiestudent die bruggenschilder is geworden, Rob Hollander die gefascineerd is door G. B. J. Hiltermann en de moeder en zoon die Gods woord langs de deuren uitventen bij elkaar te brengen, totdat je je de titel weer realiseert: Ik kom hier nog op terug.

Heel lang begrijp ik de keus van de jury om dit boek de Libris Literatuurprijs 2024 toe te kennen, maar te lange verhandelingen over de tijdmachine en de teleporatie maken dat ik allengs wat afhaak.

Vrij- Nederland-medewerker Rob stelt zijn chef voor oud-filosofiestudenten uit de jaren 80 te traceren en te interviewen.

Het hernieuwde contact met Icks brengt hem per teletransporter (vanaf Schiphol) in een split-second naar L A,  Amerika. Er ontstaat een Star-Trek-achtige setting waar de vraag oprijst: waar en wie ben ik. Met gamesmiljonair Icks bekijkt Rob de films ‘The war of the worlds’ en ‘The Time Machine’. Rob ontmoet de ontwerper van de in de jaren 66 – 69 gedragen kleding.

Er wordt gesproken over geleende tijdlijnen en mogelijke andere toekomsten. Rob krijgt de taak een in het verleden begane vergissing te herstellen en hij komt uit bij Hiltermann die hij 1998 besluiteloos op een brug zag staan en die hij had willen helpen.

Er komen vijf pogingen, na elke waarvan hij terugkeert naar Icks. De 5e verloopt iets anders. Hij komt in een setting van tien mede-filosofiestudenten, alle gesjeesd en voorzien van een bijnaam. Ze stelen een oude bus en reizen als een groep oude hippies naar een klooster in Frankrijk. Het verhaal vertoont een mix van door elkaar lopende en met elkaar verbonden tijdlijnen. In Frankrijk gaan ze allen schrijven over hun relatie met Icks, waarbij Rob wordt gezien als de spil. Hier begint het boek te lijden aan traagheid; de lezer denkt dat wat in 100 pagina’s wordt geschetst ook in tien of 500 had kunnen gebeuren. Desalniettemin was ik steeds weer verbaasd hoe ogenschijnlijke kleine voorvallen uit het begin hier zonder een spoor van een vermoeden van onechtheid terug komen.

JOURNAAL week 25

ZONDAG, eilanden. Het eilandenboek van Adwin de Kluyver zet me aan het denken over mijn eigen eilandervaringen. Het uitdagende verlangen eilanden te bezoeken, doorgronden en veroveren, herken ik zeer. In een plantsoen in mijn geboortedorp was een minuscuul eilandje in de vijver. Varend op een wankel vlot veroverden wij het op de ongelovige honden van de openbare school en bezetten het. Wat een teleurstelling toen in een winter het halve dorp het eiland over het ijs kwam bezoeken, in onze ogen bezoedelen. Veel later, op vakantie in Poncin trok een eilandje in de Ain ons gezin als een gek. Met een rubberbootje trotseerden we de stroming en barbecueden er als ware Robinson Crusoes. Nog een eiland dat in onze familie bekend werd is Clare Island waaraan mijn (inmiddels overleden) oudste zus en (nog levende) zwager hun hart verpandden. Jaar in jaar uit bezochten ze dit in hun ogen magische, zo goed als onbewoonde, maar door schapen en hun onvermijdelijke aarsmaden overwoekerde, eiland, waar de tijd en alle erbij horende ontwikkelingen leken te hebben stilgestaan. Voor gewone vakantiestervelingen een godverlaten oord met een bevolking die uit een soort van wanhopige diabolische overlevingsstrategie had geleerd supergastvrij te zijn en die gastvrijheid leert te vermarkten. Na de scheiding bleef mijn zus het eiland bezoeken. Uit door De Kluyver genoemde bewonersaantallen moge blijken dat wijlen mijn zuster met zo’n zeven % van de mannelijke bevolking het bed of een bedstee of een hooizolder boven een schapenstal heeft gedeeld, een feit dat me met broederlijke trots vervult. Dat die trots breed wordt gedeeld blijkt uit het feit dat twee broers zusters as sacraal, liefdevol en ritueel hebben verstrooid op Clare Island onder het toeziend oog van veel  bewoners.

MAANDAG, Minerva I. We bezoeken vier van de dertien locaties van de Graduation Show en maken kennis met afgestudeerden. We spreken dan over hun, vaak wel, soms minder interessant, eindexamenwerk. Ook vraag ik stelselmatig: ‘En nu?’ De antwoorden: ‘Doorgaan op deze weg. ‘k Ga een gap-year doen. Proberen subsidies te krijgen. Wellicht werken in de evenementenbranche. Zelfstandig kunstenaar worden. Ik heb een parttime baan. Nog een opleiding volgen.’ Of ze denken een inkomen te kunnen krijgen en of Minerva ze heeft voorbereid op het thema financiën? Ik hoor: ‘Ik heb weinig geld nodig om te leven. Mijn vriend is bakker. Misschien het onderwijs in, maar de ROC-stage beviel me matig. Ik wil onafhankelijk worden van mijn ouders. Er zijn lessen gewijd aan hoe je subsidies of fondsen kunt verwerven (maar die lessen kon ik niet bijwonen)’. Als ervaren ansichtkaartenkopers en proberen we mooie kaarten te kopen. Bij twee van de drie is niet bekend (en na enig zoeken onvindbaar) wat ze kosten. Het van een wasmachine naar een zetel getransformeerde object was nog niet te koop.

DINSDAG Minerva II. Tegenover ons huis staat ineens een minimalistische ouderwetse groene schaftkeet, een tandemasser met halfzachte banden. Het contrast met het glazen parkeergaragetrappenhuisje van glas, beton en staal kan niet groter zijn. In de keet: artistieke, ingenieuze op duurzaamheid gerichte eyecatchers. Koos Buist exhibitioneert zijn afstudeerproject. Enkele t.v.-schermen tonen een in het licht van een nachtcamera actieve rat. Een wildcamera legt  kraaien, reeën, hazen en een graafmachine die een sloot graaft vast. Een laboratoriumopstelling voor de analyse van slootwater met microscopen. Topstuk is de ‘Deurbel voor het huis van de dode slak’. Trekkend aan een touwtje gaat een ingenieus radertjessysteem tergend langzaam draaien. Buist is behalve kunstenaar filmmaker en ontwerper van groene daktuinen, hij combineert kunst graag met natuur en educatie.

WOENSDAG, fietsen. Mijn fietsinspanningen beginnen vruchten af te werpen. Betrekkelijk gemakkelijk  doe ik een ritje met één caféstop te Dokkum: Groningen, Gerkesklooster, Kootstertille, De Westereen, Damwoude, Dokkum, Lauwersoog, Eemshaven (waar ik een selfie maak bij de 1500 ton zware, 100 m lange monopiles), Roodeschool, Ten Boer, Groningen: 174 kms. Gemiddeld 26,8/uur. Het ritueel na thuiskomst: de licht verstoorde vochthuishouding op peil brengen met een Radler\bietensap en rekken en strekken in bad. In beide benen schiet soms even een verrotgemene, pijnlijke kramp die weer verdwijnt door enkel aan masseur Yara te denken. De 55 kms lange streep van Lauwersoog naar de Eemshaven, die evenmin van lucifers nabij LNG-tanks als van fietsers houdt, was naast een fysieke ook een mentale beproeving.

VRIJDAG. Ik ken steeds meer mensen die denken dat Memphis de naam van een illegaal wedkantoor is. Ze zitten bij een concert van organist Leo van Doeselaar en fluitist Marten Root in de Lutherse kerk te G. Ik hoor werk van Bach dat ik niet kende. Als ik Bach zeg bedoel ik Johann Sebastian en niet Carl Philipp Emanuel die ook voorbij komt. Over het Zuiderdiep lopend volg ik een voetbalwedstrijd op tv’s in cafés. Thuis kijk ik nog even naar een uiterst vermakelijke uitzending van ‘Makkelijk Scoren’. Deze keer met Van Stekelenburg die zichzelf interviewt door voetballers meerkeuzevragen te stellen en zelf de antwoorden voorkauwt.

Adwin de Kluyver – De eilanden van goed en kwaad

‘De eilanden van goed en kwaad’ is een heerlijk veelomvattend goed geschreven boek over… eilanden. De auteur, historicus en deeltijdeilander, is gefascineerd door eilanden en schrijft er (met een projectsubsidie, reisbeurs en ontwikkelbeurs), een bijzonder boek over met een uitgebreide bibliografie en een goed werkend register. Hij heeft -praise the lord – niet het doel alle eilanden te beschrijven. Van de door mij bezochte: Ameland, Borkum, Engeland, de Fokken, Funen, Île de la Cité, Japan, Kreta, Liberty Island, Rottumeroog, Rügen, Schiermonnikoog, Sicilië, Tenerife, Terschelling, Texel, Tinos en Vlieland staan maar enkele in het register. Dat betekent dat hij niet de gebaande paden betreedt, want zeg nou zelf, wat is Vlieland nou helemaal als je het ook over Okunoshima kan hebben of het verleidelijke Pukapuka? Niet voor niets is de ondertitel van het boek ‘een ontdekkingsreis’.

Het prachtig vormgegeven en fraai geïllustreerde boek wisselt interessante (historisch onderbouwde) eilandgeschiedenissen, vooral die over eilanden als primitieve gevangenissen maken indruk, en beschrijvingen vanuit allerlei points of view, af met een eilandencompendium, Isolaria (1 t/m 13) geheten en gedrukt in lichtrose, met een stroom aan informatie.

De eilandhoofdstukken gaan over befaamde en minder bekende eilanden: Atlantis, Lesbos, Formosa, Floreana, Spike Island, Clare Island en meer. In het eilandcompendium worden op kleinere schaal eilanden beschreven.

Een voorbeeld. Clare Island is een eiland aan de westkust van Ierland, met nog ongeveer 50 bewoners en duizenden schapen. De Kluyver beschrijft een naar en wreed historisch fenomeen: shunning: doodzwijgen als straf. Een ander onderzoek beschrijft de relatie van de primitieve Ierse eilandbewoners met Afrikaanse aapmensen, en via hen met de mensapen. De mannen zijn klein en de vrouwen niet bepaald mooi.

Van goed en kwaad, voorspelt de titel. Vooral het kwade aspect intrigeert. Nare experimenten, productie van chemische en/of biologische wapens, akelige dierproeven, schimmige grond aan- en verkopen, geïsoleerde gevangenissen, illegale transacties en meer overrulen het idee van brave vakantieresorts. Megalomanie, idiote acties (100 miljoen aan papiergeld opfikken) en meer, dat gebeurt allemaal op de broertjes van Schier.

De Kluyver eindigt met een weergave van zijn deelname aan een poolexpeditie in 2022, een soort kopie van 1878, maar dan net iets anders. De auteur gaat in zijn detaillering zo ver dat hij precies de outfit van de deelnemers omschrijft tot en met de driekleur (rood bovenaan hahaha, we mochten eens denken dat de gecorrumpeerde visindustrie subsidieert) en de emblemen.

(En, mwaah, dat ook uitgeverij Unieboek bezuinigt op de correctieafdeling blijkt uit een typo per 35 pagina’s (dat zal in werkelijkheid misschien het dubbele zijn, ik mis ook wel eens wat). Soit. Het doet maar weinig af aan deze fijne ontdekkingsreis).

JOURNAAL week 24

ZONDAG, belastingmoraal I. Maart 1969. Dokter Sjouke Bakker uit het Friese Kollum zet zich in voor Biafra. De Kollumer Courant schrijft en hervo/grefo predikanten preken over hem. Wij hebben een grote tuin die bomvol staat met eigenwijze narcissen (de enkelvoudige fijnbloemige Tazetta Narcissus).  Met mijn jongste zus opper ik het plan narcissen te verkopen voor dokter Bakker. We krijgen – gek genoeg – toestemming (want tuinbloemen afknippen is geen gewoonte). Tien stuks in een plastic boterhamzakje. Ik herinner me dat we 88 zakjes huis aan huis verkopen. Op het moment dat wij de poet gaan aanbieden aan het Sjouke-Bakker-comité zegt heit dat hij het bedrag met 37 gulden naar boven afrondt. Dat is het goede nieuws. Het slechte: i.p.v. met een zak guldens (die we met de dag hebben zien voller worden) bieden we een kale giroafschrijving aan. ’s Avonds aan tafel krijgen we les één van fiscale giftenaftrek.

MAANDAG, belastingmoraal II. Ik lees dat de nieuwe coalitie de giftenaftrek wil afschaffen. Balen. Vanaf het moment dat ik belasting betaal, slagen we erin een fiscale aftrek vanwege giften te krijgen. De laatste drie jaren beheren we (met onze zoons) het VDMF. Het VanderMeulenFonds is ingericht voor tien jaren en beheert een aandelenportefeuille. Gezamenlijk bespreken we de beleggingsstrategie en de goede doelen. Het VDMF is een mix van het enigszins volatiele ASML en brave ASN-fondsen. Jaarlijks doneren we 10% van het startbedrag aan goede doelen. Nu de giftenaftrek dreigt te verdwijnen komt het erop aan het leuk te blijven vinden en niet de spreekwoordelijke egoïstische altruïst te worden.

WOENSDAG, fietsen. Als een politica die van Dokkum naar Den Haag of Straatsburg verhuist worden mijn fietsgrenzen wijder. Niet een rondje Winsum – Onderdendam – Bedum, maar een rit van 160 kms.: Groningen – Leeuwarden – Heerenveen – Drachten – Groningen. In Akkrum neemt een bui me te grazen. De bakkersvrouw steelt mijn hart als ze mij een handdoek aanreikt. Het wordt zes uur fietsen. ‘n Kwartier rusten. Daarmee komt Groningen – Maastricht in beeld met 12 uur fietsen en twee uren rieleksen. Zou dus van 05.00 – 19.00 uur moeten kunnen lukken. Grenzen kun je oprekken. Dat zie ik aan één van mijn beste vrienden, oud-blaas-, hernia- en prostaatlijder, nu hielproblemenman, die ondanks alles een wandeling van zes uren maakt.

DONDERDAG, kunstacademie. Minerva en Instituut Frank-Mohr exposeren op 13 locaties in Stad de eindexamenwerkstukken van hun studenten. De tijd dat kunstacademies uitsluitend opleidden voor banen in het onderwijs is passé. Wel staat het beroep kunstenaar in de hoogste regionen van de rankings van bullshitbaanoverzichten. Aan Reitemakersrijge staat een schaftkeet met een op duurzaamheid gericht afstudeerproject van Koos Buist. Prachtig. Goed. Topstuk van Buist: ‘Deurbel voor het huis van de dode slak’. Koos Buist, naast  kunstenaar groenedakenontwerper, richt zich op kunst en educatie.

ZATERDAG Een kleine groep (internationale) demonstranten en studenten loopt door Stad. Ik herken de vrouw die ik eerder sprak bij het tentenkampje naast het Harmoniegebouw. Door een megafoon klinken de zangerige woorden Palestine en Revolution. Ik mis de woorden river, sea, Markuszower, en free. Ze worden begeleid door  verkeersregelaars. Het zijn bijna uitsluitend jongeren. ik zie Palestijnse sjaals en regenjacks. Ik denk met plezier terug aan mijn eerste demonstratie in Leeuwarden, augustus 1973. Ik was 17. Lichte opwinding. Nog herinner ik me de leus die we tegen de Griekse militair / politicus / president scandeerden: Weg met Papadopoulos. Het werkte, in november eindigde zijn presidentschap.

Maarten ’t Hart 41 ‘De zonnewijzer’

Een thriller, een soort vervolg van ‘De kroongetuige’. Op voorwaarde dat Leonie Kuyper voor de poezen zal zorgen erft zij alles van haar vriendin Roos de Berczy. Notaris Graafland praat haar bij en adviseert haar in de voetsporen van Roos te treden. Dat doet Leonie, ze gebruikt Roos’ make-up en haar kunstnagels. Leonie wordt door Freek gebeld die vertelt dat Roos en hij in een clubje zaten. Pleun Mastenbroek blijkt Roos op het strand gefilmd te hebben. De videobanden worden door Leonie en Pleun bekeken; ze zien een mysterieuze schaduw.

Leonie vereenzelvigt zich met Roos: kleding en kapsel veranderen. Freek Volbeda schrikt van het evenbeeld, hij betwist dat zonnesteek de doodsoorzaak kan zijn geweest. Ligt vergiftiging, Roos werkte per lot van rekening op een lab, niet veel meer voor de hand? De lezer bekruipt het gevoel dat de overledene een apart leven had: als eenvoudig analist reed ze in een Saab, ze had haar appartement afbetaald en was niet onbemiddeld. Rare uitspraken, als ‘ze zeek over Freek’ dragen hier aan bij.

Het wordt duidelijk dat Roos bij leven dreigementen had ontvangen en ook dat ze over veel contant geld beschikte, zowel in een bankkluis als verstopt in boeken. En er blijken mensen te zijn die een kopie van haar voordeursleutel hebben. Op het lab blijkt dat er in de tuin een uiterst giftige variant van de Datura staat.

Leonie kruip in de huid van Roos en gaat op onderzoek uit naar een woonboot waar Roos ook zou zijn geweest. Uit in de slaapkamer gevonden SM-kledij en – attributen blijkt dat Roos in een SM-club werkte. Als Leonie een keer meegaat naar de club in de Poseidon worden ze door een boot aangevaren.

Er speelt een spionagerisico van een Canadees lab en het boek eindigt met een curieuze vergiftiging van Leonie met het zaad van de daturaplant, ingespoten in champignons. Niet helemaal onverwacht leidt de oplossing van de moord naar de vrouw van de hoogleraar. Was het jaloezie?

JOURNAAL week 23

ZONDAG Arjen Lubach heeft een schitterende show in Groningens stadsschouwburg. Afgeladen. Veel jongeren. Zeer hoge grapdichtheid, met enkele missers. Vanuit de loge ontgaat ons soms iets, want projecties op de achterwand van het toneel zijn dan te hoog en onleesbaar en als je dan net nog nadenkt over wat de namen Nirvana en Kurt Cobain alweer betekenen, raak je achterop. AL is openhartig. Hij worstelt met ouder worden en verhaalt van zijn periode van somberte, maar met behulp van gesprekken (stelregel: op een rij zetten / benoemen / erover praten) is hij uit ‘t dalletje geklommen.

ZONDAG Lale Gül treedt op voor volle zaal in Forum. Niet eerder betaalde ik € 10- om een interview bij te wonen. Dit is waarschijnlijk ook de laatste keer. Als je het (dag)boek hebt gelezen, hoor je hier enkel oud nieuws. Interviewster Lotte Lentes heeft zich goed voorbereid maar blijft in de bewondermodus hangen. Ze is niet kritisch op Gül, vooral daar waar ze constateert dat Gül zonder serieuze prijzen blijft. Gül wijt het aan vooringenomenheid van jury’s. Iedere geoefende lezer, waaronder toch ook zeker Lentes, ziet dat Gül het moet hebben van publieksprijzen. Voor literaire prijzen is Güls stijl niet goed genoeg: het is overduidelijk (te)snel geschreven is: er zijn veel herhalingen en het lijkt alsof Prometheus heeft bezuinigd op redactionele assistentie. Er zijn nogal wat taalkundige missers, zoals een Prometheus-bureauredacteur het noemt: harde fouten. Gül wijst naar veelschrijver Brusselmans die voor geen van zijn 100 romans een literaire prijs kreeg. ‘Beste Lale, dat komt niet omdat veel- en snelschrijver Brusselmans over de recensenten onwelgevallige onderwerpen schrijft, maar omdat hij kwaliteit mist.’

MAANDAG De Grote Markt is af. We zien een miniproductiebos, wat bomen zijn geplant langs de liniaal. Verder een fraaie betonnen ster met punten naar alle windrichtingen en een miniatuurfontein in mineur.  Stel je in gelid op de rug liggende kaboutermannetjes voor die met hulp van een extra shot Viagra nog één keer ejaculeren door ruwe schrale openingen in beton. Zoiets. Vergelijk dit magere spuitwerk eens met de elf fonteinen in Friese steden: groot, prachtig, fier, potent, krachtig, artistiek. Dan enkele met hout ingelegde betonnen banken die, niet enkel bij nattigheid, je nieuwe pantalon naar de Filistijnen helpen. En dan een onmetelijke, kale, stenenvlakte voor kermissen, concerten en demonstraties. Maar alles autovrij, dat dan weer wel!

WOENSDAG Kunstacademie Minerva meent het roken tegen te kunnen gaan door in slappe fletse blauwe kleur de boterzachte aankondiging ‘rookvrije generatie’ aan de muur te spijkeren. Dat zet geen zoden aan de dijk. Een deel van het personeel en een handvol studenten zijn of analfabeet of hardleers of beide. Ze lappen de goedbedoelde raadgeving aan hun laars (hoewel, zie ik de laatste tijd een kentering ten goede?). Nee, dan de felrode verbodsborden van de universiteit.

WOENSDAG Mijn Giant voert me naar Visvliet, Noordbergum, Leeuwarden, Lekkum, Dokkum, Kollum en Zoutkamp. Onderweg neem ik me voor mijn bovenbenen weer 30 minuten aan de handen van Yara toe te vertrouwen; het idee alleen al stuwt mijn gemiddelde naar 27,9/u.

DONDERDAG Er zijn in Groningen 125 adressen waar gestemd kan worden. Sommige met 2 of 3 stembureaus. De gemeentelijke organisatie grenst aan perfectie. Ik werk mee in Maartenshof waar twee bureaus zijn, elk met zeven medewerkers. Ben van 06.45 – 22.00 uur in touw. Twee pauzes. Het is erg leuk werk en heel gezellig. Ik houd van een gebbetje en de hele dag messcherp blijven is dan lastig. Eén keer vergis ik me. Ik word gered door twee junioren, beiden student. In ruil haal ik koffie en thee. Als vergoeding vangen we ruim € 10,- per uur.

Maarten ’t Hart 40 ‘Johann Sebastian Bach’

Hèhè, daar is hij dan, het Bachboek waarvan je voelde dat die er aan zat te komen. In bijna elk boek van ’t Hart valt de naam (herhaaldelijk) en al lezend wacht je op een overzichtsboek. ’t Hart slaagt erin een goed boek over de veel beschreven componist te schrijven, vaak vanuit een interessante invalshoek.

Gek eigenlijk, maar er is weinig bekend over Bachs leven. Wel wordt er veel over gespeculeerd. Ook is veel van Bachs werk verloren gegaan, misschien zelfs een derde van zijn cantates. ’t Hart noemt Bach ‘de melodievinder’ een kwalificatie die niet alle componisten dragen.

In Bachs jeugd komt een ruzie voor met een fagottist. Deze kwestie wordt door vele schrijvers/onderzoekers op vele wijzen beschreven, maar even vaak gebaseerd op drijfzand, zoals ’t Hart beweert. Of Bach een onbehouwen, ongeduldig, ongenietbaar heethoofd zou zijn geweest bestrijdt ’t Hart, waarbij hij zich op de expressie in Bachs muziek baseert. In Bachs familie en gezin werd veel vroeg gestorven. Of en hoe de dood zijn werk heeft beïnvloed is een vraag die ’t Hart aftast door te verwijzen naar Bachs meesterlijke muziek. Van Bach zijn niet veel brieven bewaard gebleven. Uit wat er is blijkt dat veel brieven over geld(problemen) gaan en duidelijk wordt dat Bach een beroerd schrijver was: onleesbare, lange zinnen en nog eens uiterst onderdanig bovendien.

Ook is er een grote discrepantie tussen de mooie muziek en de kreupele, ten hemel schreiende miserabele kerkteksten die tekstdichters aanleverden. Klaarblijkelijk deerde het B niet. Of B zelf zeer gelovig was is niet te achterhalen. Dat hij veel religieuze literatuur bezat wil niet alles zeggen (zegt hard-core atheïst ’t Hart die ook veel religieuze literatuur bezit).

Natuurlijk is er een hoofdstuk over de cantates. Daarvan is ’t Hart zo onder de indruk dat hij ze allemaal wil beluisteren, spelen en er alles over lezen en er met Vestdijk over wil corresponderen. Dagelijks speelt ’t Hart iets uit de cantates. Daarna geeft ’t Hart in ‘Een klein compendium’ in enkele zinnen zijn indrukken weer van bijna alle cantates.

Natuurlijk is er veel aandacht voor de passies: de twee grote JP en MP en dan zijn er waarschijnlijk nog drie kleinere geweest, waaronder de Markuspassie, van het bestaan waarvan we zeker zijn. Een hoofdstuk over Bachs orgelwerken: schitterend, vooral de Passacaglia en de Toccata en fuga in d klein. Dagelijks speelt ’t Hart iets van Bach; het is interessant dat ook beginners oefenstof genoeg hebben. Verder nog info over Bach-concerten en literatuur over de componist. Ook voor niet-Bachliefhebbers een zeer leesbaar boek.

JOURNAAL week 22

ZONDAG Ik noem mezelf een natuurfietser, maar anders dan mijn voorbeeld Monegask Mollema houd ik wel van belasting betalen. Voor mij geen hartslagmeter, supplementen, gelletjes of spierversterkende poedertjes in bidons. Luisteren naar je lijf, veel slapen, veel lezen, wat schrijven, dagelijks een bordje oesters, halve liters Leffe Blond ruilen voor of aanvullen met bietensap, veel bewegen en niet te hoog van de toren blazen. Deze maand fiets ik ruim 1.000 kms, verdeeld in wat langere stukjes en de standaard 40-km-routes.

MAANDAG Alida wordt opgetild, neergevlijd en afgevoerd. In de buurt heet het skûtsje Tante Alida, kortweg tante Alie. Met liefde en deskundigheid wordt ze door twee kranen opgehesen, even neergelegd op de museumoprit en dan door één kraan op een verlengde dieplader gelegd en getransporteerd naar Wehe den Hoorn. Het voormalige scheepvaartmuseum wil nieuwe wegen inslaan en gaat samenwerken. Bingoënde drag queens moeten bezoekersaantallen die dalen als grondwaterstanden in door waterschappen beheerde landerijen opkrikken.

DINSDAG Voor ons betekende de naam Maartenshof een sterfhuis: twee (schoon)ouders vonden er een laatste haven. Als vrouw I er wordt gerevalideerd kantelt ons beeld diametraal. We herkennen de revalidatiekwaliteiten met actieve verpleegkundigen, attente zorgmedewerkers, artsen en fysio’s die alles van heupen weten en niet voor privépraktijken in yuppenwijken kiezen maar toegewijd zijn aan het solidariteitsbegrip. We zijn onder de indruk van het arbeidsethos, de kundigheid en de patiëntbenadering: allemaal veilig en vertrouwd.

WOENSDAG Ik vraag deskundigen hoeveel je moet trainen voor een monsterfietstocht. ‘Per week opbouwen, de hele monstertocht praktizeren is niet nodig,’ hoor ik geruststellend.

DONDERDAG Mijn fietsdoel, van 06.00 – 11.00 uur is: Groningen – Beilen – Ureterp – Groningen. Gelukt. 125 kms. met gemiddeld 27,3.

VRIJDAG Ons autodeelproject CCP (Clio Coöperatie Pompplein) is een groot succes. Met zijn drieën delen we Clio en gezien de gereden kilometers zou er een vierde en vijfde deelnemer toe kunnen treden. Zo leveren we een substantiële bijdrage aan het verdelen van de beschikbare, krappe, ruimte op wegen en parkeerterreinen in Stad. Zoals Groningens wethouder Rik van Niejenhuis graag in interviews debiteert: het kleine persoonlijke belang inruilen voor het grotere publieksbelang. Er lang over filosoferen primo maar ook hier is handelen beter dan oeverloze salontafelgesprekken.

ZATERDAG In de RTV-Noord-app lees ik over een bedrijf in Groningen dat hoefijzers produceert. Een uiterst eenzijdig kritiekloos stuk, een soort advertorial gepresenteerd als nieuws. Het hoefijzerbedrijf meldt met grote trots dat ze iets maken dat sinds de middeleeuwen niet veranderd is. Paarden krijgen aan elk been een stuk ijzer aangemeten van soms 450 gram. Met fikse spijkers in de hoeven, eigenlijk nagels, geslagen. Soms tot zes keer per jaar. Is het niet vreemd dat de RTV-Drenthe-journalist vergeet zich af te vragen of er geen alternatief is voor dit middeleeuwse gebruiksmiddel. Had zij/hij het wel gedaan, was men uitgekomen bij hoefschoenen.

Maarten ‘t Hart ‘Een deerne in lokkend postuur’ 39 (1999)

Een tweede Maarten ’t Hart in de Privé-Domeinreeks. Een bijzonder afwisselende, dagboekachtige persoonlijke kroniek over 1999.

Januari. In Leiden raakt M onder de indruk van een bloedmooi meisje. Als hij haar na een zoektocht weer vindt, wordt hij achterna gezeten door haar beschermer, een besnorde gorilla.

Februari. Over jeugdvriend Eduard Bomhoff en de aftakelende schrijver F. B. Hotz en M’s avonturen als tv-presentator, een baan die zoveel voorbereiding vergt en spanning oplevert dat hij er hartproblemen van krijgt.

Maart. Over de voorbereidingen van een nog te verschijnen Bach-boek, de vreselijke Connie Palmen, een bezoek aan Leipzig en rijlessen bij een plaatselijke instructeur die liever met zijn pupil veevoer vervoert dan het rijexamen voorbereiden.

April. Ook een zgn. rijexamen in 10 dagen (die 4 maand blijken te zijn) lukt Maarten en ook Hanneke, niet. Een paar leuke vertelsels over psychiater en schrijver Koenegracht die een varken heeft en een meisje met achtervolgingswanen en een omgewaaide populier. Dan nog wat perikelen over het veranderen van zware zeeklei in de polder naar zanderige grond geschikt voor bollenteelt.

Mei. Over de noodzaak van ‘mooischrijverij’ in de letterkunde, vroege merels, een ingewikkeld gezondheidsdieet met supplementen, een niet aflatende stroom aanvragen voor artikelen en interviews, een fietsongeluk en hartproblemen en hoge bloeddruk, de angst voor (verslaving aan) pillen.

Juni. Wat zijn de tien beste romans van de eeuw? Boezemfibrilatie, Bach, opschepper Büch en de overbodigheid van filosofie.

Juli. Het hart, Bach, de platenclub (een aantal mannen laat elkaar nieuwe muzikale vondsten horen), middelbareschoolherinneringen en eigen leraarservaringen.

Augustus. Van alles wat en vooral leeservaringen. ’t Hart leest jaarlijks 300 boeken, 1% van de uni-bieb. En steeds maar weer onder de indruk raken van de bibliotheekmedewerksters.

September. Dertien dagen in vrouwenkleren gehuld is ongeveer het maximum. Veel mensen herkennen hem dan niet als man. Vooral een passage uit het kinderboek ‘Reis door de nacht’ van Anne de Vries heeft ’t Harts wens zich als deerne te verkleden aangewakkerd.

Oktober. Met smaak vertelt ’t Hart over het verlies van belangstelling voor het geloof, literatuur en biologie. En over zijn eenmans BV, zijn dieet, enz.

November. Over november als de mooiste maand van het jaar en een fotosessie die een hele dag zal duren.

December. Over zijn Bach-reis, de verschrikkelijke pakjesmiddag, een millenniumdiscussie, de narcistische A. van Dis, en weer de platenclub.