Maarten ’t Hart 40 ‘Johann Sebastian Bach’

Hèhè, daar is hij dan, het Bachboek waarvan je voelde dat die er aan zat te komen. In bijna elk boek van ’t Hart valt de naam (herhaaldelijk) en al lezend wacht je op een overzichtsboek. ’t Hart slaagt erin een goed boek over de veel beschreven componist te schrijven, vaak vanuit een interessante invalshoek.

Gek eigenlijk, maar er is weinig bekend over Bachs leven. Wel wordt er veel over gespeculeerd. Ook is veel van Bachs werk verloren gegaan, misschien zelfs een derde van zijn cantates. ’t Hart noemt Bach ‘de melodievinder’ een kwalificatie die niet alle componisten dragen.

In Bachs jeugd komt een ruzie voor met een fagottist. Deze kwestie wordt door vele schrijvers/onderzoekers op vele wijzen beschreven, maar even vaak gebaseerd op drijfzand, zoals ’t Hart beweert. Of Bach een onbehouwen, ongeduldig, ongenietbaar heethoofd zou zijn geweest bestrijdt ’t Hart, waarbij hij zich op de expressie in Bachs muziek baseert. In Bachs familie en gezin werd veel vroeg gestorven. Of en hoe de dood zijn werk heeft beïnvloed is een vraag die ’t Hart aftast door te verwijzen naar Bachs meesterlijke muziek. Van Bach zijn niet veel brieven bewaard gebleven. Uit wat er is blijkt dat veel brieven over geld(problemen) gaan en duidelijk wordt dat Bach een beroerd schrijver was: onleesbare, lange zinnen en nog eens uiterst onderdanig bovendien.

Ook is er een grote discrepantie tussen de mooie muziek en de kreupele, ten hemel schreiende miserabele kerkteksten die tekstdichters aanleverden. Klaarblijkelijk deerde het B niet. Of B zelf zeer gelovig was is niet te achterhalen. Dat hij veel religieuze literatuur bezat wil niet alles zeggen (zegt hard-core atheïst ’t Hart die ook veel religieuze literatuur bezit).

Natuurlijk is er een hoofdstuk over de cantates. Daarvan is ’t Hart zo onder de indruk dat hij ze allemaal wil beluisteren, spelen en er alles over lezen en er met Vestdijk over wil corresponderen. Dagelijks speelt ’t Hart iets uit de cantates. Daarna geeft ’t Hart in ‘Een klein compendium’ in enkele zinnen zijn indrukken weer van bijna alle cantates.

Natuurlijk is er veel aandacht voor de passies: de twee grote JP en MP en dan zijn er waarschijnlijk nog drie kleinere geweest, waaronder de Markuspassie, van het bestaan waarvan we zeker zijn. Een hoofdstuk over Bachs orgelwerken: schitterend, vooral de Passacaglia en de Toccata en fuga in d klein. Dagelijks speelt ’t Hart iets van Bach; het is interessant dat ook beginners oefenstof genoeg hebben. Verder nog info over Bach-concerten en literatuur over de componist. Ook voor niet-Bachliefhebbers een zeer leesbaar boek.

JOURNAAL week 22

ZONDAG Ik noem mezelf een natuurfietser, maar anders dan mijn voorbeeld Monegask Mollema houd ik wel van belasting betalen. Voor mij geen hartslagmeter, supplementen, gelletjes of spierversterkende poedertjes in bidons. Luisteren naar je lijf, veel slapen, veel lezen, wat schrijven, dagelijks een bordje oesters, halve liters Leffe Blond ruilen voor of aanvullen met bietensap, veel bewegen en niet te hoog van de toren blazen. Deze maand fiets ik ruim 1.000 kms, verdeeld in wat langere stukjes en de standaard 40-km-routes.

MAANDAG Alida wordt opgetild, neergevlijd en afgevoerd. In de buurt heet het skûtsje Tante Alida, kortweg tante Alie. Met liefde en deskundigheid wordt ze door twee kranen opgehesen, even neergelegd op de museumoprit en dan door één kraan op een verlengde dieplader gelegd en getransporteerd naar Wehe den Hoorn. Het voormalige scheepvaartmuseum wil nieuwe wegen inslaan en gaat samenwerken. Bingoënde drag queens moeten bezoekersaantallen die dalen als grondwaterstanden in door waterschappen beheerde landerijen opkrikken.

DINSDAG Voor ons betekende de naam Maartenshof een sterfhuis: twee (schoon)ouders vonden er een laatste haven. Als vrouw I er wordt gerevalideerd kantelt ons beeld diametraal. We herkennen de revalidatiekwaliteiten met actieve verpleegkundigen, attente zorgmedewerkers, artsen en fysio’s die alles van heupen weten en niet voor privépraktijken in yuppenwijken kiezen maar toegewijd zijn aan het solidariteitsbegrip. We zijn onder de indruk van het arbeidsethos, de kundigheid en de patiëntbenadering: allemaal veilig en vertrouwd.

WOENSDAG Ik vraag deskundigen hoeveel je moet trainen voor een monsterfietstocht. ‘Per week opbouwen, de hele monstertocht praktizeren is niet nodig,’ hoor ik geruststellend.

DONDERDAG Mijn fietsdoel, van 06.00 – 11.00 uur is: Groningen – Beilen – Ureterp – Groningen. Gelukt. 125 kms. met gemiddeld 27,3.

VRIJDAG Ons autodeelproject CCP (Clio Coöperatie Pompplein) is een groot succes. Met zijn drieën delen we Clio en gezien de gereden kilometers zou er een vierde en vijfde deelnemer toe kunnen treden. Zo leveren we een substantiële bijdrage aan het verdelen van de beschikbare, krappe, ruimte op wegen en parkeerterreinen in Stad. Zoals Groningens wethouder Rik van Niejenhuis graag in interviews debiteert: het kleine persoonlijke belang inruilen voor het grotere publieksbelang. Er lang over filosoferen primo maar ook hier is handelen beter dan oeverloze salontafelgesprekken.

ZATERDAG In de RTV-Noord-app lees ik over een bedrijf in Groningen dat hoefijzers produceert. Een uiterst eenzijdig kritiekloos stuk, een soort advertorial gepresenteerd als nieuws. Het hoefijzerbedrijf meldt met grote trots dat ze iets maken dat sinds de middeleeuwen niet veranderd is. Paarden krijgen aan elk been een stuk ijzer aangemeten van soms 450 gram. Met fikse spijkers in de hoeven, eigenlijk nagels, geslagen. Soms tot zes keer per jaar. Is het niet vreemd dat de RTV-Drenthe-journalist vergeet zich af te vragen of er geen alternatief is voor dit middeleeuwse gebruiksmiddel. Had zij/hij het wel gedaan, was men uitgekomen bij hoefschoenen.

Maarten ‘t Hart ‘Een deerne in lokkend postuur’ 39 (1999)

Een tweede Maarten ’t Hart in de Privé-Domeinreeks. Een bijzonder afwisselende, dagboekachtige persoonlijke kroniek over 1999.

Januari. In Leiden raakt M onder de indruk van een bloedmooi meisje. Als hij haar na een zoektocht weer vindt, wordt hij achterna gezeten door haar beschermer, een besnorde gorilla.

Februari. Over jeugdvriend Eduard Bomhoff en de aftakelende schrijver F. B. Hotz en M’s avonturen als tv-presentator, een baan die zoveel voorbereiding vergt en spanning oplevert dat hij er hartproblemen van krijgt.

Maart. Over de voorbereidingen van een nog te verschijnen Bach-boek, de vreselijke Connie Palmen, een bezoek aan Leipzig en rijlessen bij een plaatselijke instructeur die liever met zijn pupil veevoer vervoert dan het rijexamen voorbereiden.

April. Ook een zgn. rijexamen in 10 dagen (die 4 maand blijken te zijn) lukt Maarten en ook Hanneke, niet. Een paar leuke vertelsels over psychiater en schrijver Koenegracht die een varken heeft en een meisje met achtervolgingswanen en een omgewaaide populier. Dan nog wat perikelen over het veranderen van zware zeeklei in de polder naar zanderige grond geschikt voor bollenteelt.

Mei. Over de noodzaak van ‘mooischrijverij’ in de letterkunde, vroege merels, een ingewikkeld gezondheidsdieet met supplementen, een niet aflatende stroom aanvragen voor artikelen en interviews, een fietsongeluk en hartproblemen en hoge bloeddruk, de angst voor (verslaving aan) pillen.

Juni. Wat zijn de tien beste romans van de eeuw? Boezemfibrilatie, Bach, opschepper Büch en de overbodigheid van filosofie.

Juli. Het hart, Bach, de platenclub (een aantal mannen laat elkaar nieuwe muzikale vondsten horen), middelbareschoolherinneringen en eigen leraarservaringen.

Augustus. Van alles wat en vooral leeservaringen. ’t Hart leest jaarlijks 300 boeken, 1% van de uni-bieb. En steeds maar weer onder de indruk raken van de bibliotheekmedewerksters.

September. Dertien dagen in vrouwenkleren gehuld is ongeveer het maximum. Veel mensen herkennen hem dan niet als man. Vooral een passage uit het kinderboek ‘Reis door de nacht’ van Anne de Vries heeft ’t Harts wens zich als deerne te verkleden aangewakkerd.

Oktober. Met smaak vertelt ’t Hart over het verlies van belangstelling voor het geloof, literatuur en biologie. En over zijn eenmans BV, zijn dieet, enz.

November. Over november als de mooiste maand van het jaar en een fotosessie die een hele dag zal duren.

December. Over zijn Bach-reis, de verschrikkelijke pakjesmiddag, een millenniumdiscussie, de narcistische A. van Dis, en weer de platenclub.

Lale Gül ‘Ik ben vrij’

Lale Gül slaagt erin een boek van 366 pagina’s te schrijven dat ik in één ruk uitlees. Heerlijk. Het boek legt pijnlijk bloot hoe zij de de nare rol van de talibaneske islam ervaart: vrouwen worden onderdrukt en intolerantie gepredikt. Of het nu Russische orthodoxen, de Joodse ultra’s of de  islamitische zwartekousen in de vorm van religieuze lichaamsbedekten zijn, we zien overal om ons heen wat de extreme uitwassen in de wereld van religies aanrichten: oorlogen en strijd, kommer, kwel en ultieme onverdraagzaamheid jegens vrouwen en de LHBTQI-gemeenschap en virulente haat gericht op de critici.

Gül beschrijft in dit dagboek (of het een roman is vraag ik me af) openhartig en indringend hoe het haar vergaat na publicatie van haar debuutroman ‘Ik ga leven’ waarin ze zich van haar geloof afkeert. Dit boek boek komt in negen maanden tot stand. Het begint met een consult bij de psycholoog bij wie Gül tot huilens toe haar hart uitstort na de vreselijke, hatelijke, intimiderende, verstikkende, agressieve reacties van haar van oorsprong Turkse, islamitische familie na het eerste boek. Zij is de uitputting nabij, haar individualiteit en vrijheid smoren. Enkel haar oma begrijpt haar, maar die sterft al snel. Een boek schrijven is als pornoacteur worden: alles ligt op straat. Na een succesvol interview bij Op1 barst de bom en wordt ze bijna gekielhaald door een familietribunaal. Haar broer Halil voorkomt fysieke schade. Ze wordt gedwongen in een safehouse onder te duiken, aangeboden door Femke Halsema. Ook krijgt ze steun van de minister van justitie Dilan Yeşilgöz.

haatmails aan Gül

Gül verkeert in tweestrijd: aan de ene kant wil ze schrijven en de zware last van de onverdraaglijke, islamitische cultuur uit ‘zoefiezoefieland’ Turkije achter zich laten, maar ze ziet haar broer en zusje Defne lijden. Haar moeder chanteert haar door te dreigen met zelfmoord, haar vader speelt de tandeloze sukkelaar en Yasemin, een tandheelkunde studerende nicht, ook behept met een primitieve, achterlijke denkcultuur, laat haar vallen.

‘Ik ben vrij’ beschrijft thema’s bindingsangst, de islam en de invloed van de familie in haar jeugd, de rol van vrienden in haar directe omgeving. Heel bijzonder en onverwacht is een lofzang op haar moeders kwaliteiten en het verschil met haar vader. Een heel hoofdstuk over daten. Interessant is haar analyse dat links, bang van racisme beticht te worden, in de kramp schiet bij islamkritiek. Ook ervaart Gül een kloof met (witte) Nederlandse schrijvers. Haar beste vrienden: Turken met gedeelde ervaringen, met Mert als voorbeeld. De hedonistisch ingestelde tandheelkundestudent Benjamin wordt afgeserveerd. Later komt vriend Noah in beeld. Ook bij buitenlandse optredens wordt Gül (verbaal) aangevallen.

De hatelijke, uiterst agressieve reactie van de Turkse (familie)cultuur is ronduit talibanesk. Uit wroeging schrijft Lale een 15 pagina’s lange brief aan haar zusje Defne, met een uitgebreide beschrijving van het thema hypocrisie. Dat in het boek talloze herhalingen voorkomen zij Gül vergeven. Het boek eindigt met een openhartig stuk over een Swingersavond in Valencia en uiteindelijk met een (mislukt) bezoek aan het ouderlijk huis, op verzoek van Lales zus Defne. Lale wordt door haar moeder verstoten.

Natuurlijk dringt de vergelijking met andere met het geloof worstelende Nederlandse auteurs (Franca Treur, Jan Siebelink, Maarten ‘t Hart) zich op. Waar Gül de modus van de verstikkende moskee op vrijdag en de koranschool (zaterdag en zondag verplicht van 10.00 – 16.00 uur koranteksten uit het hoofd leren) als drukkend, vrouwen vernederend en indoctrinerend beschrijft, is de toon van ’t Hart bijna luchtig, vrolijk, humorvol en kritisch.

Dagboek of roman. ‘Ik ben vrij’ leest als een dagboek, misschien moet je het een geromantiseerd,  psychologisch ideeëndagboek noemen. Zeer opvallend is de ene illustratie in het boek die zou bewijzen dat (homo)erotiek, compleet met anale penetraties, in oude islamgemeenschappen net zoveel voorkwam als de afkeer Mohammeds hoofd af te beelden.

Taal. Een groot verschil met ‘Ik ga leven’ is dat de hoofdpersoon niet Büsra maar Lale Gül heet. Dit versterkt het autobiografische element. Ook worden in dit boek geen overdreven moeilijke woorden gebruikt. Wel gebruikt Gül enkele minder gangbare substantieven als ‘bedaring’ en ‘hunker’ en de moderne variant ‘hoezo’ van ‘waarom’ en de minder bekende uitdrukking ‘achter de veren’. Soms laat haar uitgever haar wat in de steek. Ik ontdek enkele handenvol taalfouten die ik Prometheus  voorleg. Bureauredacteur Coenraads verzekert mij dat die in een tweede druk zullen worden hersteld.

Politici. Politici die het voor Gül opnemen worden in het boek met name (Halsema), of in het dankwoord (Marijnissen, Omtzigt, Arib, Wilders en meer) genoemd. Onder de indruk is Gül van Dennis Wiersma die kortstondig minister van onderwijs was. In het boek genoemde politici die zich van haar afwendden zijn Kaag en Simons. Lezen dus! Op 2 juni in Groningens Forum.

JOURNAAL week 20

MAANDAG. Met fietsmaat M spreek ik fantaserend over Maastricht – Groningen in één dag. Kortste route is 323 kms. Dat wordt 12 uren fietsen. Dan nog zes pauzes van 20 à 30 mits. Dagje werken zal het wel worden. Voor fietsmaat M is de grootste opgave zich aan mijn tempo aan te passen. Hij stelt een alternatieve route voor: vrijdag: Groningen – Amsterdam – Rotterdam – Vlissingen, zaterdag: Vlissingen – Antwerpen – Maastricht; zondag freewheelend met mij: Maastricht – Nijmegen – Zwolle – Groningen. Totaal 886 kms. Beiden blij.

DINSDAG. Fietsen. Na de deconfiture vorige week, uitgewoond na 147 kms, probeer ik het deze week opnieuw, voorzichtiger. Om sleutels voor Oringer kameraden op te halen die klaarliggen in Stad ergens boven de Korreweg besluit ik een rondje langs Gieten en Assen te gaan doen. 85 kms met een mooi gemiddelde. Uit pure vreugde ga ik even naar de boekhandel en vraag of de nieuwste Lale Gül er al is. ‘Nee, morgenvroeg,’ hoor ik.

WOENSDAG. Mijn patiënt in Maartenshof moet maar even wachten want de boekhandel aan de Vismarkt gaat pas om 09.30 open. Kunnen ze eerst nog de boeken sorteren, stapels klaarleggen, en nagels lakken, denk ik nog. Na een eerdere slechte ervaring bij de boekwinkel, na de winst van Joost Klein bij een popfestival in Stad, had men vergeten in te kopen, zelfs niemand van de verkoop had ooit van Klein gehoord, had ik goede hoop op verbetering van de belabberde service. Om 09.20 sta ik fluitend voor de winkel. Precies 09.30 uur gaat de deur open. Dan ontspint zich een vreemd gesprek tussen een verslaafde boeklezer die een boek heeft aangevraagd en op tijd staat om een patiënt te bezoeken en een verkoopster die nog nooit een kritische klant heeft te woord gestaan. Nee, het boek van Rob van Essen ligt nog in de onuitgepakte kratten, pakt u het zelf maar even. En nee, Lale Gül ligt nog niet klaar, is zelfs nog niet binnen. En dat terwijl mij op dinsdag was verzekerd dat het boek er zou zijn. Zonder een excuusje te mompelen gaat mevrouw in discussie en draait me op een bepaald moment zelfs de rug toe. Ineens denk ik aan het woord ‘angstcultuur’ waaraan de bedrijfsvoering in deze winkel zou lijden. Uitsluitend jonge, bedeesde, non-assertieve vrouwen die een lastige klant met slechts stilte tegemoet treden i.p.v. hem met een kopje koffie en een gesprek met de bedrijfsleider inpakken. Brrrr. In Maartenshof bel ik met de boekenzaak in Zuidlaren. ‘Ja hoor,’ ligt klaar, is gisteren binnengekomen.’

DONDERDAG Wat is er leuker dan vroeg opstaan en voor zessen zuidoostwaarts per Giant kruisen op weg naar een kop koffie bij twee ouwe, goede vrienden in Odoorn en Emmen? Tandenpoetsen, bidon, banaan en foon klaar leggen, zonnebril niet vergeten en gaan. Rustig starten en gevoelig plekje in m’n bovenbeen niet wakker maken. Bij het eerste viaduct lekker rammen en de wereld ligt voor me open. Het gevoelige billenplekje heeft inmiddels de portugesestoephoertaaiheid hervonden. Strijklicht over de velden in Haren. Geen verkeer tot Gieten. Een stratenplanfoto van brutalistische, toegepaste kunst in Emmen. Van Ter Apel tot Groningen één rechte streeop. Voor twaalf terug.

VRIJDAG. Het is 16 mei en mijn fietskilometers staan halverwege deze maand op 669. Dat is ruim 40 per dag, 1,5 uur. De twee dagelijkse bezoekjes aan Maartenshof zitten daarbij. Hoe manage ik mijn tijd? Facebook, X, LinkedIn, TikTok en instagram zijn voor mij even lege begrippen als natuurbesef bij boeren en weldenkendheid voor de BBB-politici. Ik lees de krant, check NOS-app, corrigeer, de schoolmeester uithangend, de geslotenvragencultuur van de linksekerkjournalisten van de NPO en denk steeds: geen wonder dat extreemrechts Nieuwsuur haat.

ZATERDAG Lale Güls ‘Ik ben vrij’ leest als een trein. Bezig met mijn 38e van Maarten ’t Hart denk ik steeds: die Maarten groeide op met een star, vervelend, beklemmend geloof, maar beleefde daarnaast onbekommerde licht- en vrolijkheid en kon zijn ongezouten kritiek kwijt. Een uurtje zondagschool, een half uur catechisatie en later belijdenis, wat stelt het allemaal voor? Nee, dan die nare, door de staat gesubsidieerde, mistroostige koranschool op zaterdag en zondag van 10.00 – 16.00 uur van Lale Gül en die achterlijke, analfabete, alles verstikkende, agressieve, uit Turkije geïmporteerde gezinscultuur van haar islamitische jeugdindoctrinatie: vreselijk. Wat heb ik met haar te doen.

Maarten ‘t Hart ‘De vlieger’ 38 (1998)

De vlieger is niet ’t Harts beste zullen we maar zeggen. Te veel herhaalde, uitgesponnen, voorspelbare dialogen en een dunne plot. Er lopen enkele verhaallijnen door elkaar:

  • Op een bepaalde manier is dit een voortzetting van het met bijbelse onnozelarijen doordrenkte boek ‘Wie God verlaat heeft niets te vrezen’, maar nu verwerkt in een roman met een handvol personages (vader, moeder, zoon, Gilkinus Diepenburch, zijn dochter Machteld, meneer pastoor als vertegenwoordiger van de papen, enz.).
  • Hoofdpersonen zijn een grafdelver die opdracht krijgt een rooms kerkhof handmatig te ruimen (schudden) en te verplaatsen en zijn zoon die almaar verliefd is op bloedmooie meiden, gek is op studeren en lezen en boeken lenen in de roomse bieb waar hij dan weer onder de indruk raakt van de òf zwaar opgemaakte jonge vrouwen òf afgeleefde, uitgewoonde, oudere uitleensters.
  • Als de grafdelvers zoon een vlieger krijgt, wordt die hem ontfutseld door enkele snotapen. Later vindt hij de vlieger terug bij Gilkinus Diepenburch.
  • Gilkinus, Ginus, is een man die de heilige schrift bestudeert en een discrepantie in het Onze vader ontdekt en vanwege zijn vasthoudende dwarsdenkerij, na van de kansel aangekondigde gedragsmaatregelen, van het avondmaal geweerd en later de kerk uitgebonjourd wordt.
  • De grafdelver wordt herhaaldelijk door gemeentemedewerkers, de dominee, de burgemeester en zelfs meneer pastoor gevraagd de roomse begraafplaats te ruimen en te verplaatsen; iets wat hij enkel zou willen doen met twee draglines en twee vrachtwagentjes.
  • De dochter van Gilkinus van Diepenburch die zwanger raakt van een onbekende man.
  • En dan is er nog een reiger die de begraafplaats blijft bezoeken, een dove man die wat hij wil zeggen op papiertjes schrijft en ouderlingen die maar blijven doorgaan met zware boodschappen bezorgen bij gelovigen die niet in de pas wensen te lopen.

Uiteindelijk wordt de grafdelver gepasseerd voor de klus en heeft hij spijt als haren op zijn hoofd.

Dan nog een heel bijzondere epiloog, waarbij het eerst – vanwege het strerk autobiografische karakter van het boek – niet duidelijk is of het gaat om Maarten ’t Hart, of de inmiddels volwassen geworden zoon van de grafdelver. Hij krijgt het verzoek mee te doen aan een actie van Amnesty International om een dag geketend in een kooi te zitten. Dan herkent hij de initiatiefneemster, SM-meesteres Machteld van Diepenburch, nu oud en verweerd, vroeger bloedmooi. Zij verguist hem vanwege zijn vroegere indringende blikken naar haar. Zij blijkt hem desondanks toch interessant gevonden te hebben.

Monteverdi – Mariavespers (Coevorden, 10 V ’24)

De vooraankondiging via een interview in het Dagblad van het Noorden oogt specta: artistiek leider Marit Broekroelofs in een rode jurk op stilettohakken. Dat de robe bij het concert is ingeruild voor een gele is natuurlijk spijtig, maar de heerlijke muziek vergoedt veel.

Gelukkig, er zijn geen programmaboekjes. Geen door geflatteerde jeugdfoto’s ondersteunde teksten of en zo ja waar de blazers, tokkelaars, zangers en strijkers de muziekschool hebben afgemaakt, geen ronkende verhalen over reisjes naar Korea en Japan, geen onbegrijpelijke teksten in het Latijn. Een experiment? In de pauze hoor ik van een latinist dat de zangers halverwege het concert geen roomse bezweringsformules zingen, maar een recept over hoe een dromedaris of voor de fok en export afgekeurde ezelin te barbecueën in de woestijn. Niemand die er erg in heeft. Ik hoor perfect gezongen en gespeelde muziek.

Coevorden is er klaar voor. De kerk die in vroeger tijden voor gepreekte woorden werd gebruikt is ingericht voor gezongen teksten. Geen slechte ruil. Wat zien en horen we? De vrouwen op de rechthoekige podiumblokkendoos zien er des vrouws uit: mooie jurken, een enkel gewaad en, zij het voorzichtig, prachtige, merendeels ingetogen kleuren. De mannen doen alsof ze worden gecast voor een ouderlingenrol in een remake van ’t Harts ‘De nakomer’: allemaal in het zwart. Maar zingen kunnen ze. We luisteren naar muziek die in Monteverdi’s tijd door de paus werd afgekeurd. Een betere aanbeveling kan je je niet indenken, toch?

In de krant vertelt artistiek leider Marit Broekroelofs dat Monteverdi’s rustpunten aanstellerij kunnen voorkomen. Jammer, denk ik, wat reuring kan de soms al te ingetogen,  introverte, klassieke muziek wel gebruiken, ik houd van drama, opwinding, virtuositeit. ‘Laat Monteverdi je hart binnenkomen en je overweldigen, onderga het, dompel je erin onder, je hoeft het niet per se te snappen,’ gaat Marit verder. Graag, denk ik. Muziek moet het, evenals beeldende kunst, zonder handleiding kunnen stellen.

Het krantenartikel toont een mooi verschil tussen Bach en (de katholieke) Monteverdi: zijn bij Bach de verhalende koren van ultiem belang, bij Monteverdi is het verhaal ondergeschikt aan de muziek. Dat komt me bekend voor. Van een vriend weet ik dat katholieken verhalen bijzaak vinden. Men leest de bijbel niet, maar houdt het op wat rituelen, veel uiterlijk vertoon, beetje bidden, Maria vereren, that’s it. Dat Monteverdi daar genoeg aan had voor de fijne muziek, poepoe. Maar of hij in de buurt komt van Bach?

Er zijn in Coevorden zowat 180 luisteraars in een sobere setting: thee uit papieren bekertjes en voor toiletbezoek gaat men naar buiten, twee keer rechtsaf en dan naar het bijgebouw. De muziek werkt zeker (licht) betoverend maar in de pauze check ik schielijk mijn foon en zie dat FC Groningen op voorsprong staat, dat Joost Klein bijna gediskwalificeerd is en hoop ik vurig dat er niet wordt bezuinigd op revalidatie-instellingen.

JOURNAAL week 19

MAANDAG: Als ik met C een Groningse-Poëziewandeling maak tussen Milnsum (Middelstum, met zijn radiale wierdenstructuur) en Doord (Toornwerd) zien we dat er in Doord een AED aan een muur hangt. Om twee redenen is dit apparaat onbruikbaar: net als -bijna – alle aan de openbare weg hangende AED’s is hij niet vrij toegankelijk, want afgesloten achter een cijfercode, maar erger nog is dat het storingsnummer niet bereikbaar is. Ook wordt er niet teruggebeld. Pictogrammen die een mogelijke gebruiker op weg zouden kunnen helpen zijn verweerd en onleesbaar. Het tweede telefoonnummer levert wel een (slaperige) stem op, die er iemand naar zal laten kijken. Terug naar de poëzie. Hardop de gedichten lezend, valt ‘Mien Laand’ van opa Jan Boer, niet tegen. Enkele gedichtenborden zijn verweerd en minder goed leesbaar.

DINSDAG: Franse wetenschappers bepleiten terughoudendheid in telefoongebruik -schermtijd geheten – bij kinderen. Tot drie jaar nul en tot vijftien geen social-media. Dat doet me denken aan de levendige discussies in lerarenvergaderingen rond de eeuwwisseling. De achterdestreepvakken wilden alles vrijlaten, maar de kennisvakken drongen onverminderd aan op beperkingen in het telefoongebruik. Het risico van verslaving aan de schermpjes is vergelijkbaar met dat aan nicotine waarvoor inmiddels een digitale petitie is ingesteld. Teveel aan schermpjes leidt tot oogschade (brildragen onder kinderen schijnt gelijk op te lopen met extreem rechts stemmen onder volwassenen) en nicotine tot je-weet-wel. Nu nog een petitie tegen religies in het onderwijs.

WOENSDAG: Fietste ik in ’23 de 165-km trip langs Holwerd en Uithuizen in één ruk, vandaag doe ik – met vage plannen Maastricht – Groningen nog eens in één dag te doen – een tot 147 kms verkorte versie met twee korte stops. Achterlampje aangebracht. Ik word voorzichtiger. Doel is een foto maken van de fake AED in Toornwerd. Het kost me moeite, ik beken dat de rit me tegenviel. Klein pijntje achterzijde rechterbovenbeen, gevoelige billen (schepte ik er ooit over op dat mijn billen gelooid waren als die van een in een versleten string getooide bejaarde Portugese stoephoer die 24/7 zon- of maanbeschenen efficiënt prostaat melkend Nederlandse mariniers voor een handvol escudo’s van hun onschuld beroofde) en een vlekje in de liesstreek. Mijn oude woonplaats Kollum is nog steeds in de ban van een omgekeerdevlaggenboer die veertig jaar lang heeft vergeten de juiste afslag te nemen en die nu argeloze passanten het dorp doet mijden als BBB stemgerechtigden die nadenken.

DONDERDAG: Nog even terug naar Toornwerd. Vaak wint het geromantiseerde verlangen naar in een dorp wonen het van praktische handelingen als onderhoud (de dorps-AED) en schoonmaak (de poëzieborden). De ware kwaliteit van het plattelandsleven vind je weerspiegeld in de sloten. Zelden zag ik een rijkere fauna en flora dan in en bij de sloten nabij Toornwerd en Middelstum. In de verste verten geen tulpen en/of leliekwekerijen, dat speelt natuurlijk mee. In vijf meter goed onderhouden sloot telde ik veertig kwakende kikkers. V e e r t i g.

Maarten ’t Hart ‘Wie God verlaat heeft niets te vrezen’ 37 (1997)

‘Wie God verlaat heeft niets te vrezen’ is een van de leukste boeken van ’t Hart. De ondertitel luidt ‘De Schrift betwist’. In 45 hoofdstukken en een nawoord beschrijft ’t Hart tegenstrijdigheden, feitelijke onjuistheden, onmogelijkheden en onbewijsbare bijbelse uitspraken over pratende ezels,  negenhonderdjarigen, gefantaseerde arken, fabels, legenden, raadsels en mythen die de godontkennende kerkverlater geen vrees hoeven in te boezemen, integendeel: hem, hen of haar laat schaterlachen.

’t Hart lees de bijbel met een geoefend close-readers-oog en laat er geen spaan van heel. Natuurlijk refereert hij aan intentionele malligheden als een zgn. goede God, maar de wereld is vol van gruwelijkheden als parasitisme, drugs, oorlogen, enz. Daarbij komt nog dat het Hebreeuws een moeilijk te vertalen taal is met polyinterpretabele zinswendingen, ontelbaar de bijbelse rariteiten en bizarrerieën en maakt het tot een (verheven) sprookje. Vaak worden letterlijk genomen bijbelteksten komisch en humoristisch vanwege de vele paradoxen. Braambossen in de woestijn, kinderen die als wegwerpartikelen worden beschouwd waarbij kindermishandeling, incest en kindermoord veel voorkomen. Theologen, fundamentalistische orthodoxen veelal, verklaren de bijbelse onmogelijkheden met de stelling dat het niet om geschiedenis maar om heilsgeschiedenis gaat en gaan verder met zelfverzonnen rituelen als de zondagsheiliging en de kinderdoop, terwijl de wel bijbelse voetwassing geëlimineerd is. ’t Hart constateert dat in het OT nauwelijks wordt gesproken over een leven na de dood, hemel of hel: allemaal Nieuwtestamentische apekool.

Natuurlijk is het verleidelijk de onmetelijke Israëlische agressie in het huidige Gazagebied te vergelijken met de agressie zoal verwoord in de bijbel. Er wordt, onder het toeziend oog van het opperwezen, zelfs door hem aangemoedigd, heel wat met de scherpte des zwaards afgeslacht, opgespietst, van de rots af gedonderd, met builenpest geslagen dan wel door speren of tentpennen doorboord. Een zorgvuldige telling brengt ’t Hart tot 600.00 slachtoffers.

Vrouwen komen er in de bijbel bekaaid af. Ze staan dan wel boven de dieren des velds maar ver onder de man. Triomfantelijk toont ’t Hart aan dat de kinderdoop een onbijbels maar al te graag toegepast ritueel is: werden niet kinderen maar uitsluitend volwassenen gedoopt dan zou het christendom een langzame dood sterven aangezien gelovig en kerkelijk worden op oudere leeftijd niet of nauwelijks voorkomt.

’t Hart schrijft dat hij tot zijn 20e bijbelteksten tot zich heeft genomen en daarna atheïst is geworden. Veel van de columns verschenen in NRC en ze deden veel stof opwaaien, voor de NRC-redactie aanleiding de serie te stoppen.

The morning after the night before: de wildplasser

Automerken doen alles aan image-building. Zo stond Audi, totdat het de plofkraakbak werd, bekend als luxe, duur, degelijk, Duits en snel. Die zitten echt niet te wachten op het epitheton: wildplasserswagen.

Zondagmorgen na koningsdag stopt er een witte Audi TT Roadster, kenteken beginnend met PN 1, softtop cabrio, op Reitemakersrijge. Een wit petje, groene trui, zwarte broek met een brede witte bies, sneakers met een groen/blauwe zijkant, stapt uit, loopt naar de steiger, haalt zijn leuter uit de broek en, voorzichtig wat om zich heen kijkend, pist hij, ongegeneerd, hondsbrutaal, zijn dronkemansstraal op het pleintje naast de steiger. Ins Blaue hinein. Als een ware exhibitionist neemt hij rustig het risico bekeken en gefotografeerd te worden door vroege vogels van Pottebakkersrijge, de vier Minerva-ateliers, Reitemakersrijge zuid en Reitemakersrijge noord.

De laatste tijd sta ik iets vroeger op: 06.30 uur. Het is zondagmorgen, de dag na koningsnacht. Ik bereid me voor op een racefietstochtje naar Froombosch, Sappemeer. Die contreien. Ik wil weer een dikke zestiger rijden. Streefgemiddelde 27/u. De banden zijn op spanning, mijn bovenbenen staalhard en ik kijk naar buiten of Buienradar gelijk krijgt. De afvalzak in de keuken wil weggegooid worden. Snel loop ik naar de ondergrondse container aan Kleine der A.

Dan: telefoon. Een wakkere bekende uit de buurt heeft me zien lopen. ‘Kijk eens naar buiten, naast de vuilnisbak bij de steiger.’ Op zijn Jeroen Pauws, koffiekop in de hand, loop ik naar het raam en zie de Audi TT-rijder, kenteken beginnend met PN 1, vergenoegd staan pissen in wat je beschouwt als je eigen tuin. Onbesneden snikkel uit de broek bungelend, handen aan het telefoonscherm gekleefd. Dan loopt hij terug naar zijn auto, ziet een schrammetje op de velg linksvoor (iets geraakt in de binnenstad?), pakt een verfstiftje uit het handschoenenvak en begint rustig de velg bij te werken.

Mijn buurtgenoot stuurt me een foto van de auto en de man. Het kenteken, PN 1 – –, is duidelijk zichtbaar. Even googelen en daar is-ie: vijfde eigenaar. Nieuwprijs bijna 60K, bouwjaar 2015. Een telefoontje naar de Groningse Audi-dealer leert dat de auto daar in onderhoud is. Men wil wel de eigenaar wel even doorgeven dat hij iets belangrijks in de binnenstad is kwijtgeraakt en dat hij gefotografeerd is. Op wildplassen staat een boete van € 140,-. Doneren aan een goed doel zou ik acceptabel vinden.